InterviewJe kunt het maar één keer doen

‘Ik ben haar dankbaar dat ze het voor ons zo makkelijk heeft gemaakt’

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Nicole Beauchez (62, eigenaar fysiotherapiepraktijk) overleed op 1 december 2018 aan de gevolgen van een hersentumor. Zij was getrouwd met Hendrik van der Weg (72, psycholoog) en had twee zoons, Roel (29) en Stan (25, student en ondernemer).

Stan van der Weg: ‘Mijn vader dacht dat hij een soort hippiemeisje getrouwd had, maar na dertien jaar kwam hij er pas achter dat ze heel rijk was. Mijn opa had veel geld, maar mijn moeder was kwaad op haar vader omdat hij in haar jeugd alleen maar werkte en nooit thuis was. Hij had zijn kinderen naar een kostschool gestuurd. Mijn moeder had een afkeer van geld gekregen. Ze wilde haar erfenis investeren in het redden van het regenwoud. Daar is ze compleet mee genaaid, omdat ze naïef achter een goed doel was aangelopen. Mijn vader vond het erg dat ze op deze manier al haar geld was kwijtgeraakt, maar zij reageerde tamelijk laconiek. Ze was totaal niet materialistisch. Ze was milieubewust, vegetarisch en stond elke ochtend om 6 uur op om yoga te doen. Ik weet niet of ik een oedipuscomplex heb, maar ik heb met mijn moeder nooit ruzie gehad. Tien jaar geleden ben ik een keer ’s nachts opgepakt vanwege graffiti spuiten. Ik zat in de politiecel toen zij me kwam halen. Ze ging alleen maar naast me zitten en zei helemaal niets, geen woord. Heel krachtig, ik voelde me extra schuldig.

Nicole en Stan.Beeld Privéalbum

Mijn moeder wandelde elke twee maanden vijf dagen met een vriendin een stukje van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Ik kwam op een gegeven moment thuis en toen bleek ze niet vertrokken te zijn. Ze lag ziek in bed en had koorts. Ik heb even gedag gezegd, maar er was verder weinig aan de hand. Twee dagen later keek ik in mijn studentenhuis met vrienden voetbal toen mijn vader belde: ‘Mama ligt in het ziekenhuis en het zou goed zijn als je hierheen komt.’ Ik leende de scooter van een huisgenoot en aangekomen in het OLVG informeerde ik bij de balie naar mijn moeder. Ik moest naar een bepaalde verdieping, naar een bepaalde zaal. Ik liep voorbij die zaal, keek naar links en zag een vrouw liggen die er heel slecht uitzag, met witgrijs haar. Ik zei tegen mezelf dat dat mijn moeder niet was en liep door naar de volgende zaal. Daar stond ik stil en keek rond. Ik had hartkloppingen. Op dat moment realiseerde ik me dat dat de vrouw in de vorige zaal wel degelijk mijn moeder was. Ik liep terug en mijn vader kwam naar me toe, gaf een knuffel en zei dat mijn moeder een hersentumor had. Het eerste wat ik tegen haar zei was: ‘Had je nu maar gerookt, hè?’ Ze was fel tegen roken en zei altijd tegen mij dat ik moest stoppen. Ik maakte die opmerking als grapje, maar het lachen ging al snel over in huilen. Even later werd gevraagd wie die nacht bij haar kon slapen en ik zei dat ik wel zou blijven. Dat is de allerergste nacht van mijn leven geweest. Ze moest ’s nachts naar het toilet, maar haar beenfuncties waren aan het uitvallen. Ik ondersteunde haar op weg naar de wc en opeens zakte ze door haar benen. Mijn moeder hing helemaal slap in mijn armen. Ze plaste in haar broek, over mijn benen heen. Ze fluisterde in mijn oor: ‘Het spijt me zo dat je dit moet meemaken.’ Ik zei: ‘Het is oké, mam’. Maar het was voor mij een shock, de abrupte verschuiving van het beeld van de succesvolle onafhankelijke vrouw naar een doodzieke, hulpbehoevende patiënt.

Ze had glioblastoma muliforme, een agressieve vorm van een hersentumor. Het kan een tijd duren voordat je er last van krijgt, maar op het moment dat het misging, kon ze meteen ook niets meer. Er was geen andere keus dan opereren, want ze kon al snel niet meer spreken en lopen. Het leek wel een wonder toen ze uit de operatie bijkwam; ze kon weer praten en ook de andere functies kwamen terug. Maar het was niet gelukt om de hele tumor weg te halen. Het was duidelijk dat ze het niet zou overleven, daar waren de artsen eerlijk over.

Ik woonde sinds de dag dat ik 18 werd in een studentenhuis, maar ik besloot weer thuis te gaan wonen. Mijn vader is per direct gestopt met zijn werk en werd fulltime mantelzorger. Hij verzorgde mijn moeder fantastisch. Daardoor hoefde ik geen fysieke dingen te doen zoals haar aankleden en naar de wc brengen. Ik hielp wel mee, maar ik was er vooral voor de gezelligheid. De focus lag niet op een zieke moeder, de focus lag op een gezellig huishouden. Ik kreeg nooit echt te zien hoe slecht het met haar ging, dat is mijn broer en mij bespaard gebleven.

Na een poosje merkten we wel dat de tumor weer ging groeien en dat ze achteruitging. Mijn ouders hebben hun hele leven samen elke dag om 6 uur één borreltje oude jenever en één toastje met brie gegeten. Voor het avondeten, elke dag. We vroegen aan mijn moeder of zij de toastjes wilde maken, want mijn vader en ik moesten even iets in elkaar zetten. Toen we terugkwamen had ze alle toastjes die we in huis hadden gesmeerd, de hele tafel lag vol. Toastjes met brie, maar ook toastjes met pindakaas. Toen ze ons zag, vroeg ze heel serieus: ‘Toastje?’

Op een gegeven moment kon ze bijna niets meer en hebben we in de huiskamer een doorligbed gezet. In die periode heb ik mijn vriendinnetje ontmoet en ik wilde haar nog graag aan mijn moeder voorstellen. Ze kon eigenlijk al niet meer praten. Het allerlaatste woord dat ik mijn moeder heb horen zeggen was ‘Hallo’ toen ik mijn vriendin voorstelde. Dat was een heel mooi moment.

Mijn vader had een bed gemaakt op een verhoging, dat hij naast haar bed had gezet zodat ze nog een beetje konden knuffelen. Om 3 uur ’s nachts is ze overleden. Mijn vader belde zijn zus en barstte toen in tranen uit: ‘Ik ben zo moe, denk je dat het goed is als ik nog even door ga slapen?’ Zijn zus antwoordde: ‘Tuurlijk joh, ga maar lekker slapen.’ Hij is toen terug gekropen in bed en heeft nog tot 9 uur naast mijn moeder gelegen. Ik was net in mijn voetbalkleren op weg naar het voetbalveld, toen mijn vader belde. Haar dood was in zekere zin een opluchting. Ze kon niets meer, het was mooi geweest.

Voor mij is het geen traumatische periode geweest. Ik heb mijn moeder van het begin tot het eind niet één keer zien huilen of horen klagen. Ik ben haar dankbaar dat ze het voor ons zo makkelijk heeft gemaakt. Het moeilijkst vond ik om het verdriet van mijn vader te zien. Hij zat na haar dood een jaar lang elke dag thuis aan de keukentafel, zoals hij het zelf beschreef ‘te wachten als een trouwe hond totdat mama binnen zou komen’. Inmiddels is hij zijn leven gelukkig weer aan het oppakken. Zelf heb ik het meest pijn op de momenten dat ik stappen maak in mijn leven en me realiseer dat ze dat nooit meer zal meemaken. Soms zit ik op de fiets als het me overvalt. Dan stop ik op een brug, kijk naar de vogels en laat ik een paar traantjes toe.’

Meer over