Alleenwonen (slot)

‘Ik baal echt weleens dat ik alleen naar bed moet, maar ik ben altijd blij dat ik alleen opsta’

Nederland telt 3,2 miljoen mensen die alleen wonen. In een serie interviews vragen Kustaw Bessems en Gidi Heesakkers een aantal van hen naar het wel, wee en waarom.

Gidi Heesakkers
Marc Hesselink: ‘Ik weet intussen dat ik alleen het beste functioneer, en het kan me ook niet meer zoveel schelen wat anderen daarvan vinden' Beeld Desiré van den Berg
Marc Hesselink: ‘Ik weet intussen dat ik alleen het beste functioneer, en het kan me ook niet meer zoveel schelen wat anderen daarvan vinden'Beeld Desiré van den Berg

Het is dat taxichauffeur Marc Hesselink (57) het zelf zegt: ‘Ik ben een beetje een hoarder.’ Zijn kleine huurwoning in Amsterdam staat vol met, nou ja, van alles: platen, cd's, achter hem op de rode bank een rij knuffels, vitrinekasten met klassieke miniatuurauto’s. Hij is lid van de Gay Classic Car Club, een paar weken geleden reed hij nog met zijn beste vriend door Frankrijk, hij in een Triumph Spitfire, de vriend in een MG B.

Bij die vriend thuis is het ‘bijna steriel’ volgens Hesselink. ‘Hij gooit alles wat hij niet meer nodig heeft onmiddellijk weg. Een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd, vindt hij, en ik snap helemaal dat het voor hem zo werkt. Mijn hoofd is ook niet opgeruimd, en ik vind dat juist heerlijk; verdwalen, rommelen, afdwalen. Het is fijn om je eigen bedoeninkje te hebben, zonder dat er iemand is die zegt: je moet die rotzooi opruimen.’

Er is nooit iemand geweest die zegt dat hij ‘die rotzooi’ moet opruimen. ‘Als het gaat over alleen leven zeg ik altijd: het is iets wat in je systeem kruipt. En mij is het ook nog met de paplepel ingegoten. Ik ben enig kind. Mijn vader overleed toen ik 14 was, mijn moeder heeft een raar leven gehad. Zij raakte als klein meisje haar hele familie kwijt in een jappenkamp en keerde op haar tiende alleen terug uit Indië. Ze kwam terecht bij een oma die niks van haar begreep. Na de dood van mijn vader heeft ze nooit meer een ander gehad. Ze is 86 en woont nog in het huis waar ik ben opgegroeid.’

Heb je serieuze relaties gehad?

‘De langste relatie had ik met een Braziliaan. Dat was een langeafstandsrelatie, die heeft een jaar of twee, drie geduurd. Het is stukgelopen omdat hij hier niet kon aarden, maar ik moet toegeven dat ik ook wel tegen het samenwonen opzag. Ik vond het een benauwende gedachte dat hij naar Nederland zou verhuizen en bij mij zou intrekken.

‘Ik weet intussen dat ik alleen het beste functioneer, en het kan me ook niet meer zoveel schelen wat anderen daarvan vinden. Maar ik heb een hele periode gedacht: iedereen heeft een relatie, iedereen gaat samenwonen, dus dat moet. Ik mis iets. Mis ik iets? Ik ben toch niet gek?’

Hoe lang ligt die periode nu achter je?

‘Die Braziliaan, dat is nu ruim tien jaar geleden. Daarna ben ik wat cynischer geworden, ook omdat ik veel relaties om me heen op afschuwelijke manieren zag eindigen. Ik ben het ophemelen van de liefde gaan beschouwen als een vorm van religie en ben zelf atheïst geworden. You are nobody until somebody loves you, dat wordt ons van jongs af aan ingeprent. Het is flauwekul, je kunt erg gelukkig zijn zonder relatie. Ik ben jaloers op mensen die een grote liefde hebben gevonden, zoals mijn beste vriend. Maar ik zie in dat het lang niet voor iedereen is weggelegd, en dat je er dus ook niet op moet gaan zitten wachten.’

Heb jij erop zitten wachten?

‘Vroeger wel. Ik groeide op als een vrij eenzaam kind, met weinig vriendjes. Ik werd gepest en ging het samenzijn idealiseren: als ik oud genoeg ben, krijg ik een vriendinnetje en dan wordt het leuker. Uit de kast komen veranderde mijn kijk op de norm. Ik kwam allemaal mensen tegen die niet direct uit waren op het vormen van een gezinnetje, en ik zag dat zo'n leven ook heel leuk kon zijn.

‘Ik heb nog steeds de illusie dat alles simpeler wordt als het écht grote liefde is, dat ik dan geen benauwde gevoelens krijg van samenwonen of het onderhouden van een relatie. Ik zie het bij de mensen met een gelukkige relatie om me heen: het loopt, ze hoeven niks te forceren. Dát is fijn, zo zou ik het ook wel willen.’

Wat maakt het moeilijk?

‘Er zit een weerstand in mij. Het heeft volgens mij te maken met dat opgroeien, helemaal gewend zijn aan alleen zijn, misschien ook met het pesten waardoor ik snel een schild optrek.

‘Mijn moeder voedde mij op met het idee: je moet voor jezelf zorgen, want een ander doet het niet. Dat neem ik haar niet kwalijk, al vind ik dat ze me soms wel erg liet bungelen als ik met een probleem bij haar kwam. ‘Het is beter als je dit zelf oplost’, kreeg ik dan te horen, terwijl je als kind soms steun zoekt. Inmiddels weet ik dat zij niet anders kon, en dat ik er sterk door ben geworden.

‘Ik houd er een taoïstisch mantra op na. Je moet niet méér proberen te zijn dan je bent. Ik ga mezelf niet ongelukkig maken door te verlangen of te streven naar iets wat er toch niet in zit. Ik word natuurlijk nog weleens een beetje verliefd. Je komt iemand tegen die je leuk vindt en dan ga je dingen invullen. Je probeert die persoon in jouw leven te passen. Nu ik ouder ben, kan ik dat beter zien voor wat het is: een hersenspinsel. Het is leuk om bepaalde fantasieën te hebben, maar je moet niet denken dat het werkelijk zo gaat. Als je jonger bent, is dat iedere keer een teleurstelling.’

Is het ook een vorm van zelfbescherming om zo naar de liefde te kijken?

‘O ja, zeker. Je stuit hier ook op een karakterkwestie. Ik heb een heel gelijkmatig humeur, zonder enorme pieken en dalen, en daar hecht ik aan. Als mensen me willen koppelen, word ik kriegel. Eigenlijk is het natuurlijk lief bedoeld, ze gunnen me het beste.’

En zij zijn er dus van overtuigd: het beste is leven met een geliefde aan je zijde.

Lacht. ‘Ja, dat is met gelovigen in het algemeen zo hè. Jehova’s getuigen denken ook dat ze een voet tussen de deur kunnen krijgen.’

Bij jou is geen voet tussen de deur te krijgen?

‘Mijn opa is jong weduwnaar geworden en trouwde op zijn 65ste met zijn secretaresse. Ze zijn nog bijna dertig jaar samen geweest, zielsgelukkig. Nou, dan denk ik bij mezelf: ik ben nog geen 65, alles is nog mogelijk.

‘Ik koop iedere maand een staatslot, ook al weet ik dat de kans minimaal is dat ik ooit dat miljoen win. Maar de gedachte dat het kan, dat het bestaat, is fijn. Heerlijk als het gebeurt, alleen het moet niet het streven zijn. Op deze leeftijd kan ik genieten van de fantasie zonder dat die werkelijkheid hoeft te worden.

‘Ik heb goed met mezelf leren leven. Ik baal echt weleens dat ik alleen naar bed moet, maar ik ben altijd blij dat ik alleen opsta.’