de manuscriptendief

Iemand probeerde het manuscript van schrijver Hanna Bervoets te stelen, maar wie?

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

In februari wordt het manuscript van het Boekenweekgeschenk gestolen. De dief blijkt een internationaal opererende fraudeur die al tientallen, zo niet honderden digitale manuscripten heeft buitgemaakt. Geschenkauteur Hanna Bervoets probeert hem of haar te ontmaskeren. Maar in wat voor verhaal is ze eigenlijk beland? ‘Hallo?’, vraag ik. ‘Hallo, dief? Kun je me zien, hoor je me?’

Ik sta in een leeg vertrek, de buik van een grijze kubus, wanden van beton, zo lijkt het. Dit is niet hoe ik me cyberspace voorgesteld had.

Ik klop op een solide muur: een doffe tik, geen echo.

‘Dief, ben je, daar? Ik wil alleen maar met je praten, weet je.’

Even denk ik dat ik iemand hoor zuchten, of is het toch mijn eigen ademhaling?

‘Hé, ben je daar?’

Het licht gaat uit, ik schrik.

‘Hé, dief? Wat is dit?’

I (vier weken eerder)

Februari, een vrijdagavond: ik ben thuis, maar zou op weg moeten zijn naar een afspraak. De avondklok geldt, dus ik heb haast, maar als ik mijn telefoon van tafel gris, valt mijn oog op een bericht.

‘Hoi Hanna, heb je de laatste pdf van Wat wij zagen? Kun je het me sturen?’

De e-mail komt binnen op een account dat ik nauwelijks gebruik. Dat ik het bericht nu toch zie, is toeval – ik heb een nieuwe telefoon die het automatisch doorspeelt, een functie die ik had willen uitschakelen. Na vandaag zal ik dat niet meer doen, maar dat weet ik nu nog niet.

De mail komt van mijn Engelse agent, Lisette, die deze week mijn Boekenweekgeschenk aan buitenlandse uitgeverijen aanbiedt. Twee dagen geleden stuurde ze een pakketje met een synopsis en een Engelstalige proefvertaling onder embargo naar een paar partijen. Blijkbaar wil ze nu de recentste versie van het Nederlandse manuscript in pdf-formaat hebben.

Waarom mailt Lisette mij plotseling op een e-mail adres dat ik nooit gebruik, vraag ik me af. Het voelt een beetje als wanneer iemand mijn naam verkeerd spelt; mails die beginnen met ‘Hallo Hannah!’ negeer ik meestal; het is vooral deze kinderlijke reflex die ervoor zorgt dat ik mijn manuscript deze avond bij me houd. Pas in tweede instantie bedenk ik dat mijn agent het bestand waar ze om vraagt allang zou moeten hebben. Mijn uitgever, Mizzi van der Pluijm, zou het haar een paar dagen geleden al toemailen.

‘Ik dacht dat jij hem zou sturen’, sms ik Mizzi.

‘Die hebben we ook al gestuurd’, antwoordt mijn uitgever.

Mizzi heeft die avond ook een e-mail van mijn agent gekregen: ‘kun je me de laatste manuscript van Wat wij zagen sturen?’, schrijft Lisette haar. De taalfout – ‘de manuscript’ – en het feit dat Lisette het bestand al zou moeten hebben, wekken Mizzi’s argwaan.

‘Zou hier iets anders aan de hand kunnen zijn?’, schrijft Mizzi mij later die avond. ‘Dat dit Lisette helemaal niet is?’ Het lijkt me onwaarschijnlijk. Ja, omdat de Boekenweek vanwege de winkelsluiting is uitgesteld tot juni rust er nog steeds een streng embargo op het manuscript. Maar waarom zou iemand de moeite doen zich als mijn agent uit te geven? Wie pleegt er nou identiteitsfraude voor een boek dat over een paar maanden gratis verkrijgbaar is? Bovendien: de e-mails van mijn agent ogen waarachtig. Ze eindigen met haar digitale handtekening, een verwijzing naar haar werkgever en haar telefoonnummers. Bovendien komen ze van háár e-mailadres.

Nee, dat komen ze niet, ontdekken we na het weekend.

Het e-mailadres van degene die ons vrijdagavond mailde verschilt twee letters van het e-mailadres van mijn agent. Mizzi heeft de echte Lisette inmiddels gesproken: de mails komen niet van haar, bevestigt ze.

Er is iemand die mijn manuscript wil stelen.

Daar zit ik: in mijn wat vervallen maar vertrouwde kasteel, in de torenkamer waar ik het afgelopen jaar aan mijn novelle heb gewerkt. Ik kom niet vaak buiten, ben omringd door perkamenten rollen geschriften – mijn manuscripten, mijn kostbaarste bezittingen.

‘De dief is binnen!’, roept een wachter vanaf de binnenplaats, de kreet echoot tussen de vier torens: de dief is binnen en alle poorten staan gewoon open.

‘Haal de bruggen op!’, roep ik. ‘Laat hem niet ontsnappen!’

Waarschuw iedereen op de uitgeverij, bel CPNB, de organisatie achter de Boekenweek, laat iedereen bij mijn Londonse agency weten: er is iemand die mijn manuscript wil stelen.

Mizzi belt, mijn agent belt, maar het is al te laat. Een medewerker bij Uitgeverij Pluim heeft dit weekend ook een mail van dief gekregen: het bericht haast identiek aan het bericht dat ik zelf ontving. En de medewerker heeft gehoorzaamd, stuurde het manuscript in de veronderstelling dat ze mij hielp. Later hoor ik dat ook mijn Engelse vertaler door de bedrieger is benaderd. Ook die stuurde het manuscript, zij het enigszins wantrouwend: mijn vertaler wist dat er in de internationale boekenwereld een dief rondwaarde, kende verhalen van collega’s. Maar mijn vertaler had niet gedacht dat de dief ook Nederlands sprak.

Kijk, daar gaat hij, daar gaat de dief. Vanuit mijn torenkamer zie ik alleen zijn rug, maar ook een ongeoefend oog ziet dat hij een stel manuscripten onder zijn arm heeft, rollen papier die als stokbroden onder zijn oksel uitkomen. Mijn boek is gestolen. Onder mijn neus meegenomen.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

II

Ik probeer het probleem weg te beredeneren. Wat is het ergste dat er zou kunnen gebeuren nu het manuscript van het Boekenweekgeschenk in onbekende handen is? De dief zou het kunnen lekken, op internet kunnen zetten. Persoonlijk zou ik dat niet eens heel erg vinden, ik ben trots op het boek, van mij mag iedereen het lezen. Maar de novelle is onderdeel van een voor de boekhandels belangrijke campagne en ik voel me zeer verantwoordelijk voor het slagen ervan, zeker nu de boekhandelaren het zo zwaar hebben. Weet de dief dat? Is de bedrieger überhaupt bekend met het fenomeen Boekenweek? Ik betwijfel het. De spelfout waarmee de bedrieger Mizzi’s argwaan wekte lijkt te verraden dat hij of zij de valse e-mails eerst aan een vertaaltool voert.

Die middag stuurt mijn agent ons een artikel uit The New York Times. Het stuk, getiteld ‘Why on Earth Is Someone Stealing Unpublished Book Manuscripts?’, dateert van vorig jaar december en beschrijft precies wat ons zojuist is overkomen.

Er is een boekendief actief. Iemand die al een paar jaar internationaal opereert en zo al tientallen, zo niet honderden manuscripten, eerste hoofdstukken en verhaalideeën van schrijvers en uitgeverijen van over de hele wereld heeft ontvreemd. Margaret Atwood en haar team zijn door de dief benaderd (in een interview met BBC spreekt Atwood van ‘cybercriminelen’), Ian McEwan en schrijvend acteur Ethan Hawke werden slachtoffer. Het vreemde is: de dief richt zich niet alleen op grote namen. Ook debuten zijn gestolen, en werk van schrijvers uit relatief kleine taalgebieden: Zweedse manuscripten, Italiaanse, een boek in een oud-Chinese vertelstijl.

Uit het New York Times-artikel blijkt dat de fraudeur zeer geraffineerd te werk gaat, met veel kennis over het internationale literaire veld; de manier waarop de radertjes binnen de branche in elkaar grijpen. Zo doet de dief zich niet alleen voor als agent, maar ook wel eens als een redacteur of uitgever. Daarbij lijkt de dief soms uitgebreide kennis over manuscripten in wording te hebben, zoals namen van personages. ‘Ik kan niet wachten om te lezen hoe het verdergaat met Flora, Julian en Margot’, schreef de fraudeur een auteur die dacht dat ze met haar agent mailde.

Voor elke klus creëert de dief nieuwe e-mailadressen onder nieuwe domeinnamen, die zich nauwelijks van de adressen van betrokkenen laten onderscheiden. Die valse domeinen registreert hij of zij bij webhost GoDaddy, ontdekten de New York Times-journalisten. Degene die mij mailde deed hetzelfde, constateer ik als ik het valse e-mailadres natrek. Ik word dus inderdaad door dezelfde partij benaderd: de ‘cybercriminelen’ van Margaret Atwood hebben het, om welke reden dan ook, nu op mij gemunt.

Ze zitten ieder aan een klein bureau, pizzadozen op de grond, lege blikjes energydrink als totems naast de toetsenborden. Sommige cybercriminelen grijnzen, anderen doen hun werk fronsend, maar allemaal zijn ze op zoek naar creditcardgegevens, datasets, telefoonnummers en wachtwoorden – allemaal, behalve één van hen.

De manuscriptendief, zo noemen zijn collega’s hem. In plaats van creditcardnummers steelt hij teksten. De manuscriptendief heeft er plannen mee, meer wil hij zijn collega’s niet vertellen, maar om de zoveel dagen slaakt hij een kreetje. Hi-ya, klinkt het dan vanonder zijn hoodie: zo weet iedereen dat hij weer eens beet heeft.

Het vreemde is: volgens The New York Times doken gestolen verhalen in de maanden na de diefstallen niet meer op. Niet op het internet, niet op het dark web. De manuscriptendief wil ons werk niet lekken, lijkt het, hij of zij vraagt ook geen losgeld.

Maar wat wil de dief dan wel? Wat moet iemand met honderden, soms halfbakken manuscripten in talen die hij of zij onmogelijk allemaal kan beheersen?

Een veelgehoord vermoeden binnen de sector is dat hier ‘scouts’ actief zijn. Scouts zijn mensen die werken voor grote uitgeverijen, filmstudio’s en productiemaatschappijen. Hun taak: achterhalen wat er wereldwijd geschreven, bedacht en gemaakt wordt. Om schrijvers, uitgeverijen en filmproducenten met elkaar in contact te brengen, normaal gesproken. Maar net zo goed om straks concurrenten voor te zijn door de (film)rechten van een boek al weg te kapen voor ze publiekelijk worden aangeboden.

Ik doe wat onderzoek, de literaire scoutingbranche wordt keer op keer als ‘beleefd’ omschreven. Een subtiele verwijzing naar de filmbranche, waar scouts een stuk agressiever te werk gaan. Er zijn een paar grote spelers, ontdek ik, sommige scouts zelfstandig, anderen in dienst bij een filmstudio of zender, en elke scout werkt met een eigen netwerk aan insiders. ‘Insiders’, of: handlangers?

Literaire scouts werken doorgaans legaal, benadrukt mijn agent Lisette. Bovendien: echt goede scouts hebben alles al. Bewijs dat de manuscriptendief voor een scout werkt, of zelf scout is, is er nu niet. Vooralsnog kennen mijn agent of haar collega’s ook geen concrete gevallen waarbij een uitgeverij of productiemaatschappij leek te handelen met onrechtmatig verkregen voorkennis, al valt dat lastig na te gaan. Wel denkt Lisette dat het feit dat mijn manuscript onder strikt embargo verzonden werd de interesse van de dief heeft gewekt. Hij of zij moet de toevoeging ‘under embargo’ ergens hebben opgepikt, Lisette kan zich voorstellen dat de dief de database van een bonafide scout gehackt heeft. Maar waarom, en waartoe?

III

Op zoek naar nieuwe aanknopingspunten lees ik de tientallen lezersreacties onder het New York Times-artikel. Dit verhaal is een roman op zich!, is de algemene teneur van deze berichten. Maar welk genre die roman dan zou moeten beslaan, daarover is geen consensus.

Zo lijken opvallend veel commentatoren het stuk met sadistisch genoegen te hebben gelezen. De internationale literaire wereld is een gesloten bastion, klinkt het. Ondemocratisch, archaïsch, gedreven door vriendjespolitiek: voor de gemiddelde schrijver is het onmogelijk om werk bij een grote, machtige uitgever gepubliceerd te krijgen. De dief levert met zijn daden indirect commentaar op dit rotte systeem, opperen sommigen, en zou het zelfs kunnen opblazen. ‘Het enige wat daarvoor nodig is’, schrijft iemand die zich ‘Alan Milner’ noemt, ‘is een ​​mechanisme creëren dat onvoltooide werken aan het gemeenschappelijke domein voert. Op den duur zal dit de uitgeverssector lamleggen en de deur openen naar een directere relatie tussen producenten en consumenten.’

Het is een intrigerend, vaker geopperd Robin Hood-motief waarbij de manuscriptendief plots de hoofdrol speelt in een verhaal over een strijd tussen elite en burgerij. Andere commentatoren gooien het op een James Bond-narratief. De Chinezen hebben het gedaan, schrijven die, of de Russen, die boeken stelen voor hun plaatselijke markt. Weer andere reacties lijken geïnspireerd door technothrillers en scifi: halfbakken manuscripten zouden worden gebruikt om kunstmatige intelligentie te trainen.

Het zijn goede verhalen, romanwaardig indeed, maar als verklaring zijn ze geen van allen echt bevredigend. Want als de dief steelt van de machthebbers en geeft aan de burger, waar is dan zijn gift? En als een techbedrijf zelfscheppende AI wil ontwikkelen, waarom werkt het dan niet gewoon samen met schrijvers, zoals bedrijven eerder hebben gedaan? En wat moeten de Chinezen met al die buitenlandse verhalen? Kwaadwillenden zouden ook gewoon kunnen wachten op het origineel, om dát illegaal te vertalen.

Misschien, schrijven sommige lezers, denken we met zijn allen in de verkeerde richting. Wie weet is het de dief niet te doen om financieel gewin. Wat als het om een miskende schrijver gaat, vraagt ene ‘Stephen’ zich af: ‘Zo iemand zou er op zijn minst pervers plezier aan beleven wanneer schrijvers en uitgeversprofessionals niet meer weten wie ze moeten vertrouwen.’

Als in een superheldenfilm, denk ik. Een slechterik, een Nemesis als The Joker, die het systeem liever ondermijnt dan er zijn, of háár, plek in op te eisen.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Kijk, daar zit ze, in een knalgroen powersuit achter haar laptop. Ik zie alleen haar rug, maar kan haar horen giechelen. Zij heeft, in haar eentje, de wereldwijde literaire industrie in haar macht, zo ervaart ze dat. Want iedereen praat over ‘de dief’, een gerenommeerde krant The New York Times wijdt er zelfs een paginagroot artikel aan! Ondertussen laaft zij zich avond na avond aan al die verhalen van schrijvers van over de hele wereld; die weten niet van elkaar wat ze maken, alleen zíj heeft het overzicht. Kennis is macht, en zij heeft alle kennis van de wereld – schaterlach terwijl het buiten bliksemt, en zij, content, haar Perzische kat aait.

In wat voor verhaal ben ik beland, wie of wat bezit mijn manuscript?

Ik besluit het de dief zelf te vragen.

IV

‘Hallo’, schrijf ik op een zaterdag. ‘Ik zie deze mail nu pas, ik gebruik dit account niet zo vaak.’

Het is drie weken na de diefstal, dus misschien vermoedt degene die zich als mijn agent voordeed allang dat ik iets doorheb. Ontmaskering is inherent aan zijn of haar methode, ooit zullen bestolen schrijvers hun échte agenten of redacteuren weer spreken, om te ontdekken dat er dingen niet kloppen. Toch wil ik de dief nu doen geloven dat ik nog van niets weet, dat ik daadwerkelijk denk met mijn agent te mailen: ‘Is het goed gekomen met het manuscript, heeft Mizzi jou dat inmiddels gestuurd?’, probeer ik.

Katsink, rinkelt mijn telefoon nog geen twintig minuten later:

‘Ha Hanna, Maak je niet druk. :) Ja, ik heb de pdf ontvangen. Schrijf je nu de nieuwe roman?’

Katsink, doet de telefoon van de bedrieger niet lang daarna misschien:

‘Ha fijn! Ja, ik schrijf aan een nieuwe roman, dat idee waar ik je laatst voorzichtig over vertelde – ik denk dat het een boek kan worden. Jij ook, toch?’

Ik wil meer informatie over de identiteit en motieven van de dief. Hoe langer we heen en weer mailen, hoe meer kans dat de bedrieger onbedoeld iets prijsgeeft, beredeneer ik. En de dief handelt rap, binnen een uur ontvang ik een nieuw antwoord:

‘Ja, ik herinner. Kan je mij de eerste hoofdstukken sturen of de eerste pagina’s die je schreef? Dank je!’

Twee uur later krijg ik hetzelfde bericht nog een keer, inclusief de grammaticafout. Ik vermoed dat het een manier is om druk te zetten. De dief probeert me op te jagen, zoals hij of zij ook deed met die allereerste mail op een vrijdagavond – dag en tijdstip zullen toen heel bewust gekozen zijn: vlak voor het weekend krijgt alles urgentie. Ook nu is het weekend, maar de dief houdt zich niet aan kantoortijden.

‘Ik moet vandaag optreden maar kijk morgen even wat ik je kan sturen’, schrijf ik. ‘Spannend hoor, benieuwd wat je ervan vindt!’

‘Ok’, antwoordt de dief weer vrijwel meteen. ‘Maak je geen zorgen! Stuur me een paar hoofdstukken en ik zal het lezen!’

Ik vraag me af of de dief écht leest wat-ie steelt. Bekijkt de fraudeur de ontvreemde waar, of worden manuscripten meteen doorgespeeld naar een opdrachtgever?

Er is een manier om daar achter te komen. Die maandag besluit ik te doen wat de dief van me wil. Ik zal nieuw werk sturen. Maar ik zal ook vragen om een oordeel:

‘Ik had een druk weekend, maar heb vandaag weer de hele dag geschreven. Bij dezen stuur ik je het eerste deel van mijn nieuwe roman.’

Als attachment selecteer ik de eerste hoofdstukken van een roman waar ik anderhalf jaar geleden aan begon, maar die ik nooit voltooien zal. Het uitgangspunt – een vrouw ontwaakt plots een dag eerder in plaats van een dag later, en begint zo achteruit te leven – leek vruchtbaar; de technische uitvoerbaarheid viel nogal tegen. Maar de eerste hoofdstukken zijn goed. En dat het verhaal daarna doodloopt, weet de dief niet.

Ik zou ook iets anders kunnen sturen, denk ik als ik mijn bericht aan de dief nog een laatste keer naloop. Een oud verhaal, eerder gepubliceerd materiaal. Maar ik voel de behoefte de dief te imponeren. Wat als de dief wel degelijk werkt voor een machtige opdrachtgever, een producent, een grote televisiezender – met kwalitatief minder werk zet ik mijn goede naam op het spel; reputatie is wat anderen zien, als je niet weet wie er kijkt, kan je maar beter op je mooist zijn. Zo drijft mijn ego me ertoe teksten gratis weg te geven, en nog wel aan iemand waarvan ik wéét dat het een bedrieger is. In die zin zijn wij schrijvers een makkelijke prooi voor zwendel als dit, denk ik voor ik op verzenden druk. Alleen al door ons te benaderen voedt de dief persoonlijke fantasieën over onze eigen grootsheid, om er vervolgens met ons werk vandoor te gaan – eigenlijk zoals veel andere partijen in de literaire wereld dat ook doen; misschien is de dief daarom zo lastig te herkennen binnen onze branche.

‘Ik ben al volop aan het schrijven aan het tweede deel’, probeer ik de dief lekker te maken. ‘Maar daar wil ik nog aan schaven. Kun je me vertellen wat je hiervan vindt; wat werkt er, wat kan beter? Ik ben benieuwd, wees vooral eerlijk, dan stuur ik je later weer meer!’

Zo hoop ik erachter te komen of de dief mijn werk ook echt leest: door nieuwe hoofdstukken in het vooruitzicht te stellen denk ik hem of haar tot een antwoord te dwingen. Inmiddels ben ik mijn eigen teksten als goud gaan zien, kostbaarder voor anderen dan voor mij, waar ik normaal gesproken het tegenovergestelde ervaar – wie eenmaal weet waar het goud ligt, komt vanzelf terug, beredeneer ik.

Maar dat doet de dief niet.

Zodra ik mijn tekst opgestuurd heb, wordt het stil. ‘Heb je al gekeken?’, probeer ik. ‘Vond je het wat, wil je nog nieuwe delen?’

Er komt geen reactie meer.

‘Hé, dief? Wat is dit?’

De grijze kubus is geheel verduisterd nu, zonder licht is het lastig oriënteren.

‘Dief?’, vraag ik nogmaals. ‘Waar ben je nou?’

Ik steek mijn armen uit terwijl ik naar voren schuifel, mijn tred plotseling wankel.

‘Hallo?’, probeer ik. ‘Hallo, dief, ben je daar nog, wil je nog iets van me lezen?’

Ik hoor niets, ik weet niet eens of de dief nog luistert. Ik weet slechts dat ik helemaal alleen ben, toch voel ik me bekeken. Door iets of iemand die met één oog in een kijkdoos gluurt, glimlacht als dat kleine poppetje, de hoogmoedige schrijver, dan eindelijk struikelt.

V

Ik mis de dief. Ik mis de adrenaline na het ontvangen van zijn of haar berichtjes, ik mis het vooruitzicht op ontmaskering. Wat ik ook mis: mijn eigen bravoure. Even dacht ik de bedrieger te kunnen bedriegen, maar die werkte gewoon volgens vast protocol. Zodra de uitgeverijmedewerker en mijn vertaler de dief van mijn manuscript hadden voorzien hoorden zij, net als ik, niets meer, ook niet na herhaaldelijk vragen. Het lijkt een strikt vastgestelde werkwijze te verraden: wegwezen zodra de buit binnen is, welke buit dan ook.

Nee, besluit ik: de dief leest de gestolen verhalen niet. Ik heb niet met een loner te maken, geen Joker maar een betaald professional, een tussenpersoon, onderdeel van iets groters.

Iets anders dat daarop wijst: het geld dat de dief, of dieven, inmiddels in hun onderneming hebben gestoken. Met behulp van een online tool trek ik na wanneer het valse e-mail adres, gelijkend op dat van mijn agent, geregistreerd werd. Dat was op 26 februari, de dag dat de dief ons voor het eerst benaderde. Deze registratie moet tussen de 20 en 200 euro hebben gekost, maak ik op uit de tarieven van de betrokken host, en dat voor een adres dat eigenlijk maar voor één klus bruikbaar is.

De dagen na de verdwijning van de dief ga ik me licht paranoïde gedragen. Word ik gebeld door een vreemd nummer, dan vraag ik me steeds even af of dat hem of haar misschien is, uit op wraak (maar hoe, en om wat?). E-mails waarin mijn verzekeraar om gegevens vraagt vind ik plotseling verdacht, twee keer bel ik naar een instantie om te controleren of de berichten die ik van ze kreeg wel echt zijn.

Ondertussen probeer ik nog altijd te achterhalen wie mijn manuscript gestolen heeft. Ik leer mezelf e-mailheaders te begrijpen: broncode die soms iets over de verzender van een digitaal bericht prijsgeeft. Maar de dief heeft een dwaalspoor aan IP-adressen achtergelaten: de header lijkt gemanipuleerd, en verwijst naar locaties in Portugal en Amerika.

Nog een paar keer stuur ik de dief een bericht: ‘Hey, heb je al gelezen?’

Op een maandagmiddag, zeven weken na de diefstal, verstop ik een trackingpixel in mijn zoveelste mailtje aan de dief: een plaatje, één pixel groot, dat verraadt of de ontvanger een bericht heeft geopend.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Het resultaat verrast me.

De dief opent de mail vrijwel meteen. Het is dan 12u ’s middags in Nederland, wat erop zou kunnen wijzen dat de dief in Europa zit, of in elk geval eerder in Oostenrijk dan in Amerika, waar het nu 5 uur ’s nachts is.

Dan, plotseling, ontvang ik een nieuw bericht.

‘Ha Hanna, sorry, ik heb het druk gehad en ik heb je geen antwoord gegeven. Ik begon het te lezen, maar ik zou graag de volledige versie willen lezen. Heb je andere hoofdstukken geschreven?’

Dit had ik niet meer verwacht. Ik dacht dat de dief me door had, er voorgoed vandoor was. Maar blijkbaar is het vooruitzicht op meer buit toch te verleidelijk. Mijn trackingpixel vertelt me dat de dief mijn e-mail nog een tweede keer opent, en dan, een half uur later, nog een derde keer. Hij of zij zit te wachten op antwoord, blijkbaar. Op dit moment is de dief net zo met mij bezig als ik met de dief, ja, na al die weken staan we heel even quitte.

Ik twijfel over wat te doen. Moet ik opnieuw terugmailen dat er nieuw werk aankomt? Of zal ik de dief eindelijk confronteren met wat ik weet?

Ik open de valse mails nog eens, zie even later dat de dief hetzelfde doet: we hebben elkaar in een houdgreep.

We staan tegenover elkaar op een dorre vlakte, de dief en ik. Het middaguur nadert, de zon brandt fel op onze hoofden, beiden hebben we één hand op ons holster.

Er waait een stepperoller voor ons langs.

Als ik schiet, dan is alles voorbij. Want schiet ik raak, dan gaat de dief neer, maar vertelt hij me dan nog wie hij is? Schiet ik mis, dan zal de dief vluchten, de woestijn in rennen om nooit meer terug te keren.

Ik mail terug dat er nieuw werk aankomt, dat ik nog even wil schaven: en was je wel positief over wat je kreeg, of heb je het nog helemaal niet gelezen?

Mis, ik schiet mis, mijn kogel vuurt de woestijn in – ergens in de verte klinkt een doffe plof, de dief heeft zich dan al omgedraaid. Kijk, daar gaat hij, zijn silhouet wordt steeds kleiner, om dan door de horizon te worden opgeslokt.

VI

Nu, weken later frustreert het me nog altijd dat ik niet weet wie de dief is. Dat ik niet anders kan dan me neerleggen bij het meest plausibele, maar nog altijd weinig bevredigende scenario: de dief is een tussenpersoon, ingehuurd door een bedrijf dat op de een of andere manier in ideeën handelt. Kom ik het concept van mijn onvoltooide roman ooit nog ergens tegen (‘de vrouw die achteruit leefde’), dan weet ik waar ze het vandaan hebben. Maar vooralsnog weet ik helemaal niets.

Waarom zit dat me zo dwars? Omdat ik niet gewonnen heb, niet als laatste lach? Zeker. Maar, realiseer ik me als een vriend opmerkt dat ik me wel erg vastbijt in deze kwestie: ik ontbeer niet alleen een antwoord, ik mis ook een einde.

Schrijvers creëren werelden, en wie werelden schept, schept controle. Zeggenschap over wat er gebeurt, zeggenschap over hoe dat afloopt. Zo heeft de schrijver de macht, zij wint altijd, maar nu is het iemand anders die wint. Want alleen de dief kent van alle personages de motieven, alleen de dief weet in welk verhaal we zitten. Degene die mijn manuscript stal is geen onderdeel van mijn verhaal, begin ik te begrijpen. Het is andersom: ik was al die tijd onderdeel van het hare, of het zijne.

Kijk, een nieuw bericht van de Nederlandse. Ik dacht dat ze me doorhad, dat ze wist dat ik haar agent niet ben – misschien weet ze dat ook wel, maar ze blijft me maar delen van haar nieuwe manuscript mailen. Ik vind het prima.

Ik bekijk haar berichten op mijn telefoon en open ze opnieuw op mijn laptop om de bijlagen in de juiste mappen te stoppen: ‘zeer interessant’ of ‘gemiddeld interessant’, de teksten van deze schrijver verdwijnen in ‘gemiddeld interessant’ want ze zijn in het Nederlands; ik werk zeer zorgvuldig, weet u. Ik verdien 25 euro per uur.

Mijn opdrachtgever zegt wel eens: schrijvers zijn kleine Icarusjes. Ze fladderen op je af zolang je je als zon opstelt, zodra hun wassen vleugeltjes beginnen te smelten heb jij de buit al binnen.

Zelf zie ik dat anders. Schrijvers kunnen niet vliegen, denk ik. Eerder zitten ze in kooitjes. Soms gooien ze iets door de tralies, een briefje, een tekst of een compleet manuscript: ik neem het in en even zijn ze me dankbaar, tot ze erachter komen wie ik ben, of eigenlijk wie ik niet ben; dan tieren ze een tijdje, stampvoeten ze in hun krappe verblijven om daarna voorgoed te zwijgen.

Maar soms blijft er eentje briefjes werpen. Zoals deze, de Nederlandse. Ik kan haar teksten niet lezen, heb geen idee wat erin staat, maar als ik zo’n schrijfsel open – dat van de Nederlandse of dat van haar Chinese, Noorse of Italiaanse collega’s, dan vertellen die letters me steeds weer hetzelfde: hallo, zeggen ze me. Hallo, hallo?

Kun je me zien, hoor je me?

De Boekenweek is van 29 mei tot 6 juni. Het Boekenweekgeschenk Wat wij zagen is ook de rest van de maand juni verkrijgbaar in de boekhandel, bij besteding van minstens 15 euro aan Nederlandstalige boeken.