ICBL-lid Van Rossem heeft ook voor Nederland een pijnlijk punt 'We koersten op een sterke tekst'

Hoe bereikten de winnaars van de Nobelprijs een bijna wereldwijde consensus over een verbod op landmijnen? Door nadrukkelijk niet naar consensus te streven....

Van onze verslaggever

Rob Vreeken

AMSTERDAM

'We hebben steeds gezegd: jammer wanneer landen niet meedoen, maar dat mag niet ten koste gaan van het verdrag. Met een goede tekst hopen we uiteindelijk ook de rest te overtuigen', zegt Pieter van Rossem. De Nobelprijs voor de Vrede is een dankbaar hulpmiddel.

'Die prijs bepaalt wat Goed en Slecht is', zegt hij. Het kan een duwtje in de rug zijn voor regeringen die vorige maand in Oslo nog bezwaren hadden tegen de tekst van het verdrag, dat op 3 en 4 december in Ottawa wordt ondertekend door zeker negentig, en mogelijk 130 landen.

Van Rossem, afkomstig uit Pax Christi, werd begin 1993 gevraagd op persoonlijke titel zitting te nemen in de internationale stuurgroep van de ICBL, voorgezeten door Jody Williams. Tot de campagne was kort daarvoor het initiatief genomen door zes organisaties in Amerika en Europa, waaronder Human Rights Watch, Handicap International en een vereniging van Vietnam-veteranen.

De ICBL deed onderzoek en gaf informatie, gesteund door tal van nationale anti-landmijncomités (in Nederland met Pax Christi, Novib, Artsen zonder Grenzen en Kerken in Actie). Cruciaal was het lobby-werk: politici en militairen werden bestookt met feiten en argumenten tegen het gebruik van anti-persoonsmijnen.

Van Rossem: 'We hebben ook in Nederland met militairen gepraat. We hebben ze duidelijk kunnen maken dat het nut van landmijnen niet opweegt tegen de nadelen ervan. Tachtig procent van de mijnslachtoffers is burgers.'

Het eerste doel van de ICBL was de herziening van het landmijnenprotocol uit 1980. Daartoe belegden de Verenigde Naties in 1995 enkele conferenties. Dat leverde volgens Van Rossem weinig op. 'Dat komt door het streven naar consensus, dat in VN-verband gebruikelijk is. Degene die het minste wil, heeft dan het meest te zeggen. Dat werkt niet.'

'Ik heb toen in januari 1996 een aantal van tien gelijkgezinde landen bijeengeroepen. Nederland zat daar nog niet bij. Maar wel op de tweede bijeenkomst, in mei van dat jaar. Voorhoeve was toen óm gegaan.'

Het aantal landen was aangegroeid tot 38, en het zou in de maanden daarop blijven toenemen: 58 in oktober 1996 in Ottawa, 90 in juni dit jaar te Brussel. Op de vergadering vorige maand in Oslo, waar de definitieve verdragstekst werd vastgesteld, waren negentig geheel overtuigde landen aanwezig, en veertig waarnemers.

De dood van prinses Diana, ruim twee weken daarvoor, had de campagne plotseling in de schijnwerpers gezet, maar was niet doorslaggevend voor het succes: de buit was al grotendeels binnen.

Van Rossem verklaart de spectaculaire snelheid waarmee de ICBL haar doel bereikte mede uit het feit dat de campagne wordt gevoerd door niet-gouvernementele organisaties (ngo's). De Nobelprijs is tevens een geweldige opsteker voor alle ngo's, wier internationale rol steeds meer erkenning vindt bij regeringen.

'Het is sinds het einde van de Koude Oorlog dat de ngo's een nieuwe, veel belangrijker rol spelen. Wij kunnen dingen doen die staten niet voor elkaar krijgen.'

Zoals het bijeenroepen van een klein gezelschap vastbesloten landen, die niet bereid zijn veel water in de wijn te doen. Die met steun van de ngo's simpelweg 'nee' zeggen tegen landen die aankomen met slappe amendementen, zoals de Amerikanen in Oslo merkten. Van Rossem: 'In onderhandelingen tussen staten of onder VN-auspiciën is dat not done. Daar word je geacht naar consensus te streven.'

De Nederlandse activist verklaart het verzet van de Amerikanen overigens niet in de eerste plaats uit hun aanwezigheid langs de Koreaanse bestandslijn. 'Dat was het praatje voor de buitenwacht. Veel belangrijker is dat de VS hun nieuwe generatie mijnen niet willen opgeven: de GATOR, de MOPM en de VULCAN.'

Het gaat daarbij om uit de lucht afgeworpen clusterbommen, die bij het neerkomen een groot aantal kleine landmijnen afwerpen. 'Uit humanitair oogpunt zijn ze waardeloos. De mijnen worden niet in kaart gebracht, er wordt geen prikkeldraad gespannen.'

To take the toys from the boys - dat blijft kennelijk het probleem. Wat betreft Nederland (dat heeft toegezegd alle 423 duizend anti-persoonsmijnen te vernietigen) heeft Van Rossem ook een 'pijnlijk' punt. Defensie, zegt hij, wil nieuwe anti-tankmijnen invoeren, voorzien van een ADH (anti handling device), waardoor de mijn niet alleen ontploft wanneer er een tank overheen rijdt, maar ook als iemand probeert hem te verwijderen.

Van Rossem: 'Vroeger werden anti-tankmijnen voor dat doel omringd door anti-persoonsmijnen. Dat kan nu niet meer. Daarom hebben ze nu dat ADH bedacht. Maar een tikje is al genoeg om het te laten afgaan. Volgens ons heeft dat precies hetzelfde effect als de anti-persoonsmijn.'

Meer over