ColumnIbtihal Jadib

Ibtihal heeft geen last van al te veel muzikaal talent

null Beeld

Voor mensen met een bijzonder talent is het lastig toeven onder gewone stervelingen. Ik heb om die reden een beetje medelijden met mijn zwager. Die arme man is in een familie beland waar de muzikale ontwikkeling is blijven hangen op het niveau van een schoolmusical: alleen leuk voor de betrokkenen zelf. Wij draaien thuis platen dat het een lieve lust is, kraaien vrolijk mee met de radio en in een vorig leven was een concertbezoek ons ultieme avondje uit. Niet gehinderd door enig kennis van zaken klappen we op elk deuntje enthousiast mee, op de 1 en de 3 uiteraard. Daar had niemand ooit last van, tot mijn schoonzus het aanlegde met een getalenteerde musicus. De beste man speelt contrabas én basgitaar en vond het nodig cum laude af te studeren aan het conservatorium in de richtingen klassiek en jazz. Tikkeltje overdreven, maar we houden toch van ‘m.

Nu verkeer ik inmiddels lang genoeg in een Nederlandse familie om te weten dat er bij feestelijke gelegenheden niets mooiers wordt geacht dan het zingen van een zelfgeschreven lied. Het recept bestaat, als ik het goed begrijp, uit het verbouwen van een alom bekend nummer met een tekst die bijna lekker loopt. Het was me tot nu toe gelukt de dans te ontspringen, maar deze week werd mijn schoonmoeder 75 jaar en omdat we dat niet groots konden vieren, besloten we de kop koffie in de tuin op te luisteren met een lied.

Mijn schoonzus bleek een kei in het schrijven van metrumvrije rijm en verwachtingsvol hieven wij onze blikken naar de man die ons ging begeleiden op de contrabas. Hij luisterde eenmaal naar de muziek die we hadden uitgekozen en begon moeiteloos het nummer te spelen waarop wij, zijn nachtegaaltjes, los konden gaan. Blijmoedig zetten wij het lied in, vol overgave en voorpret. We hadden nog geen twee woorden gezongen of de strijkstok haperde, de maestro keek verstoord op: we zaten er naast. Wacht, hij speelde de juiste toon even voor, alsof er een vergissing in het spel was geweest. Ik luisterde, hoorde dat ik er inderdaad naast zat, maar ik zou het leven van mijn eigen kinderen niet hebben kunnen redden met de juiste toonhoogte. ‘Hoe moet ik nou weten hoe ik daar moet komen?’, vroeg ik beschuldigend. Met verwildering keek m’n zwager van het ene zangvogeltje naar het andere, de omvang van het gebrek moest even tot hem doordringen. Tot drie, vier, vijf keer toe speelde hij de toon terwijl wij, de oren gespitst, braaf knikten dat we ’m hadden gehoord. Om vervolgens even zo vals in te zetten.

Terwijl de martelende repetitie zich voortsleepte, schuifelde mijn man achterwaarts de kamer uit naar de keuken om daar in het geniep een kop koffie voor zichzelf te zetten. De lafaard. Zijn zus en ik daarentegen zijn met ziel en zaligheid net zo lang blijven oefenen tot we iets konden uitkramen dat muzikaal acceptabel was. Eindelijk keek de maestro tevreden, hij liet zich zelfs het woord ‘mooi’ ontvallen.

Een dag later zat mijn schoonmoeder nietsvermoedend aan de taart, toen plots een vrolijk lied op haar neerdaalde waarin we haar leven bezongen. Even was daar de verbazing, gevolgd door ontroering maar daarna begon ze al gauw met een stralende glimlach mee te klappen. Op de 1 en de 3.

Meer over