ColumnIbtihal Jadib

Hoge hakken en een kittig jurkje aan: de avond was van ons! Dachten we

Ibtihal Jadib Beeld Aisha Zeijpveld
Ibtihal JadibBeeld Aisha Zeijpveld
Ibtihal Jadib

Er was gesmeekt, gedramd en gedreigd. Maandenlang spookte het onderwerp rond onze keukentafel en nu móést het ervan komen. Ze was, vond ze zelf, groot genoeg; onze 4-jarige dame ging bij een vriendinnetje logeren. Die woonde twee straten verderop en onze zoon zou ook meegaan, een overzichtelijke operatie dus. ‘Ze bluft’, zei ik tegen m’n man terwijl ik haar tas inpakte, ‘na een uur moeten we haar komen ophalen. Wedden?’

Bij het afzetten was ze gretig met haar vriendin op het speelgoed gedoken, dat in een ander huis altijd mooier en leuker is. In de gang had ze ons een laatste knuffel gegeven, van haar broer zagen we al geen spoor meer. Die was ons bestaan direct bij binnenkomst vergeten. Met een lege bakfiets gingen we naar huis, waar we in de hal schaapachtig om ons heen begonnen te kijken. Ik parkeerde een paar uitgetrapte regenlaarsjes onder de kapstok, een vergeten zandschep schoof ik in de paraplubak.

‘Jongens wat een rust’, zei m’n man.

‘Ja... ongelooflijk.’ Ik knipperde in het vacuüm waarin we waren beland.

‘Wat déden we vroeger eigenlijk, met onze tijd?’

‘Geen idee’, antwoordde mijn man, ‘maar ik was heel druk met van alles.’ Het duurde een tel, daarna klapten we allebei voorover van het lachen. ‘Druk?!’, hinnikte ik, ‘waarmee dan?’ ‘Met mezelf!’, loeide m’n man terug, en daar gingen we weer. We wisten ons uiteindelijk te vermannen, ik veegde m’n mascara van m’n wangen en ging aan de slag. Zulke kostbare minuten moeten goed worden besteed.

Terwijl de avond vorderde, kwamen er op mijn telefoon geruststellende berichten binnen. Op de bijgesloten foto’s keek een blije snuit de camera in. Ik begon te twijfelen, zou ze het echt doorzetten? Toen kwam het laatste bericht: ‘Ze is heel stellig hoor, d’r pyjama is al aan.’ M’n man grijnsde een breed ik-zei-het-toch en opperde om de stad in te duiken, de avond was van ons! Ondeugende plannen begonnen langzaam in ons op te borrelen, ik trok m’n hakken uit de kast en smeet er een kittig jurkje tegenaan. Giechelend stapten we op de fiets als een stel tieners wier ouders op reis waren. Bij een stoplicht keek mijn man me ineens strak aan: ‘Weet je eigenlijk wel wat dit betekent?’ hij liet een dramatische stilte vallen, ‘We hebben niet alleen de avond vrij, MAAR OOK DE OCHTEND.’ Snotterend begon ik de Heer te danken voor Zijn oneindige goedheid. Bij het restaurant waar we even later naar binnen strompelden, riep onze staat verwarring op bij het personeel; het was hen niet geheel duidelijk of ze ons moesten feliciteren of juist een gezicht vol compassie moesten aanbieden. Beide uitingen waren overigens terecht geweest.

Het onvermijdelijke lot sloeg toe op het moment dat mijn man juist zijn glas rood behoedzaam aan de lippen wilde zetten. De telefoon ging; ze wilde naar huis. Daarop goot mijn man de kostbare wijn in één teug achterover terwijl ik als een militair in de houding sprong. We verdeelden de taken even routineus als efficiënt; hij liet het eten inpakken, ik fietste alvast naar het logeeradres. Daar trof ik haar in de deuropening aan, wachtend op mama met een gezicht nat van de tranen. Ze sloeg haar mollige armpjes om m’n nek en liet me de rest van de avond niet meer los. Wat was ze nog klein, gelukkig.

TEKST

Meer over