ColumnPeter Buwalda

Hoe vervelend ook, voorkomen moet worden dat ik terug moet voor een potje kappertjes

null Beeld

Als ik mijn jaarclubg’noten probeer op te sommen, het zijn er negen, is er altijd eentje op wie ik niet kom. Als ik opnieuw begin, vergeet ik een andere. Ik heb dit ook met de Vestdijkromans. De eerste 51 som ik staccato op, bam-bam-bam, het gegeeuw om me heen negerend, maar de 52ste? (Ergens schrijft Maarten ’t Hart dat niemand het kan, alle Vestdijkromans opsommen. Nou ja, klopt dus.)

De neefjes van Donald Duck, idem. Kwik, Kwek en... Nee hoor, daarmee niet. Het is Kwak. Nee, de problemen beginnen rond de acht, negen elementen, wat me geregeld opbreekt in de Albert Heijn. Kom ik thuis met een ingrediënt te weinig.

‘Dat is wat anders’, zegt Jet, ‘want in de Albert Heijn heb je een lijstje bij je.’

‘Maar dan is die hele inleiding zinloos.’

‘Klopt.’

Het gaat dan zo, nadat ik terug ben van het jagen en verzamelen, begint Jet met koken en vlei ik me als een pasja op de strontgroene chesterfield, huiselijk geluk treedt in, het zijn de mooiste kwartieren van de dag, tot ik hoor: ‘Heb je wel kappertjes gekocht?’

Heel raar, maar meteen weet ik het, nee, géén kappertjes gekocht. ‘Ik was ernaar op weg, dat weet ik nog precies, maar toen zag ik de emmers Griekse yoghurt!’ Dit, liggend op de vloer, als een gestorven vaatdoek.

‘Mijn vriend is zwakbegaafd’, zegt Jet tegen een zaal. Tegen mij: ‘Kappertjes gaan er niet voor niks in, nerd – het is geen peterselie, of zo.’

Niet tegenspreken nu. ‘Weet ik toch’, zeg ik, ‘eerder het tegenovergestelde van peterselie. Kappertjes zijn smaakmakers.’

Zwijgend rommelt Jet in laden.

Ik, met opgestoken wijsvinger: ‘Als ik me alleen al voorstel dat er kappertjes op mijn snickers zouden liggen, nou, dan liever peterselie.’ Goeie tekst. Hoe vervelend ook, voorkomen moet worden dat ik terug moet voor een potje kappertjes. Daarom ook: ‘Maar ik zou hem wel opeten. Zoveel maakt het nou ook weer niet uit, wel of geen kappertjes.’

Gelukkig, ik hoef niet terug, we hebben nog ansjovis. (Ansjovis? Toch knik ik verheugd.) Wat wil nou, als je ansjovis op een bepaalde manier inzet, een virtuoze manier, neem dat maar van mij aan, kun je er kappertjes mee ondervangen.

Kielekiele. Een relatieve vrede keert weerom. Iets over snickers met ansjovis? Versus kappertjes? Nee, beter klep houwen. Op YouTube bekijk ik tv uit 1975, Mies Bouwman bij Johan en Danny Cruijff in Barcelona. Fantastisch. Met z’n drieën kijken ze de hulp op de vingers terwijl ze spinazie hakt. Danny houdt helemaal niet van koken. En Cruijff vindt de boodschappen prijzig.

‘Heb je wel PARELGORT!’

Ik laat YouTube uit mijn poten kletteren en begin als een idioot mijn zakken te bekloppen, parelgort, parelgort, waar is de parelgort. Godsamme zeg, nee toch. Ook vergeten. Ik gelóóf Mark Rutte als hij geen actieve herinnering heeft aan parelgort. Bij mij gaat het al eerder fout, als ik parelgort moet pákken. Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet. (Cruijff.) Voordat ik me de parelgort niet herinner, vergeet ik de parelgort. (Ik.)

Macaroni? Terwijl ik mijn jas aantrek, uiteraard geen macaroni, gooi ik het op overconcentratie. ‘Ik heb het ook met apps aan belangrijke mensen. Staan altijd fouten in. Heel simpele dingen. ‘Doen we, zie ik je morgen, doen we!’’

‘Niet weer een snickers nemen.’ Ook een antwoord, natuurlijk.

Meer over