ColumnPeter Buwalda

Hoe kon Jorgensen, als Deen met lang geel haar, de succesvolste ­Elvisfan ooit worden?

null Beeld
Peter Buwalda

Vorige week had ik het over de fascinatie die Jet koestert voor de fascinatie die ik koester voor de fascinatie die wijlen de Rijffster koesterde voor de fascinatie die Ernst Jorgensen koestert voor Elvis, een inleidinkje dat totaal uit de hand liep. Eigenlijk ging het me om die Jorgensen. Daarom nu snel terzake. Hoe kon die Jorgensen, als Deen met lang geel haar, de succesvolste ­Elvisfan ooit worden? In ieder geval de machtigste? Hij is namelijk de man die sinds de jaren negentig bepaalt welke Elvisplaten er verschijnen, en hoe. Een soort Lord of the Rings, dus.

Ach, ik hoef het alleen maar na te vertellen, het staat allemaal in het voorwoord van Elvis Presley: A Life In Music. The Complete Recording Sessions, Jorgensens standaardwerk waarin hij elke Elvis-opnamesessie gedetailleerd in kaart brengt, alle 125 keren dat The King zich in een studio meldde, de precieze nummers die hij er opnam, de volgordes waarin, welke muzikanten meespeelden, maar ook hoe de sfeer was, of het makkelijk lukte, of Elvis goed ­bezig was (tuurlijk), of hij op tijd kwam (tuurlijk niet, waarom ook), of de platen succesvol werden, en zo nee, of ze misschien niet zo goed waren, en of Elvis dat erg vond of dat hij dacht, zoek het uit, ik heb genoeg gouden platen.

Het boek verscheen in 1998, pre-internet, vol kennis die Jorgensen een leven lang bijelkaar heeft gesprokkeld, aanvankelijk vanuit Kopenhagen. Willem Elsschot schreef al over deze moeilijkheid, in Lijmen, er staat: ‘Ik word op ’t ogenblik vanuit Gent verneukt door een kerel die Korthals heet en die het lijk van mijn zuster in zijn bezit heeft.’ Bij Elsschot ging het nog over twee steden in Vlaanderen, Jorgensen had te maken met Amerikaanse platenbonzen die het lijk van The King bezaten.

‘Slechte vergelijking.’

Dank, hij is juist heel goed. Wat in Lijmen per telefoon gebeurt, het verneuken, overkwam Jorgensen aanvankelijk per brief. Begin jaren ­zeventig bestookte hij allerlei producers, engineers, sessiemuzikanten, Gracelandpersoneel, wie weet wel Elvis zelf, die aanvankelijk nog geen lijk was, klopt, geduld – of iemand iets kon vertellen.

Nee. Nou ja, schrijft hij, een op de tien keer ontving hij antwoord, dan stuurde iemand een lijst met wat sessiedata, of schudde om eraf te zijn een RCA-bureaula leeg in een grote bruine envelop. Als kleine fan moet Ernst in een ketel met toverdrank gevallen zijn, opgeven deed hij niet, gaandeweg kreeg hij overzicht, grip, schreef er artikelen over, wat weer nieuwe deuren opende. Ondertussen werkte hij zich op in de Deense platenbusiness, werd producer bij het BMG-kantoor in Kopenhagen, die twee jaar ervoor RCA hadden opgekocht.

‘Kijk eens aan,’ zegt Jet.

Toen ging het vlot, natuurlijk. Een plus een is twee. Binnen de kortste keren stond Ernsts leren draaistoel achter een groot bureau in New York, haha. Sindsdien zit Jorgensen er fraaie, waardige Elvisboxen samen te stellen, voor ons, de doorsneefans, die het van Sinterklaas moeten hebben.

De enige Nederlander die een poot heeft uitgestoken is Ger Rijff, wijlen de Rijffster, onze nationale Jorgensen, ik mocht ‘Rijffster’ zeggen, waardoor ik maar een handdruk van de grote Jorgensen verwijderd ben. Ze waren collegae, vrienden, veel wederzijds respect.

Jamie, Rijffsters zoon, appte me dat zijn pa begin jaren negentig, terwijl Jorgensen fluitend wegkeek, in Indianapolis wat Elvis-outtakes uit de RCA-kluizen achteroverdrukte, hop, in een grote sporttas, nors de bewaking langs. Vintage Rijffster. Dat werden wereldwijd geliefde bootlegs. ‘Fascinerend toch?’

‘Zeker.’