‘Hoe kan ik mensen helpen zichzelf te worden als ikzelf niet eens weet wie ik ben?’

Om een identiteitscrisis af te wenden, ging Ernestine Wijdh graven in het verleden van haar vader. Hijzelf praat nauwelijks over zijn jeugd in Suriname. En áls hij wat zegt, is het louter positief. Ernestine stuit op een ander beeld.

Fleur de WeerdIanthe Sahadat en Elsbeth Stoker
Ernestine Wijdh Beeld Martine Kamara
Ernestine WijdhBeeld Martine Kamara

Suriname en het verleden van haar Surinaamse vader speelden lange tijd amper een rol in het leven van de 50-jarige Ernestine Wijdh. Tot haar Nederlandse moeder vier jaar geleden overleed.

Het was ‘Dootje’, zoals haar vader haar moeder noemde (‘roepnaam Door, van Theodora’), een geboren, getogen en gestorven Sassenheimse, die de contacten onderhield met de omvangrijke Surinaamse familie van haar man – verspreid over Nederland, Suriname en de Verenigde Staten. ‘De computer’, zo noemde een Surinaamse tante haar liefkozend, vertelt Ernestine. Want het was haar moeder die alle namen, verjaardagen, trouwdata en jubileumjaren uit haar hoofd kende, die foto’s bewaarde, kaarten stuurde, brieven schreef en naar Paramaribo belde, of naar New Jersey (een tante trouwde met een Amerikaan).

Na het overlijden van haar moeder gebeurden er twee dingen waardoor Ernestine ontdekte dat ‘het veld van ooit’, zoals zij het verleden en haar voorouders noemt, wel degelijk een cruciale rol in haar leven speelt.

Eerst kreeg Ernestine van de familie in Suriname berichten met de heldere boodschap: vergeet niet dat je ons ook hebt. En daarnaast wist ze zich een paar maanden lang geen raad meer met haar werk, terwijl dat daarvoor altijd vlekkeloos was verlopen. ‘Het rouwproces riep bij mij allerlei existentiële vragen op als: wie ben ik eigenlijk en doe ik waar ik echt gelukkig van word?’ Ze was op dat moment lerarenopleider en docent Nederlands in het voortgezet onderwijs. En hoe mooi ze haar werk ook vond, ineens realiseerde ze zich: ik ben eigenlijk helemaal geen docent. Want hoe kan ik mensen helpen zichzelf te worden als ik zelf niet eens weet wie ik ben en waar ik vandaan kom?

Ernestine vertelt haar verhaal in bedachtzame volzinnen, gezeten in de lichte woning met hoge ramen die ze met haar man en hun jongste zoon van 17 (zijn zus van 21 en broer van 23 studeren en wonen op kamers) bewoont in Zoeterwoude, nabij Leiden. Op een steenworp van haar geboortedorp Sassenheim, waar haar Surinaamse vader nog altijd woont. Ze heeft de tongval van de streek, met een rollende ‘r’, zij het lichtjes. Ze is iemand die op een overvol perron netjes op haar beurt wacht om in een trein te stappen, ook als ze rücksichtslos wordt ingehaald door minder geduldige types.

Neerlandica is ze. Ze begrijpt dat het gek klinkt, dat je er na twintig jaar ineens achter komt dat je niet meer in het onderwijs wil werken. Maar misschien is dat ook niet helemaal hoe het ging: de twijfels waren er al eerder, maar de roep om maatschappelijk nuttig te zijn klonk luider. Tot haar moeder overleed dus. Het verlies en de bewustwording van de eindigheid van het leven deden haar ‘allerlei vanzelfsprekendheden’ bevragen, waaronder het werk dat ze deed.

Ook dacht ze ineens terug aan iets dat was gebeurd in haar eigen middelbareschooltijd. Ze moet een jaar of 14 zijn geweest toen de leraar geschiedenis een experiment deed met zijn klas. Het ging die weken over nazi-Duitsland en hij wilde laten zien hoe uitsluiting werkt. ‘Hij koos mij uit’, zegt Ernestine. ‘Hij stelde een vraag waar ik het antwoord niet op kon weten, en vervolgens kleineerde hij me ten overstaan van de klas. Hij zei iets als: het is logisch dat je dom bent, want je hebt negerbloed.’

Achteraf vindt ze dat ze iets had moeten zeggen, voor zichzelf had moeten opkomen. Maar op dat moment bevroor ze alleen maar. Het raakte haar dat domheid aan een donkere huidskleur werd gekoppeld. Het raakte haar dat ze tegelijkertijd dacht: maar ik ben toch niet zwart? Het raakte haar dat iedereen moest lachen, en dat ze zich toen zo eenzaam voelde. ‘En weet je wat gek is? We zijn later collega’s geworden, het is een heel vriendelijke man die strijdt tegen onrecht.’ Ze heeft hem nooit aan het incident durven herinneren: ze is bang dat hij het niet meer weet, het weg zal wimpelen of ontkennen. ‘Toch dat zwijgen hè, dat heb ik zo geleerd van huis uit. Zeg maar niets, dan loop je niet het risico om anderen te kwetsen.’

‘Een gestokte geschiedenis’

De dood van haar moeder en de opspelende zingevingsvraagstukken stuurden Ernestine in de richting van het verleden van haar vader, zijn ouders en hun voorouders. Later zal blijken dat de reis naar dat verleden minstens zo belangrijk is als wat ze daar zal aantreffen.

De afgelopen jaren neemt het verlangen toe om meer te weten te komen over het leven van voorouders in slavernij, zo lijkt het. In tv-programma’s als Verborgen verleden, Geboeid en Opstand op de Neptunus en de populaire podcast De plantage van onze voorouders van Maartje Duin en Peggy Bouva verdiept een nieuwe generatie zich in hun onvertelde of onbekende familiegeschiedenis. Er zijn aanbieders van ‘rootsreizen’ en particuliere dna-databanken bieden de mogelijkheid aan om de geografische herkomst van je voorouders te onderzoeken.

‘De stem om de geschiedenis te hernemen klinkt steeds luider’, zegt Glenn Helberg, psychiater en gespecialiseerd in transculturele therapie, over deze ontwikkeling. ‘Mensen hebben een drang om hún verhaal vertellen, om te weten wie hun voorouders waren en wat hen bewoog. Familieverhalen en anekdotes over voorouders geven vorm aan je identiteit.’

De inmiddels overleden Surinaamse schrijver en journalist Anil Ramdas zag het als zijn taak om de verhalen van ‘eenvoudige, gewone en onbelangrijke’ Surinamers te vertellen, schreef hij in 1996 in zijn essaybundel De beroepsherinneraar en andere verhalen, ‘opdat die mensen niet vergeten worden, opdat ze niet uit de geschiedenis worden gestoten.’

Het liet nog even op zich wachten voordat zijn wens in Nederland en in Suriname onder meer mensen begon te leven. Door oudere generaties werd er vaak niet of nauwelijks over het verleden gesproken. ‘En als je dan toch ging zoeken, werd er vaak gezegd: ach, het is lang geleden, wat zeur je nou? Je hebt het toch goed hier in Nederland? Als je voorouders in Afrika waren gebleven, was je er nu slechter aan toe geweest’, zegt Helberg. ‘Je werd dus eigenlijk monddood gemaakt.’ En dat terwijl het zo belangrijk is om te weten waar je vandaan komt, vindt Helberg. Hij heeft het over families ‘met een gestokte geschiedenis, een verhaal waar een streep door is gezet, waar iets is uitgewist’.

Stilzwijgen

Dat van die zwijgende oudere generaties herkent Ernestine maar al te goed. Haar vader heeft de neiging om het verleden te doorgronden allerminst. Toen zijn moeder in 1997 overleed, ging hij, haar oudste zoon, niet naar de uitvaart. ‘Hij was onvermurwbaar. Hij wilde echt niet meer naar Suriname’, zegt Ernestine. Niet omdat hij niet van zijn moeder hield, dat weet ze zeker. Het was en is iets anders. Een onvermogen, een angst, een blokkade – iets wat maakt dat Erwin Wijdh vanaf zijn migratie naar Nederland besloot niet meer om te zien naar zijn moederland, althans, niet méér dan nodig is.

Het is iets wat zij bij meer familieleden van die generatie – haar vader is 87 – ziet. Het beeld dat Ernestine van haar familie heeft is er een waarin schaamte en geheimzinnigheid een grote rol spelen, en voor de bühne een houding van ongenaakbaarheid. ‘Hartelijk, maar ook gereserveerd. Alles moet op een veilige afstand blijven.’

Ernestine heeft regelmatig contact met twee nichten die zich, net als zijzelf, niet neerleggen bij het idee van de oudere generatie dat oude koeien vooral in hun sloot moeten blijven. Misschien is die volharding van haar vader in zijn zwijgen wel de reden dat Ernestine inmiddels actief de contacten met de veelkoppige Surinaamse familie onderhoudt. Met de tante in de Verenigde Staten bijvoorbeeld, die zelf geen kinderen heeft en die Ernestine vertelde dat ze járen therapie nodig heeft gehad om los te komen van haar in stilzwijgen en afstandelijkheid gehulde jeugd.

Ernestine vraagt haar vader van tijd tot tijd of hij toch wil. ‘Zullen we naar Suriname gaan, pap?’ Nee, is steevast het antwoord. ‘Voor de kleinkinderen dan?’ Nee. Of een paar jaar terug: ‘Er is een tentoonstelling over Suriname in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, pap.’ Geen interesse. Haar vader praat wel over vroeger, vertelt ze, ‘maar uitsluitend in positieve bewoordingen: hoe vrij hij was als kind, hoe fijn hij in de bossen kon spelen met vriendjes en kattenkwaad kon uithalen.’ Als ze doorvraagt, stokt zijn verhaal. ‘Ik zou de plekken uit je jeugd graag zien, dat is voor mij belangrijk, pap.’ Na zo’n persoonlijk appèl van zijn dochter blijft Erwin Wijdh wat langer stil, voordat hij alsnog nee zegt of met zijn hoofd schudt.

Maar Ernestine wil meer weten en er wél over praten. Ze moet wel, vindt ze. In de hoop zichzelf beter te begrijpen. Lange tijd kreeg ze geregeld van mensen te horen dat ze te pas en te onpas ‘sorry’ zegt. Heeft dat te maken met het verzwegen slavernijverleden in haar familie? ‘Alsof dat gevoel dat je minder waard bent en doet wat je opgedragen wordt, toch ook onbewust op andere generaties is doorgegeven.’

Weggaan zonder gedag te zeggen

De Surinaamse historica Mildred Caprino heeft nog een andere verklaring voor waarom meer mensen met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond zich tegenwoordig bezighouden met het verleden. ‘Veel mensen zijn weggegaan zonder het land gedag te zeggen.’ Dat klinkt misschien wat abstract, maar zo bedoelt Caprino het niet.

In de periode net voor en na de onafhankelijkheid van Suriname vertrokken mensen ‘halsoverkop, met een valiesje’, zegt Caprino. ‘Soms duurt het een generatie, maar er komt een moment dat iemand zich realiseert: ik moet terug. Al is het maar om te zeggen: we zijn weg.’ Ze noemt een bekende odo, een Surinaams gezegde: als je niet weet waar je vandaan komt, weet je ook niet waar je naartoe gaat.

Dat de terugkeer naar Suriname regelmatig een generatie op zich laat wachten, dat het de kinderen van de migranten zijn die terugkeren om het verleden op te zoeken, vindt ze logisch. ‘Die kinderen is nooit verteld waarom hun ouder of ouders vertrokken. De oudere generatie praatte niet, of de kinderen werden weggestuurd als de volwassenen wel praatten.’

Caprino geeft de laatste jaren steeds meer rondleidingen in Paramaribo en op oude plantages aan mensen van wie een of meer voorouders in slavernij werkten en leefden. Inmiddels is op basis van een achternaam goed te herleiden van welke plantages hun voorouders afkomstig zijn.

Caprino’s eigen familie stamt af van mensen die in slavernij werkten op Visserzorg, een suikerplantage in Commewijne. Ze is er geweest en heeft er ook een ceremonie voor haar voorouders gedaan. ‘Ik weet hoe het voelt, ik woon in Suriname, voor mij is het verleden sowieso dichterbij, tastbaar. Maar ik zie ook wat het voor mensen uit Nederland betekent om op een plek te staan waar hun betovergrootmoeder suikerriet kapte.’

Nederlanders van Surinaamse (en Antilliaanse) komaf die worstelen in het leven, die zoeken naar hun identiteit, hebben er volgens Caprino veel aan om de plekken te bezoeken waar hun voorouders leefden. ‘Dat gebeurt veel hoor, ook onder Surinamers in Suriname zelf. Vaak in familieverband. Met een ritueel erbij. Dat kan eenvoudig: de voorouders worden met respect benaderd, je zegt dat je ze komt groeten en vertrekt weer.’

Veel nazaten komen met de naam van een plantage die ze gevonden hebben in een boek van Humphrey Lamur uit 2004, vertelt Caprino. Dit naslagwerk, Familienaam & verwantschap van geëmancipeerde slaven in Suriname, dat de oud-hoogleraar antropologie na zijn pensioen samen met een aantal medewerkers en zijn vrouw samenstelde, bevat de meeste namen van de ruim 35 duizend mensen die bij de afschaffing van de slavernij in 1863 werden vrijgemaakt en een achternaam werd toebedeeld.

De in Suriname geboren Humphrey Lamur is inmiddels 88. In de jaren zeventig was hij als afgestudeerd socioloog een van de eersten in Nederland die zich vanuit academisch oogpunt verdiepten in het leven van tot slaaf gemaakte mensen. Zijn eigen overgrootmoeder werd in 1863 als meisje van 7 vrijgemaakt uit slavernij. Hij vond haar naam later terug in het archief, met erachter de omschrijving ‘werkcreool’. Over slavernij sprak zijn overgrootmoeder, die hij als kind nog meemaakte, overigens met geen woord, vertelde Lamur in 2020 in een interview in Het Parool.

Niet de economische aspecten of de trans-Atlantische slavenhandel interesseerden Lamur; hij wilde weten wat er gebeurde op de plantages in Suriname, hoe het alledaagse leven daar eruitzag. Het is een vraag waarover historici inmiddels geen wenkbrauwen meer zullen optrekken, maar in de jaren zeventig taalde er niemand naar. Voor zijn aanvankelijke onderzoek ontving Lamur dan ook geen erkenning. Artikelen die hij bij wetenschappelijke tijdschriften aanbood, werden jarenlang afgewezen als ‘niet relevant’. Het duurde tot in de jaren tachtig voor hij een aanstelling aan de Universiteit van Amsterdam wist te bemachtigen, waar hij het uiteindelijk tot hoogleraar zou schoppen.

Plantage Bakkie

Marsha Mormon op plantage Bakkie, Suriname.  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Marsha Mormon op plantage Bakkie, Suriname.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Dat de interesse in persoonlijke geschiedenissen en het zoeken naar het verleden van voorouders toeneemt, merken ook Marsha Mormon en haar man Bas Spek. Het Nederlandse echtpaar bewoont in Suriname een opgeknapt 18de-eeuws huis op de voormalige plantage Bakkie aan de Warappakreek, nabij de Atlantische kust.

‘Sinds een jaar of vijf krijgen we hier steeds meer mensen die hun roots zoeken’, vertelt Spek terwijl zijn vrouw even verderop met een machete suikerriet kapt in hun tuin.

Zo’n veertien jaar geleden verhuisde het stel vanuit Nederland naar Suriname, omdat Spek na een loopbaan bij de DSB-bank een callcenter wilde beginnen in Paramaribo. Niet lang daarna ontdekten ze dat Mormon – voorheen kapper in Lelystad, haar ouders zijn Surinaams – afstamt van een tot slaaf gemaakte jongen die in 1856 werd geboren op Bakkie, toen nog plantage Reynsdorp geheten.

Het was haar Surinaamse opa die haar dit vertelde, toen hij vanuit Nederland bij Mormon op bezoek kwam in Paramaribo. ‘Daarvoor sprak hij nooit over onze familiegeschiedenis, maar blijkbaar deed het hem iets dat ik nu in zijn oude land woonde.’

Haar betovergrootvader, Salomon de Rijp, had iets bijzonders gepresteerd: het was hem gelukt om een deel van het land waar hij werd geboren en waar hij in slavernij moest werken, te bemachtigen. Mormon: ‘Hij is als slachtoffer van de slavernij geboren, maar als grondeigenaar overleden.’ Uiteindelijk stierf hij in 1905 in de bek van een jaguar. De lokale krant De Surinamer schreef destijds dat ‘het dier hem van een boom besprong’, waarschijnlijk tijdens het vissen.

Mormon en Spek besloten te gaan kijken op de plek die Mormons betovergrootvader had bezeten: met een bootje zakten ze de rivier af en troffen een overwoekerd stuk natuur en een vrijwel verlaten dorpje aan. Ze zijn niet meer weggegaan. In de afgelopen jaren knapten ze de oude plantagewoning op, bouwden ze lodges voor gasten, groeven ze het oude kanaal naar zee weer uit en legden ze een tropische tuin aan vol planten met een koloniaal verleden. Zo staat er een Senegalese dadelpalm en de loweman bana, de ‘weglopersbanaan’: een snelgroeiende bananensoort die zijn naam dankt aan de tot slaaf gemaakte mensen die hem voorafgaand aan hun vlucht van de plantages stiekem plantten in het oerwoud, zodat ze er tijdens hun vlucht vruchten van konden plukken.

Wat begon als een klushobby in het weekend, is uitgeroeid tot hun levenswerk. ‘Het heeft zo moeten zijn, mijn voorouders zijn me voorgegaan, zij begeleiden me op mijn pad’, zegt Mormon.

Het verhaal vertellen, de geschiedenis blootleggen en documenteren – dat is waar het hen om gaat. Om die reden hebben ze in de plantagewoning ook een museum ingericht. ‘We hebben hier spullen gevonden die je nergens anders in Suriname ziet’, zegt Spek. Zo ligt in een van de vitrines een kromboei, een martelwerktuig waarmee ‘luiheid’ werd bestraft. De boei ging om de hals en de enkel van een tot slaaf gemaakt mens, en was dusdanig kort dat je kromgroeide als je hem te lang droeg.

‘Laatst kwam er een oude man in ons museum, hij kreeg rillingen toen hij hem zag. Hij had in zijn jeugd nog mensen gekend die waren kromgegroeid door de kromboei’, zegt Spek. ‘Want ook na afschaffing van de slavernij werd de kromboei gebruikt om ‘een werkschuwe houding’ van de uit Azië gehaalde contractarbeiders te bestraffen. Eén keer lui betekende een celstraf, twee keer lui betekende een celstraf én de kromboei.’

Mormon vindt het prettig om op zo’n tastbare manier bezig te zijn met de geschiedenis van haar voorouders, met haar handen. Het tuinieren, het graven en bouwen. Ze is inmiddels een volleerd loodgieter, metselaar en tegelzetter. Misschien dat ze daarom ook niet snel pijn of woede voelt, zelfs niet als ze martelwerktuigen – waar ook haar voorouders mogelijk slachtoffer van zijn geweest – vindt in de klei rondom de plantage.

Ook iets als daderschap of een schuldvraag houden haar niet bezig. Al viel ze wel even stil toen ze enkele jaren geleden bezoek kreeg van ene meneer Reynsdorp uit Nederland – een nazaat van de eigenaar van haar eigen betovergrootvader. ‘Opeens stond hij daar en zei hij heel schuchter: ik ben meneer Reynsdorp. Ik voelde meteen: hij heeft het er ook moeilijk mee.’

Ze heeft voor hem gekookt – zoals ze graag doet, met producten uit de tuin. ‘Ik heb gezegd dat wat vroeger is gebeurd, gebeurd is. Maar dat ik ook blij ben dat we hier in deze tijd wel samen kunnen zitten, dat het nu kan, omdat we allebei anders tegen de wereld aankijken dan onze voorouders. Achteraf was hij blij dat hij de stap had gezet.’

Van White naar Wijdh

Als Ernestine in Nederland hoort dat nazaten van ‘daders’ en ‘slachtoffers’ een maaltijd hebben gedeeld, is ze ontroerd, omdat het precies is hoe zij zich in het heden een omgang met een pijnlijk verleden voorstelt.

Ook zij probeert zich te verhouden tot het binaire principe van historisch dader- en slachtofferschap. Via archiefonderzoek ontdekte Ernestine dat ze zowel afstamt van een tot slaaf gemaakte vrouw als van een man die slaven bezat: een witte Engelsman met de naam Antony Warthen White. White woonde in Paramaribo, hij was geen opzichter, maar bezat wel aandelen in plantages. Op 17 augustus 1831 kocht hij Victoria, een stammoeder van Ernestine, van een plantage-eigenaar.

Omdat in het koopcontract van Victoria vermeld staat dat White van plan was haar binnen drie jaar vrij te kopen, was er volgens stamboomonderzoeker Ank de Vogel Muntslag – die Ernestines stamboom op verzoek van de Volkskrant uitzocht – waarschijnlijk sprake van een liefdesrelatie. In elk geval van de kant van White. Of Victoria de relatie alleen aanging uit hoop op een beter bestaan voor haar kinderen, is niet meer te achterhalen.

White stierf voor hij zijn belofte aan Victoria kon waarmaken. Bij haar eigen overlijden in 1838 was ze nog altijd onvrij. Wel had ze de achternaam van haar voormalige eigenaar als haar eigen achternaam laten vastleggen. In verbasterde vorm, omdat zo’n achternaam volgens een koloniale wet niet écht dezelfde mocht zijn: White werd Wijdh.

‘Ik draag het beide in me, het is in onze familie nauw verweven’, zegt Ernestine over haar voorouders, zowel ‘daders’ als ‘slachtoffers’ in een wreed systeem. Ze heeft over deze bevindingen veel nagedacht. Te vaak denken mensen – meestal mensen die zich er liever niet in verdiepen – dat de koloniale geschiedenis en het slavernijverleden gaan over goed en kwaad, zegt ze. ‘Maar daar gaat het niet om, althans niet voor mij. Het gaat om kijken naar wat was. Ik geloof dat deze kennis me helpt om milder naar anderen te kijken en ook naar mezelf. Het helpt me een completer mens te zijn.’

Onbeantwoorde vragen

Dat veel vragen over het verleden van je voorouders onbeantwoord kunnen blijven, ontdekte Ernestine ook. Graag zou ze meer weten van het gezinsleven waarin haar vader opgroeide, bijvoorbeeld. Ze laat een foto zien van een ernstig kijkende oudere Chinese vrouw. ‘Dit is de dochter die mijn opa van vaderskant in China bij een andere vrouw had. Mijn nicht heeft haar gevonden.’

Ernestines vader is de zoon van een Chinese immigrant, Liauw A Pan, die tien kinderen kreeg met haar Surinaamse oma. Later keerde haar opa A Pan nog eenmaal terug naar China, een reis waarvan hij terneergeslagen en zwijgzaam terugkeerde, hoorde Ernestine van een tante.

Oma wist dat opa al getrouwd was in China, vertelt Ernestine. Daarom waren opa A Pan en oma Corrie (roepnaam van Cornelia) niet gehuwd en kregen de kinderen haar oma’s achternaam. Op de vraag hoe de relatie van haar opa en oma of het gezinsleven van de familie Wijdh-Liauw was, kan ze slechts mondjesmaat een antwoord vinden.

Haar vader spreekt er niet over. Of louter positief. Twee tantes schetsen een ander beeld. Ze vertelden Ernestine dat er van een gezinsleven nauwelijks sprake was. Hard werken stond centraal. Opa en oma runden een winkel in levensmiddelen. Opa deed de inkopen en bakte ’s nachts brood, oma stond overdag in de winkel. De kinderen waren op zichzelf en elkaar aangewezen. Gesproken werd er niet en emoties hield je voor jezelf.

Zijn vrije tijd bracht opa door in een Chinees theehuis, waar hij onafgebroken matjok, een soort mahjong, speelde en in zijn moedertaal, het Kantonees, kon spreken. Als hij verloren had, was thuis ‘de stemming om te snijden’, beschrijft een van Ernestines tantes. Het is in dat theehuis dat hij op een dag in 1971, kort na zijn gedeprimeerde terugkeer uit China, in elkaar zakt en overlijdt.

Zoektocht

De bescheidenheid waarmee Ernestine is grootgebracht, het klein maken van jezelf, hoopt ze met de opgedane kennis van haar familieverleden een beetje van zich af te kunnen schudden. ‘Uit mijn voormoeder die in slavernij leefde zijn generatie na generatie voortgekomen. Dat gaat over overleven, dat is zoiets krachtigs.’

Het is precies wat historicus Coen van Galen vaak hoort van mensen die hun voorouders in slavenregisters hebben teruggevonden: hoeveel kracht uitgaat van het gevoel van ‘overleven’ én van de verbondenheid die je voelt met je voorouders die de bizarre omstandigheden hebben overleefd. Van Galen, verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zet zich al jaren in voor het digitaliseren van slavenregisters, onder andere in samenwerking met de Surinaamse historicus Maurits Hassankhan van de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo, maar ook op de Antillen. De projecten worden grotendeels uitgevoerd door talloze vrijwilligers, via crowdsourcing.

‘Voor veel mensen was 1863, het jaar waarin de slavernij werd afgeschaft in Suriname, een mythische grens’, zegt Van Galen. ‘Wat er daarvoor is gebeurd met voorouders was voor de meeste mensen een raadsel.’ Door de digitalisering van de laatste jaren is die informatie wel toegankelijk geworden. ‘En hoewel het vaak alleen namen en data zijn die mensen ontdekken, doet hen dat veel.’ Hij hoort het vaak van Surinaamse en Antilliaanse mensen, hoe emotioneel ze worden als ze hun voorouders zwart-op-wit zien. ‘Het zijn voorouders die zo uit hun verhaal, uit de geschiedenis zijn gehaald. Toen de archieven nog niet digitaal waren, leefden ze in veel families slechts voort als anekdotes – als die er al waren.’

En terwijl Marsha Mormon in Suriname vond zonder te zoeken, zal de bewust zoekende Ernestine met haar ontdekkingen én overgebleven vragen nog wel een tijd blijven speuren. Bijvoorbeeld in het land van haar voorouders, waar ze pas twee keer kwam, voor het laatst in 1991. Onbewust merkte ze dat ze op haar vader wachtte. Hoewel ze hem niet meekrijgt, staat haar 21-jarige dochter Julia te popelen om naar Suriname te gaan. Met trots bezag Ernestine hoe diezelfde dochter in de zomer van 2020 demonstreerde tegen racisme. Stiekem hoopt ze dat haar voormoeder Victoria het haar heeft meegegeven.

Wie ervaring heeft met zoeken zal herkennen wat Ernestine ervoer: wat je vindt is zeker relevant, maar het bleek de zoektocht zélf die haar rust bracht. Bescheiden is ze nog steeds. Maar door mentaal actief door haar familiegeschiedenis ‘in al haar complexe gelaagdheid’ te waden, voelt ze zich sterker dan ooit.

Over deze serie

Dit is de negende aflevering van een serie interviews over het koloniale verleden van Nederland. De volgende keer: Jochem Sprenger (38) over slavenhandelaren en daderschap. Als telg uit een Zeeuws patriciërsnest vermoedde Jochem wel dat zijn voorouders ‘iets’ met slavenhandel en slavernij van doen hadden gehad. Toen hij eenmaal op zoek ging, ‘schrok hij toch wel van de enorme omvang’. ‘Ik kon zó veel vinden, alsof er een hele boekenkast op me afkwam.’

Met dank aan stamboomonderzoeker Ank de Vogel-Muntslag en familieleden Li Towt, Annerita Wijdh, Anne-Rita Wijdh en Diane Tjon Joek Tjien. Voor de thematiek is dank verschuldigd aan essays en verhalen van schrijver Anil Ramdas in De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea en De beroepsherinneraar en andere verhalen.

Meer over