Nieuws

Hoe de Phoenix zonk: een Achterhoekse mythe

Bert Wagendorp beschrijft de achtergrond van zijn nieuwe roman: een verhaal dat in zijn geboortestreek rondgaat en op waarheid blijkt te berusten, over een schip vol Achterhoekers dat in Amerika is vergaan.

Bert Wagendorp
null Beeld Fieke Ruitinga
Beeld Fieke Ruitinga

Het verhaal van de ramp met de Phoenix is een familiemythe, door mijn vader liefdevol doorverteld, inmiddels van alle versiering ontdaan en kaalgeslagen. De mythe luidde in het kort zo: ooit verging in Amerika een schip met Achterhoekse landverhuizers en daarbij verdronken of verbrandden de meeste passagiers, onder wie verre familie van ons. Het schip heette de Phoenix of de Feniks, zoals schepen in mythen nu eenmaal heten.

Het waar en wanneer ontbraken, en buiten de naam van het schip waren er verder geen details, op een na: de landverhuizers waren er bijna, toen het misging.

De mythe is niet geïnteresseerd in een exacte weergave van de feiten – van belang is slechts de boodschap, de diepere wijsheid die de mythe wil overbrengen. De mythe is een leidraad voor het leven en niet aan tijd of plaats gebonden. Het is een recept voor geluk, of voor het vermijden van ongeluk.

Wat mijn vader, een volbloed Achterhoeker, met het verhaal van het rampschip wilde zeggen – denk ik nu, want ik heb het hem nooit gevraagd en hij leeft niet meer:

1.Het is onverstandig huis en haard te verlaten.

2.De zoektocht naar geluk kan gemakkelijk eindigen in tranen, dus je kunt er beter niet aan beginnen.

3.Op het moment dat het geluk binnen handbereik is, kan het je toch nog ontglippen, dus juich nooit te vroeg.

Lotsbestemming

Onder deze mythe lag een levensvisie die zo kan worden samengevat: het leven is onzeker. Je kunt op God vertrouwen of op je lotsbestemming, maar van beide weet je nooit zeker of ze geen onaangename verrassingen voor je in petto hebben, dus je kunt je maar beter op het ergste voorbereiden.

De mythe van het rampschip maakte op mij veel indruk. Toen mijn vader later toch plannen bleek te koesteren om naar Nieuw-Zeeland te emigreren, hoopte ik twee dingen: dat het niet zou doorgaan en, als het wel zou doorgaan, dat we niet met de boot zouden afreizen. Mijn moeder maakte aan alle twijfel een einde: we gingen niet.

Vele jaren later kwam ik erachter dat de mythe van de Phoenix stevige wortels had in de werkelijkheid en dat een lange keten van mondelinge overlevering wel de feiten grotendeels had weggeslepen, maar niet de waarheid.

De ramp had zich echt voorgedaan, om precies te zijn op 23 november 1847. De plaats waar zij zich had afgespeeld was ook bekend: Lake Michigan, op ongeveer 6 mijl van het plaatsje Sheboygan, ten noorden van Chicago in Wisconsin, de eindbestemming van de landverhuizers. Er was bij de ramp een groot aantal mensen omgekomen, voornamelijk Achterhoekers; schattingen varieerden van ruim 160 tot 250.

De naam van het ongeluksschip luidde inderdaad ‘Phoenix’.

Massapsychose

Emigratie naar de Verenigde Staten ging in het midden van de jaren veertig van de 19de eeuw in het oosten van Gelderland, en voornamelijk in de streek rond Winterswijk, rond als een besmettelijke ziekte. Van alle Nederlandse landverhuizers naar de VS in 1846 was 32 procent afkomstig uit Winterswijk en de buurtschappen eromheen. De streek raakte letterlijk ontvolkt en werkgevers klaagden over een tekort aan arbeiders.

In 1845 deed de Gelderse Maatschappij van Landbouw onderzoek naar de kwestie en concludeerde: ‘De zucht tot landverhuizen zal alzo wel beschouwd moeten worden als eene van die ziekten van den geest welke men dikwijls groote menschenmassa’s in beweging heeft doen stellen.’ Inderdaad was sprake van een soort massapsychose. Er was een intensief briefcontact tussen degenen die al waren vertrokken en de achterblijvers, met als centrale boodschap: kom ook, het is hier beter. Dat leidde tot landverhuizerskoorts; wie de reis kon betalen, vertrok.

Maar er was meer. In de hete, natte zomer van 1845 merkten boeren, niet alleen in de Achterhoek maar in grote delen van het land, dat het loof van hun aardappelplanten bruine vlekken vertoonde: phytophthora – de aardappelziekte – had toegeslagen. In de Achterhoek bleek daarnaast dat de rogge werd aangetast door een schimmel die ‘roest’ veroorzaakt. Tot overmaat van ramp was die zomer sprake van een muizenplaag, miljoenen muizen stortten zich op de tarwevoorraden.

Drie plagen

Aardappelziekte, roest en muizen: ‘de drie plagen van de Achterhoek’ veroorzaakten honger. In heel Nederland stierven 53 duizend mensen door gebrek aan voedsel. In de Achterhoek overtrof het sterftecijfer het geboortecijfer, voor het eerst sinds de middeleeuwse pest.

De regering was het laissez-faire toegedaan en deed niets. Wel werd op 4 mei een ‘algemene biddag’ georganiseerd, maar die hielp niet.

Er was nog een verklaring voor de leegloop. In 1834 hadden de zogenoemde Afgescheidenen zich losgemaakt van de Nederlands-Hervormde Kerk. In de streek rond Winterswijk hadden de latere gereformeerden veel aanhang – vermoedelijk omdat de staatskerk partij koos voor de gevestigde orde die ‘de kleine luyden’ weinig had te bieden. De regering zag de religieuze revolte als een bedreiging en kwam met tal van discriminerende maatregelen en boetes.

In de Achterhoek was dominee Anthony Brummelkamp (1811-1888) erg actief. Brummelkamp zou tegenwoordig een maatschappijkritische dominee worden genoemd. In pamfletten ging hij tekeer tegen de onrechtvaardige verdeling tussen vermogen, grondbezit bijvoorbeeld, en arbeid. In Amerika, schreef hij, was dat anders: daar werd arbeid hoog gewaardeerd en kostte grond zo goed als niks.

Veel afgescheidenen besloten te vertrekken, op zoek naar vrijheid in het nieuwe Jeruzalem: de VS.

Afscheid voor altijd

Eind september 1847 verzamelde een groep landverhuizers zich naast de Jacobskerk op de Markt in Winterswijk. Toen de karavaan van paard-en-wagens vertrok wist iedereen, vertrekkers en afscheidnemers, dat het een scheiding voor altijd was.

In Arnhem gingen de landverhuizers aan boord van een raderboot die hen naar Rotterdam zou brengen. Daar lag de France, een Amerikaanse bark, die koffie vervoerde vanuit Amerika en emigranten vanuit Rotterdam.

Op 27 oktober 1847 kwam de France aan in de haven van New York.

Het verhaal wordt steeds meer van zijn mysteries ontdaan, de feiten nemen het over. In New York wachtte een protestantse dominee, Thomas De Witt, de landverhuizers op. Hij zette hen op de Alida, de boot die de reizigers via de Hudson vervoerde naar Albany, nog altijd de hoofdstad van de staat New York. Daar begeleidde de volgende dominee, Isaac Newton Wyckoff, hen verder naar het westen. Vanuit Albany namen de emigranten een trekschuit die hen door het 584 kilometer lange Eriekanaal naar Buffalo zou brengen.

In Buffalo lag wat er nog restte van de mythe van mijn vader aan touwen te dobberen op de golven: daar wachtte de Phoenix.

Toonbeeld van vernuft

De Phoenix was een zogenoemde ‘propeller’, een door twee schroeven aangedreven stoomboot. Hij was twee jaar eerder gebouwd op de werf van George Washington Jones in Cleveland. Het schip overtrof alle eerdere propellers wat nieuwe materialen en vindingen betrof. Het was een toonbeeld van menselijk vernuft, ongeveer 50 meter lang en 7 meter breed. De stoommachines leverden een vermogen van 100 paardenkracht aan de schroeven. Volgens machinist David Hall kon de boiler een grotere druk weerstaan dan welke andere op de Grote Meren ook.

De reis van Buffalo naar Chicago zou twaalf dagen in beslag nemen.

Toen de Phoenix op 11 november 1847 met het grootste deel van de Achterhoekse landverhuizers aan boord vertrok, hing er storm in de lucht. Die wakkerde aan toen het schip Lake Huron opvoer en nam nog in kracht toe toen voorbij de Straits of Macinaw Lake Michigan zich uitstrekte. Daar vond de Phoenix een schuilplaats voor de orkaan, op Beaver Island.

Na twee dagen was de storm gaan liggen en voeren ze verder, voor het laatste traject naar Sheboygan.

Hier is er van de mythe niets meer over. Er is over de ramp met de Phoenix veel geschreven – al is de ware gang van zaken altijd een raadsel gebleven. De landverhuizers zaten op de verkeerde boot, maar waarom? Wie was er verantwoordelijk voor hun ondergang?

Emmerbrigade

Het water was spiegelglad, de nacht was helder en de Phoenix voer op maximale snelheid richting Sheboygan, toen er beneden in het schip paniek uitbrak. De boiler die niet kon ontploffen was toch ontploft. Er ontstond brand, die snel om zich heen greep. Er werd een emmerbrigade georganiseerd, maar die was kansloos tegen het vuur. Het was nog 6 mijl naar Sheboygan.

Aan dek speelden zich hemeltergende taferelen af. Brandende mensen sprongen overboord en verdronken reddeloos. Anderen wachtten biddend de dood af. Er waren twee reddingsboten – misschien drie, daarover bestaat onzekerheid. Een koopman met de naam David Blish trachtte de paniek te bezweren en hielp waar hij kon. In een boek dat 75 jaar later werd geschreven door de amateurhistoricus William O. Van Eyck, tevens directeur van het postkantoor van Sheboygan, The Story of the Propeller Phoenix, werd Blish omschreven als een ‘shining example of love and sacrifice’.

Zodra de mythe is teruggebracht tot wrede geschiedenis, ontstaat kennelijk de behoefte hem weer iets van zijn oude heiligheid terug te geven, in een poging het verschrikkelijke van betekenis te voorzien. David Blish offerde zichzelf op en sprong uiteindelijk met twee kleine meisjes overboord. De ‘angel of mercy’ verdronk in het ijskoude water. In Sheboygan werd nog lang aan zijn dood getwijfeld: kon zoveel goedheid sterven?

Twee reddingsboten met 43 overlevenden aan boord roeiden naar het strand ten noorden van Sheboygan. Het schip de Delaware had vier overlevenden aan boord genomen en sleepte het wrak van de Phoenix naar de haven van Sheboygan.

Romantisch randje

Na de verschrikkingen deed de magie wat ze geacht wordt te doen: de werkelijkheid van een romantisch randje voorzien. De Delaware, een van de schepen die waren uitgevaren om de gedoemden op de Phoenix te redden, voer een paar dagen nadien langs de plek waar de ramp had plaatsgevonden. Daar telde kapitein Tuttle ongeveer dertig lijken die in het water dreven. Het viel hem op, dat de mannen rechtop in het water leken te staan, de vrouwen op hun zij dreven en de kinderen op hun buik. Maar het allervreemdste was, dat alle lichamen met hun gezicht naar het noorden in het water lagen.

De lijkschouwer James Berry, die de ochtend na de ramp aan boord van het wrak was gegaan, was plotseling rijk. Het gerucht ging dat hij een fortuin aan goud had aangetroffen en had meegenomen. Daarmee schafte hij in het oosten kostbare koeien aan, de eerste Friese holsteins van Wisconsin. Het Achterhoekse goud zou zodoende de basis hebben gevormd van de belangrijkste zuivelstaat van de VS, met zijn miljoenen holsteins en zijn vermaarde cheddar.

Het bericht van de ramp bereikte een paar dagen voor Kerst 1847 Nederland en ook Winterswijk. Daar werd een collecte voor de slachtoffers gehouden, die 70,35 gulden opbracht. Ze zongen psalm 66: ‘God baande door de woeste baren/ En breede stromen ons een pad/ Daar rees zijn lof op stem en snaren/ Nadat hij ons beveiligd had.’

De rouwende familieleden van de slachtoffers vertelden elkaar keer op keer het verhaal van de Phoenix, met weglating van steeds meer details. Die mythologisering zou doorgaan, van generatie op generatie; het werd een verhaal dat bleef rondzingen, ook aan de toog van de gelagkamer van Het Burgerhotel aan de Stationsstraat in Winterswijk, waar mijn overgrootvader geduldig bier schonk en luisterde. En het verhaal op zijn beurt doorgaf aan zijn kleinzoon, mijn vader. Die het doorgaf aan mij, zijn zoon, die er een roman van maakte.

Bert Wagendorp: Phoenix – De memoires van Abel Sikkink, deel 1. Uitgeverij Pluim; 397 pagina’s; € 24,99.

Meer over