ColumnPeter Buwalda

'Het zijn dames-Nikes! Haha, jongens! Buwalda heeft dames-Nikes!’

null Beeld

Mijn boezemvriend belde aan. Hij is introvert, stuurs, maar neemt altijd iets mee. ‘Yo’, bulderde ik, en rende handenwrijvend naar de deur. Ik had niets besteld, maar soms klemden er boeken of cd’s in de pijplijn om pas weken later los te schieten.

Voor Jet. Sneakers.

In plaats van de sportschoenen onmiddellijk te unboxen (op zich niet leentaliger dan ‘de sneakers onmiddellijk uit te pakken’), zette ze de doos in een hoek van de woonstee.

‘Ben je niet benieuwd?’

‘O, ik weet al hoe ze eruit zien, hoor.’

Ik knikte. Ze knikte terug. Ik boog mijn hoofd, Japanse stijl. Zij ook. Werken maar.

Steels beloerde grootvader de doos, denkend aan het vooroorlogse Venlo-Blerick, toen sportschoenen een, hoe zou hij het eens noemen, ‘aspiratie’ waren, een grootsch streven, er hoorde een VOC-mentaliteit bij, Nederland-medailleland. Er bestond een sportschoenenspiegel, iemand in de klas had de beste exemplaren aan zijn voeten, namelijk Piet Suiker, Suikertje, Suiky-Suiky, altijd hij, ik schreef vaker over hem, en iemand de slechtste.

Ik – anders begon ik er niet over. Dan ‘zat er geen column in’. (Waarom heb ik überhaupt een jeugd? Om Graaf Volkskrant te dienen, uw inktvampier.) Hoewel ik de opleiding betrad met Nikes, bleken het na een tijdje de verkeerde Nikes. Ze kwamen uit een bak in het ‘Trefcenter’, een soort Makro vlak bij mijn vaders werk, waar ik ze tussen de slagroomtaarten en tuinstoelen had staan passen. ‘Helemaal niet duur’, zei mijn vader opgewonden, ‘mooi hoor, met die paarse streep.’

‘Die streep is roze’, zei Piet Suiker. ‘Het zijn dames-Nikes. Haha, jongens! Buwalda heeft dames-Nikes!’

Ik gaf de Korrel een harde schop in zijn noten. Waarop hij me wurgde. Omdat we er niet uitkwamen, zo, besloot de leraar een van mijn schoenen te inspecteren. Fronsend tuurde hij onder de tong, haalde het zooltje eruit, stopte het weer terug, vouwde hem gevaarlijk ver open.

‘Nikes,’ zei hij ten slotte, ‘type: Lady.’

Het weer aantrekken en strikken van die Nike Lady, onder dertig paar spottende ogen, er knapte iets. Nooit meer Adidas met twee strepen. Nooit meer Adidas met vier strepen. Nooit meer Trefcenter.

Thuis leefde die gedachte vooralsnog niet. Mijn vader liep marathons, moet die jongen serieus duurdere schoenen dan waarop je een marathon kan lopen?

Niet knikken. Zwijgen.

Target waren inmiddels ‘hoge gympies’. Suikertje had ze van Nike, onbetaalbare praalstukken, dat hoefde niet per se. Als ik weer eens nieuwe schoenen kreeg, peilde ik mijn ouders, gewoon als kind, ik was ook maar op aarde gezet, maar diezelfde schoenen ook voor mijn verjaardag vroeg, dan kon ik misschien, alles opgeteld, als opa en oma meededen, ‘hoge gympies’ krijgen?

Daar gingen we, op mijn verjaardag, opa en oma mee, mijn broertjes mee, Tonny en Guus, vrienden van mijn ouders die er toevallig waren, mee, een ware optocht door de stad, ‘dure sportschoenen’ kopen voor Peter. Van winkel naar winkel, achter me gefluister, ‘hij wil duurdere sportschoenen dan Jaap’. ‘Niet, echt? Waarvoor?’ ‘Gewoon, geloof ik.’ Het met z’n allen toekijken terwijl ik zat te passen, ‘sjiek de pieper, hoor’, als ik iemand aankeek. ‘Wat een joekels.’ ‘Maar verder krijgt hij niks.’ De collectieve verslagenheid bij het afrekenen, ‘hoeveel?’ Het nieuwe gefluister, de matte aftocht.

Meer over