ColumnPeter Buwalda

‘Het voelt aan alsof je in de zee zwemt’, probeerde de assistente me gerust te stellen. Ik: ‘Mag de Maas ook?’

null Beeld

Onder een viool klemt soms een doekje.

Soms begint Jet uit het niks te schaterlachen. In negen van de tien gevallen schiet haar mijn nominatie voor Best Geklede Man te binnen.

Misschien ook daarom begaf ik mij op straat met een gewaagd accessoire. Zo bleek achteraf, moet ik toegeven. De jongen van White Label Coffee, gelegen aan het Zonneplein, keek ervan op, stelde ik vast. Met een onpeilbaar lachje om zijn broodmolen keek hij naar mijn rechterschouder. Maar nogmaals: pas achteraf, thuis, drong dit tot me door. Ik zat alweer een halfuurtje lijn te trekken – gaan we al beginnen, peinsde ik, of kijken we nog een Ike and Tina Turner-filmpje? – toen mijn rechterschouder begon te jeuken. Dus wat deed ik?

Baby, Get It On aanzetten, een duet van Tina en d’r teringlijer. Erna pas krabben. Verlichting bracht dit evenwel niet, sterker, als door de bliksem getroffen trok ik mijn hand terug. In plaats van op mijn T-shirt met eronder mijn koene kogelgewricht stuitte ik op iets veel hogers en dikkers, een soort deken! En het zat los! Dus wat deed ik?

Baby, Get It On afzetten. Normaal zou ik deze vuige stamper helemaal uitgekeken hebben, het is een raadselachtige mix van rhythm and blues, disco en soul, plat als een gouwe tientje, Tina cirkelt uitzinnig om Ike heen, het lijkt meer dan koek en ei met de echtelieden, maar vlak erna slaat ze eindelijk op de vlucht voor die hufter. Wat een performance, ze was briljant in d’r Ike-tijd, ik sta op het punt Tina beter te vinden dan Aretha, ook d’r stem.

Maar nu even niet. Op mijn schouderpartij lag een accessoire, een rode lap van een dikke stofsoort, een winterse sjerp. Het bleek een opgevouwen handdoekje te zijn. Hoe dan? (Zo zeggen hedendaagse modepopjes dat, meen ik.) (Volgens Jet al niet meer.)

Deductief ging ik mijn gangen na. De ochtend was begonnen met doktersbezoek, ik had last van een verstopt oor. Al sinds mijn kleutertijd brullen ze (opvoeders, juf Rita, instanties) dat ik beide exemplaren moet laten uitspuiten, het begon erop te lijken dat ze een punt hadden. Ik moet Tinaatje wel kunnen horen, namelijk. Al die jaren heb ik gedacht dat de behandeling figuurlijk was, maar nee, ze is zeer letterlijk. De assistente, belast met de operatie, nam me mee naar een keukentje waar ze uit een lade een groteske stalen spuit tevoorschijn haalde. Zo eentje kende ik alleen uit The Benny Hill Show. Gulpend verdween er een halve liter water in. Als een viool diende ik tussen kin en schouder een niervormige schaal te klemmen, voor al dat water natuurlijk, maar ook voor hetgeen zich tussen mij en de Turners had opgehoopt.

‘Het voelt aan alsof je in de zee zwemt’, probeerde de assistente me gerust te stellen. Ik: ‘Mag de Maas ook?’ (Mijn ouders waren een uur ervoor op de vlucht geslagen voor deze grillige rivier.)

Maar toen, wat gebeurde er toen? Ik vertrok, opgelucht, dankbaar. Ik vergat mijn jas, weet ik nog, ging na beleefd kloppen terug het keukentje in, wurmde me onder herhaalde dankzegging in het kledingstuk. Op de fiets trok ik de jas weer uit, te warm, en liep aldus de koffiezaak in. In deze zomerse stijl bestelde ik een plak bananenbrood.

Het net heeft zich gesloten, het moge duidelijk zijn, tussen de ijzeren pisgoot en mijn schouder had de assistente, ter extra comfort, een opgevouwen handdoekje gevleeën, zoals Tina weleens doet als ze viool speelt. Feitelijk niet raar. Jas aan en jas uit, dat verbaast me eraan.

Meer over