ColumnSylvia Witteman

Het stembureau was leeg als de Keukenhof in januari

null Beeld

Maandagochtend gingen sommige stembureaus al open, ‘voor kwetsbaren’ heette het. Toevallig zat er net zo’n bureau bij mij om de hoek. Nu ben ik officieel geen ‘kwetsbare’, al is dat natuurlijk een wassen neus; zijn wij niet allen in wezen kwetsbaar? Kunnen wij niet stuk voor stuk met één geïrriteerde vingerknip van het Opperwezen het Grote Niets in geschoten worden, spartelend met onze pootjes als een lieveheersbeestje (en die hebben dan nog beschermende dekschilden)?

Aldus opgewekt geluimd begaf ik me naar het stembureau om te kijken of de kwetsbaren wel in groten getale kwamen opdagen; lange rijen dappere 100-jarigen die rochelend en bevend PvdA kwamen aankruisen; bleke, bloederzieke dauphins aan de hand van hun blozend-mollige gouvernantes, en geheel in gips verpakte lawineslachtoffers die hun democratische plicht serieus namen, al moesten ze het rode potlood desnoods met de mond besturen.

Hoopte ik. Maar die vlieger ging niet op. Het stembureau was leeg als de Keukenhof in januari; er kwam juist één jongeman naar buiten, een jaar of 30, met het hoofd en de krullen van de jonge Derek de Lint, een tikje te mooi dus, ten overvloede in een Jesse Klaver-coltrui. Hij liep veerkrachtig en keek fris uit de ogen; erg kwetsbaar leek hij me niet, maar je weet nooit wat zo iemand onder de leden heeft. Wij mogen daar niet over oordelen, misschien had hij iets in het autistische spectrum, of pleinvrees of zo.

In zijn rechterhand hield hij zijn telefoon, in zijn linkerhand een bos bloemen. ‘Ik heb die bloemen voor Tessa gekocht hoor’, zei hij tegen de telefoon, die op speakerstand stond, zodat ik het antwoord ook kon horen: een vrouwenstem die ‘laat eens zien?’ riep.

Hij streek een ijdel krullend lokje achter zijn oor en richtte zijn telefoon op de bloemen. Het waren grote, witte aronskelken. Prachtige bloemen. Voor speciale gelegenheden dan, zoals de tragische dood van een mooi jong meisje op de dag van haar bruiloft.

Het bleef even stil aan de andere kant van de telefoon. ‘Ze zijn wit’, sprak de jongen schaapachtig. ‘Ja’ riep de vrouwenstem. ‘Wat ís dit nou? Wat zijn dat voor doodenge bloemen? Dit is toch geen leuk bosje voor iemand die ziek op bed ligt? Jezus, man...’

De jongen keek vertwijfeld naar het boeket. ‘Colombe de la paix’ heetten de bloemen, blijkens het opschrift op het cellofaan. Vredesduif. Ook dat nog.

‘Ja, weet ik veel... ík vond ze leuk’, bracht hij uit. Terwijl de vrouw doorfoeterde maakte hij zijn fiets los, propte de aronskelken ruw onder de snelbinders en fietste driftig weg, bijtend op zijn onderlip.

De prachtige bloemen schudden hun kwetsbare kopjes bedroefd in de wind.

Meer over