Het pubermeisje dat een bidprentje werd

Geboren: 12 juni 1929 in Frankfurt am Main...

Aleid Truijens

ZEVENTIG ZOU ZE dit jaar zijn geworden. Moeder en grootmoeder, zoals ze zich voorstelde, en getrouwd met een man die een beetje op haar vader leek. En misschien de beroemde schrijfster die ze later wilde worden. Generatiegenote van Harry Mulisch en W.F. Hermans, de grote auteurs van de Tweede Wereldoorlog.

Er kwam geen later. Anne Frank werd geen vrouw. Voordat haar leven goed en wel was begonnen, was het al afgelopen. Ze stolde voor altijd tot de dertienjarige die gedurende een onderduikperiode van twee jaar in het 'achterhuis' van een Amsterdams bedrijfspand een dagboek bijhield. Toen haar vader, Otto Frank, als enige van de acht onderduikers terugkeerde, overhandigde Miep Gies, een van de helpers van de Achterhuis-bewoners, hem de schriftjes. Een dag nadat een SS'er met drie politiemannen op 4 augustus 1944 het pand was binnengedrongen, was ze teruggegaan om Anne's dagboek te redden.

Beroemd werd ze wel, met haar bakvisproza. Het zou haar zelf verbaasd hebben. Anne Frank vond haar brieven aan de fictieve 'Kitty' niet geschikt voor publicatie: het was aardig materiaal voor de roman die ze later, als ze vrij zou zijn, zou schrijven.

Otto Frank sloeg het oordeel van zijn dochter in de wind. Hij dacht door de publicatie haar hartewens te vervullen: schrijfster worden. Hij wilde de wereld laten zien dat dit zijn gezin, en miljoenen even gewone gezinnen was overkomen, opdat het nooit meer zou gebeuren. Na lang leuren met het door hem geredigeerde manuscript, vond hij in 1947 uitgeverij Contact bereid Het Achterhuis te publiceren. Nu, ruim vijftig jaar later, zijn er meer dan twintig miljoen exemplaren van het dagboek verkocht, in 55 talen.

Het Achterhuis werd een glanzende everseller. Het meest gelezen boek uit de Nederlandse literatuur, lievelingsboek van pubermeisjes over de hele wereld. Een boek dat in internationale bekendheid alleen door de Bijbel naar de kroon wordt gestoken. Anne Frank, het springerige kind dat altijd voor haar beurt sprak, dat meer beroerd werd door de verliefde blikken van Peter, de enige jongen in het Achterhuis, dan door de razernij die 'buiten' woedde, groeide uit tot een heilige.

'Anne Frank' genereerde een industrie met Lourdes-achtige trekken. Er kwam een Anne Frank Stichting in Amsterdam die waakte over de cultuurhistorische erfenis, een Anne Frank Fonds in Bazel dat de nalatenschap beheerde. De verfilming volgde, een toneelbewerking in vele talen. Voor het Achterhuis aan de Prinsengracht vormden zich dagelijks lange rijen toeristen, nu 600 duizend pelgrims per jaar, van wie de meesten de oorlog slechts kennen van horen zeggen. Anne werd een product met een hoog tulpen-en-molentjesgehalte. En intussen stroomden de miljoenen binnen op de bankrekening in Bazel.

Ook in ideëel opzicht bleek de kleine dagboekschrijfster een goudmijn. Eenieder die meende het beste met de wereld voor te hebben, creëerde zijn Anne. Voor trotse vaderlanders werd zij het bewijs van goed gedrag jegens de joden tijdens de bezetting. Daarbij werd voor het gemak vergeten dat een Nederlander de onderduikers had verraden: een werkster of een magazijnknecht, nooit geïdentificeerd. Voor de joden was zij een voorbeeldig slachtoffer. Zionisten en antizionisten, linkse en rechtse joden kneedden daarbij Anne's idealen tot het door hen gewenste model.

Het dagboek werkte dikwijls als een splijtzwam. Om de paar jaar was er herrie. In 1963 spoorde Simon Wiesenthal, de man op die de onderduikers had gearresteerd, de Oostenrijker Karl Silberbauer. Tot verbijstering van velen wilde Otto Frank niet dat de man berecht werd. 'Denn die wirklich Schuldigen sind die, die oben gesessen haben', verklaarde hij. Na Franks dood waren er heftige discussies over de miljoenen royalty's in Bazel, die hij had willen gebruiken voor het stimuleren van de verzoening tussen Palestijnen en joden in Israël.

Beschamende gebeurtenissen waren er in Duitsland. In 1985 verzetten CDU-wethouders van Bergen-Belsen zich tegen het noemen van een straat naar Anne Frank. Zoiets zou een 'dagelijkse demonstratie' zijn. Een jaar later hield dezelfde partij de inrichting van een museum in Anne's geboortehuis in Frankfurt tegen, uit angst dat 'linkse jeugd' er zou samendrommen.

Dieptepunt was de beschuldiging, in 1980, dat het dagboek een vervalsing zou zijn. Sporen van een door Otto Frank gebruikte ballpoint zouden erop wijzen dat hij de schrijver was. De negentigjarige vader maakte een vernederende gang naar de rechtbank om te vertellen dat de tekst, die hij zijn vermoorde dochter in haar schriftjes had zien schrijven, de hare was. De beschuldiging leidde tot een grondig onderzoek dat definitief de authenticiteit vaststelde.

In november 1998 toverde Cor Suijk, een oud-medewerker van de Anne Frank Stichting, drie ontbrekende velletjes uit zijn hoed. Otto Frank had ze hem gegeven omdat de tekst kwetsende passages zou bevatten, met name over Anne's moeder Edith, en de huwelijksproblemen van haar ouders. Suijk wilde een miljoen vangen voor zijn goed bewaarde geheim, om zijn eigen Anne Frank Center in New York te financieren. De pagina's werden toegewezen aan het RIOD (inmiddels omgedoopt tot NIOD) in Amsterdam.

De heiligverklaring, de commerciële uitbuiting en de morele annexatie van Anne Frank maken het moeilijk haar boek argeloos te ondergaan zoals het bedoeld is: een verslag van het opeengepakte leven van acht mensen, wier bestaan ontkend moest worden, op vier geblindeerde kamertjes. Maar ook de bekentenissen van een meisje dat zich, als alle pubers, gekleineerd voelt. Dat ruziet met haar brave zus, walgt van goedbedoeld eten, urenlang in de spiegel staart en filmsterrenplaatjes boven haar bed plakt. Een wijsneus, een lastpak, een kattekop. Een lief en optimistisch kind. Starend door een spleet licht naar een boom tegen een blauwe hemel, denkt Anne: 'Zolang dit bestaat, kan ik niet treurig zijn'.

Dat alles ontroert, vooral omdat het zo helder en levendig is opgeschreven, maar dat alleen maakt het boek nog niet tot een aangrijpend document humain. Het Achterhuis ontleent zijn dramatische kracht aan een verschil in kennis. Wij weten iets wat Anne, toen ze haar dagboek schreef, niet wist: dat ze verraden zou worden, afgevoerd naar een gruwelkamp waar ze, twee maanden voor de bevrijding, aan tyfus zou bezwijken. Dat verschrikkelijke einde omgeeft de gewoonste zinnetjes uit haar dagboek, zoals 'Misschien kan ik in oktober weer naar school', met een tragisch floers.

Het hartverscheurende aan dit 'oorlogsboek' is juist dat er zo weinig oorlog in voorkomt. Het leven in het Achterhuis was betrekkelijk normaal. Nu is het fascinerend om te lezen hoe acht mensen het in een gesloten ruimte met elkaar uithielden. Met vilein plezier beschrijft Anne de kibbelarijen, het achterbakse achterhouden van eten, het gevecht om de privacy van een tafeltje. De overzichtelijkheid van haar piepkleine leefwereld verscherpte haar waarneming: ze analyseerde die zeven individuen verrassend goed voor een dertienjarige. In twee jaar groeide haar inzicht razendsnel. Ze werd volwassen in een hogedrukpan.

De vraag of dit getalenteerde kind een groot schrijfster zou zijn geworden, is zinloos. Als Anne haar dagboek had teruggevonden, had ze de tekst herschreven, of haar kampervaringen belangrijker geacht. 'Fietsen, dansen, fluiten, (...) daar snak ik naar,' schreef ze drie maanden voor haar dood. Aan het misdadige feit dat ze dat nooit meer kon dankt de wereld een uitzonderlijk document. En een onverslijtbaar symbool.

Meer over