eenzame uitvaart

Het leek de bewindvoerder onwaarschijnlijk dat meneer Van S. ooit een baan had gehad

null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Meneer Van S. wilde niet deugen. Hij dronk, was agressief. In het Jan Bongahuis werd zijn kamer zijn koninkrijk en de goudvis zijn alles.

Joris van Casteren

De goudvis van meneer Van S. maakt het goed. Hij is niet door de wc gespoeld, zoals ik vreesde. Traag zwemt hij z’n rondjes door de kom, langs zuurstofplanten en een onderwaterkasteel.

Hij staat in de koffiekamer van de gesloten afdeling van het Jan Bongahuis, een gespecialiseerde zorginstelling in Amsterdam-Geuzenveld waar meneer Van S. op 11 november aan het begin van de avond kwam te overlijden, terwijl buurtkinderen zingend en met lampionnen langs de deuren gingen.

De bewindvoerder van meneer Van S. heeft mij een kleine week na het heengaan aan de telefoon over de vis verteld. Het dier, zei ze, was zijn lust en zijn leven. Nieuwsgierig en ook enigszins bezorgd over zijn lot besloot ik na dat gesprek naar het Jan Bongahuis te gaan.

Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (TRUP) van de gemeente Amsterdam heeft de afgelopen dagen gezocht naar familieleden van meneer Van S., die 68 jaar oud is geworden. Hij kwam uit Rotterdam, zijn vader was aanvankelijk scheepsbevrachter, later verkocht hij chocolade op de markt.

Er is nog een broer in leven, hij reageert niet op de brief die TRUP hem stuurt. De vrouw van een eveneens aangeschreven neef reageert wel. Ze laat weten dat er al zeer lang geen contact meer was met meneer Van S., niemand in de familie leek daar rouwig om te zijn. De uitvaart laat zij graag passeren, de gemeente mag het regelen.

*

Ik moet op afdeling Ceder zijn, de receptionist van het Jan Bongahuis legt uit hoe ik er kom. Op de tweede verdieping ontgrendelt een zuster met een pasje een deur. Aan de binnenzijde van de deur is met plakfolie een huiselijk tafereel aangebracht, opdat de deur geen deur meer lijkt. De truc werkt niet echt, zegt de zuster, patiënten houden de poort naar de vrijheid in de gaten en glippen soms de gang op.

Voor de koffiekamer wacht ik op een bankje op Rowena, de Eerst Verantwoordelijke Verpleegkundige (EVV’er) van meneer Van S. Twee patiënten komen naast me zitten. Een zwijgt en brengt voortdurend het hoofd naar de knieën. De ander, een magere man met verwilderd haar, is uiterst spraakzaam en beweert mij ergens van te kennen.

Hij heet Herman maar ik moet hem Jezus noemen want dat is wie hij werkelijk is. Er wordt veel gevloekt op de afdeling, Jezus kan er absoluut niet tegen. ‘Vooral niet als ze godverdomme zeggen.’

Jezus zegt dat meneer Van S. een goede bekende van hem was, een minuut later is hij alweer vergeten over wie we het hadden. Gevolg van de Korsakov, verklaart hij. Jezus wil weten of meneer Van S. goed verzekerd was, anders zal hij de uitvaart betalen, geld speelt daarbij geen enkele rol. Hij moet in een koperen kist worden begraven, of ik dat kan beloven.

Daar is Rowena, in de koffiekamer bekijken we de vis. Ze roept collega Ima erbij, misschien weet zij nog iets over meneer Van S. te vertellen. Probleem is dat hij pas sinds augustus 2020 in het Jan Bongahuis verbleef, van zijn voorgeschiedenis is weinig bekend.

*

Van de bewindvoerder heb ik vernomen dat het leven van meneer Van S. zich grotendeels op straat heeft afgespeeld. Het leek haar onwaarschijnlijk dat hij ooit een baan heeft gehad. Hij dronk, viel mensen lastig. Bij het Amsterdamse Stoelenproject, een laagdrempelige nachtopvang waar ze toch het een en ander zijn gewend, was hij een beruchte figuur.

Een leger aan hulpverleners kreeg meneer Van S. gedurende zijn zwerversloopbaan op zich afgestuurd. Pas een jaar of drie geleden kwam hij enigszins in het gareel, toen Mentrum, een instelling voor mensen met zware psychische problemen, hem per gerechtelijk decreet onder curatele stelde. Zijn lichaam was toen al versleten, de gezondheidstoestand weinig hoopgevend.

De bewindvoerder hielp hem aan onderdak, kortstondig betrok hij bij de Volksbond aan de Scheurleerweg in Amsterdam-Noord een kamer. Het werd een puinhoop, meneer Van S. gedroeg zich luidruchtig, ze lieten hem niet binnen als hij te bezopen was.

Zijn slemppartijen veroorzaakten epileptische insulten, dan lag hij stuiptrekkend op straat. Soms simuleerde hij zo’n aanval, opdat de ambulance hem naar het warme ziekenhuis zou vervoeren. Ervaren broeders kenden zijn theater, reden verder als ze zagen dat hij het was.

Van de Volksbond verkaste hij naar een gesloten afdeling van verpleeghuis Vreugdehof. Daar gebeurde wat niemand voor mogelijk hield: meneer Van S. stopte met drinken. Niet voor even, zoals wel vaker. Ditmaal was het voorgoed.

In Vreugdehof werd hij omringd door alzheimerpatiënten, mensen die er geestelijk nog slechter aan toe waren dan hij. Het Jan Bongahuis zou een betere plek voor hem zijn, daar zaten meer ex-verslaafden.

*

Kamer 2.03 is leeg, gereed voor een volgende bewoner. Alles wat er in stond, is naar het vuil gegaan, waar het in eerste instantie ook vandaan kwam, want meneer Van S. was een scharrelaar.

Eigenlijk mocht het niet maar Rowena en Ima streken over hun hart als hij weer met een bepaald voorwerp aan kwam zetten. Omdat hij zich vanaf zijn komst tamelijk netjes gedroeg, al was hij zeer zwijgzaam en negeerde hij andere bewoners volkomen, genoot hij privileges, zo mocht hij op afgesproken tijdstippen onbegeleid naar buiten.

Zijn kamer vulde zich met afgedankt meubilair en allerhande troep: bloempotten, wasmanden, pedaalemmers, oude radio’s. Op maandagen sloeg hij zijn slag, als in Geuzenveld het grofvuil wordt opgehaald. Omdat zijn lijf niet goed meer wilde, gekromd achter een rollator schuifelde hij voort, schakelde meneer Van S. passanten in om zijn buit het Bongahuis in te krijgen; op die manier wist hij onder meer een zware, gescheurde fauteuil te verschepen.

Het werd al snel te vol in de kamer, Rowena liet een regel in werking treden: iets nieuws er in, is eerst iets ouds eruit. Dat kwam de kwaliteit van de inventaris ten goede. De goudvis in de kom, die kon worden aangeschaft door een poos zuinig om te gaan met de 25 euro leefgeld in de week, vormde de bekroning van het zelfgeschapen koninkrijk van meneer Van S.

Op dinsdag en donderdag ging meneer Van S. naar de Vomar aan het Lambertus Zijlplein, waar hij met zijn afzakkende joggingbroek en ondanks de abstinentie niet slinkende bierbuik een groezelige verschijning was. Om er minder haveloos uit te zien vroeg hij Rowena zijn baard af te scheren, wekelijks haalde ze de tondeuse over zijn getaande gelaat.

Bij Vomar kocht hij cola, kaasblokjes, chocolade en shag. Tabak ging er ondanks de bij hem vastgestelde copd rap doorheen in de binnentuin of in de rokerskamer, waar hij om 7 uur ’s ochtends als een van de eersten opstak. De lekkernijen verorberde hij stilletjes op zijn kamer, starend naar de vis, de oude radio’s afgestemd op Nederlandstalige zenders.

*

Douchen deed meneer Van S. niet graag, Rowena en Ima moesten streng op hem inpraten. Bij het zien van de washand verhief hij zijn stem. Woede mondde bij hem uit in machteloos gestotter, dan klonk hij als een haperende startmotor.

Soms begon hij in het Duits te praten, of iets wat daar op leek. Tegen Rowena zei hij dat hij in het Roergebied een geslachtsziekte had opgelopen. Om de symptomen te bestrijden had een Duitse professor hem aangeraden in een emmer te urineren en de dampen op te snuiven. Deze geneeskundige truc paste hij tot afschuw van de medewerkers van het Bongahuis verschillende keren toe.

Eens in de twee maanden ging de bewindvoerder een uurtje bij hem langs om de financiën door te nemen; een wettelijke verplichting. Afgezien van de arts die hem onderzocht en van lithium voorzag, is er nooit iemand bij meneer Van S. op bezoek geweest. Eenmaal was er wat uitgebreider contact met een medebewoner: langlopende onderhandelingen over een paar laarzen dat hij op straat had gevonden en ten slotte voor 5 euro verkocht.

In de hoop op meer sociale contacten stonden Rowena en Ima hem toe op het bankje bij de ingang zijn sjekkies te roken, daar had hij om gevraagd, om direct in actie te kunnen komen als er iets rondslingerde op straat. Het voorrecht was snel weer ingetrokken, tot in de draaideur lagen peuken. Tegen de receptionist zei hij dat hij een ‘suïcide machine’ was, en bovendien de enige man ter wereld die ongesteld kon worden.

*

In oktober kreeg meneer Van S. het erg benauwd. Lopen ging niet meer, per rolstoel bewoog hij zich voort. Hij liep paars aan, kon nauwelijks uit z’n woorden komen. Het toedienen van zuurstof bracht verlichting.

Z’n lijf zwol op, meneer Van S. liep vol met vocht, hij kreeg het niet meer afgevoerd, op het laatst welde het op uit z’n poriën. In de middag van 11 november viel hij in de kamer uit de rolstoel, ze legden hem in bed, omgeven door z’n vertrouwde rommel. Hij hapte naar adem en keek naar de vis. Ze gaven hem morfine, ’s avonds was het afgelopen.

*

Maandag 22 november, 10 uur in de ochtend, de zon schijnt op begraafplaats Sint Barbara. Neeltje Maria Min heeft het gedicht geschreven, het gaat over de vis, ze is blij om van mij te horen dat hij nog in leven is. We wachten voor de aula tot de rouwwagen verschijnt, de dragers plaatsen meneer Van S. in z’n eenvoudige kist op de rolbaar.

Ik laat The Vagabond voor hem spelen, het eerste deel van de liedcyclus Songs of Travel and Other Verses van componist Ralph Vaughan Williams, een muzikale vertolking van de gelijknamige poëziebundel uit 1896 van Robert Louis Stevenson.

De landloper van Stevenson slaapt het liefst in de bosjes, zodat hij de sterren kan zien, in de herfst hoopt hij te sterven. ‘Wealth I seek not, hope nor love,’ zingt bariton Roderick Williams, ‘Nor a friend to know me.’

Omdat meneer Van S. Nederlandstalige muziek draaide, krijgt hij vervolgens Zwerver van Maarten van Rozendaal te horen, over een dakloze die koffers, dozen en tassen spaart. Op Elgars Serenade voor strijkers in e-mineur lopen we achter de kist met meneer Van S. aan naar buiten.

*

De volgende dag word ik gebeld door de broer, hij woont in Rotterdam en heeft mijn nummer van TRUP gekregen. De broer zegt dat hij een poosje is weggeweest, hij kon niet eerder reageren.

Het zal omstreeks 1995 zijn geweest dat hij meneer Van S. voor het laatst heeft gezien, hij belde bij hem aan en vroeg om 25 gulden. Meneer Van S. was toen al zwervende, maar dat was in Rotterdam, denkt de broer althans. Hij had geen idee dat er een verhuizing naar Amsterdam heeft plaatsgevonden, voor zover je in het geval van een dakloze van verhuizen kunt spreken.

De broer gaf hem het geld, iets wat de andere familieleden allang niet meer deden. Later vroeg hij zich nog weleens af wat er van zijn verwant terecht was gekomen, op internet zocht hij vergeefs naar sporen. Op jonge leeftijd is het volgens hem al misgegaan, anders dan zijn drie broers wilde meneer Van S. niet deugen. Hij spijbelde, ging voortijdig van school, hielp niet mee op de markt, trok op met foute figuren, belandde in instellingen.

Hun moeder merkte ooit eens op dat hij ergens kalmerende injecties had gekregen die volgens haar totaal verkeerd zijn gevallen want na die tijd staken hardnekkige verslavingen de kop op en werd haar jongste zoon ontzettend agressief. Op de uitvaart van zijn vader in 1996 en die van zijn moeder in 2013 is meneer Van S. niet aanwezig geweest.

De broer stuurt een door hem gemaakte foto. Rotterdam, kerstmis 1988. Meneer Van S., zonder baard en nog redelijk verzorgd, aan een met kaarsen en dennentakken versierde tafel met zijn ouders en enkele familieleden, een glas wijn in de handen. ‘In benevelde, ongeïnteresseerde toestand’, voegt de broer als bijschrift toe.

Je raapte alles op van straat
jezelf ook, of je liet je oprapen
want als iets te zwaar was dan vond
je wel iemand die het voor je deed
zoals toen met die stoel:
evenveel armen en benen als jij
maar zonder een weerbarstig hoofd
en met een houten lijf

heb je daar vaak in gezeten
je hoofd dichtbij het licht van de kom
om aan de gouden vis
je vriend en huisgenoot
je dagelijkse biecht te doen:
ik stink ik denk ik rook ik drink
ik ben zo moe, straks ben ik dood
wie zorgt er dan voor jou?

Neeltje Maria Min

Meer over