InterviewIneke Hans

‘Het lastige is dat ik het ook zo ontzettend léúk vind om een stoel te ontwerpen’

Beeld Oof Verschuren | Visagie Chris Völkers

Ontwerper Ineke Hans is zelf net zo no-nonsense als de ontwerpen waar ze om bekendstaat. ‘Ik kan af en toe heel bot zijn ja. Sorry hoor, maar sommige mensen zijn te snel op hun teentjes getrapt.’ 

Twee grote tentoonstellingen zijn er momenteel in Nederland waarin werk van ontwerper Ineke Hans te zien is. Over die in het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft ze op z’n minst gemengde gevoelens: ‘Maar ja, wat moet ik? Moet ik zeggen: godverdomme, ik ben pisnijdig, dit hadden ze gewoon niet moeten doen?’ Haar matige enthousiasme betreft de selectie die het museum maakte uit haar werk – maar daarover later meer. Ook straks: meer over haar stijlvaste haardracht, waardoor ze door een designcriticus een ‘buitenbeentje met Pippi Langkous-vlechten’ werd genoemd.

Nu eerst over die andere tentoonstelling in Museum Valkhof in Nijmegen, waarmee ze wél honderd procent in haar nopjes is. Geel als citroen, rood als tomaat is een kleurrijk overzicht van haar werk, samen met dat van kunstenaar Erik Mattijssen aan wie ze werd gekoppeld; zijn stillevens aan de wand, haar objecten in de ruimte.

Ze zijn er bijna allemaal, de ontwerpen waarmee ze beroemd geworden is en die werden aangekocht door grote internationale (design)musea: van haar stapelbare tuinstoel voor Habitat uit 1995 tot haar roze stoel uit 2020 voor Amsterdams hipste werkplek Capital C. Daartussenin: de stoere zwarte tafels en stoelen van – toen al – gerecycled plastic waarmee ze doorbrak in de jaren negentig, haar meubels voor prestigieuze fabrikanten als Cappellini en Ahrend, de gebruiksvoorwerpen – zoals haar karakteristieke knoflookpers – voor Royal VKB en Iittala.

Erik Mattijssen vertelde dat mensen tegen hem zeiden: ‘Ga je een tentoonstelling maken met Ineke Hans? Maak je borst maar nat, geen makkelijke dame om mee samen te werken.’ Je hebt de reputatie nogal ondiplomatiek te kunnen zijn.

‘Ja, dat kan zich ook heel erg tegen me keren. Het kan er de oorzaak van zijn dat je bepaalde opdrachten niet krijgt, hè. Je kunt veel beter altijd leuk en gezellig zijn, maar ik zeg het nu eenmaal snel als ik iets kut vind. Ik was onlangs bij een tentoonstelling van een kunstenaar waar iedereen lovend was over zijn werk, maar ik vond het zó erg, ik ben maar naar huis gegaan. Ik dacht: als ik hier ga zeggen wat ik vind, haal ik me alleen maar ellende op de hals.’

Waar was je?

‘Ja, nee, dat ga ik niet zeggen, maar ik vond het werk waardeloos.’

Mattijssen zei ook dat hij je een schat vond, en juist ontzettend leuk om mee te werken. 

‘Met Erik was het heel gezellig. We konden gewoon alles tegen elkaar zeggen. Ik kan inderdaad af en toe heel bot zijn, maar,’ – ze lacht – ‘ik vind dan ook dat ik gelijk heb. Sorry hoor, maar sommige mensen zijn te snel op hun teentjes getrapt.’

Ineke Hans (53), op goudkleurige Birkenstock-sandalen, zet koffie in haar werkruimte in Arnhem. Het is een oude garage met een deel vol bouwmaterialen (‘Kijk, we hebben zelfs een lashok’) en een netter deel met witte bureaus. Buiten op het terrein is haar man, beeldend kunstenaar Alphons ter Avest, bezig met een groot hekwerk dat hij in opdracht maakt; hun zoon Felix (20) studeert geneeskunde in Utrecht. ‘Wil je een boterham?’, vraagt Hans. ‘Zal ik ook thee zetten? We hebben groene, met iets van limoen.’

Op tafel ligt de catalogus van de tentoonstelling in Nijmegen, waarin staat dat Hans zich laat inspireren door de nieuwste materialen en technieken, maar ook door ‘boerenverstand, folklore en menselijk gedrag.’ Ontwerper alléén is ze al een hele tijd niet meer; ze heeft een afdeling Design & social context opgezet aan de Universität der Künste in Berlijn en organiseert debatten over de rol van de ontwerper. Die, vindt ze, zou veel beter moeten nadenken over duurzaamheid en de context waarin hij werkt.

Beeld Oof Verschuren | Visagie Chris Völkers

Eerder zei je in een interview: ‘Mijn vak is eigenlijk bezopen, want we hebben alles al.’ Maar in de catalogus van Museum Valkhof gaat het ook over ‘guilty pleasures’ en je grote genegenheid voor (foute) spullen. 

‘Je kunt zo’n hechte band hebben met spullen, hè? Er is een wand in de tentoonstelling waarin Erik en ik dierbare prulletjes hebben gezet, onze koekoekseieren noemen we die. Een ezeltje met een takkenbosje van cocktailprikkers op zijn rug, dat ik ooit op vakantie heb gekocht. Dat is totaal niet ontworpen, maar je smelt gewoon als je het ziet.’

Bestaat er eigenlijk zoiets als mooi of lelijk? Of is smaak meer een kwestie van consensus, waardoor iedereen nu een hoekbank en zwartstalen kozijnen wil?

‘Dat laatste, absoluut, wat je mooi vindt heeft vaak te maken met groepsdruk, met de mensen waarmee je je identificeert. Ik weet nog dat ik voor het eerst de Lounge Chair van Eames zag. Afgrijselijk vond ik hem, een pornostoel met dat zwarte leer, maar op de opleiding gold hij als designicoon. Ik vond toen dat ik altijd moest onthouden dat ik hem de eerste keer gewoon lelijk vond. Er is onderzoek naar gedaan: als mensen iets zeventien keer te zien krijgen, gaan ze het vanzelf mooi vinden. Dat betekent dat je ze alles kunt verkopen als je het ze maar vaak genoeg door de strot duwt, zeker als er een waas van nieuw en interessant omheen hangt.’

Ze schiet in de lach: ‘Het slaat nergens op dat ik dit verhaal vertel, maar op een gegeven moment kwam er in het dorp waar ik ben opgegroeid een Chinees. Nou, daar moest je naartoe, dat was iets bijzonders. Mijn vader op de fiets erheen om twee loempia’s te halen, ik weet het nog precies, want ik vond heel spannend. Mijn ouders snijden ze open – het was in de tijd dat er verhalen rondgingen dat Chinezen er rattenvlees in stopten – en troffen taugé aan, dat hadden ze nog nooit gezien. Mijn moeder zei: aardappelkiemen, dat kan niet goed zijn. Hup, die loempia’s gingen de bak in en mijn moeder heeft boontjes met aardappels gekookt.’

De term ‘boerenverstand’ uit de catalogus gebruik je zelf ook vaak als het om je ontwerpen gaat. Hoe zie je dat terug in je werk?

‘In het feit dat ik het nuchter en eenvoudig probeer te houden? Ja, jeetje, jij denkt dat dit makkelijke vragen zijn, maar voor een buitenstaander is dat beter te zien dan voor mij.’

Ik zie bijvoorbeeld een uitgezaagd hartje in een stoelleuning.

‘Misschien is dat een goed voorbeeld, ja. Nadat ik voor Habitat had gewerkt ontwierp ik in eigen beheer een stapelbare stoel waarvan er vier uit één plaat materiaal gemaakt kunnen worden, die plat te verpakken is en die, door een onpretentieus latje tussen de poten, extra stevig staat. Eat your heart out, noemde ik die stoel, omdat hij voor Habitat aan alle eisen zou hebben voldaan. En dan komt er zo’n hartje in als van een oude boerenpleedeur, omdat ik óók van folklore hou. Ik vind dat ik me zoiets mag permitteren, er zit altijd iets van mij in een ontwerp. Al zit het boerenverstand voor mij meer in de listigheid van het ontwerp dan in dat hartje.

‘Ik kom uit een oude wereld, hoor. Mijn familie, dat zijn allemaal boeren: mijn opa was zijn hele leven boerenknecht en mijn oma van de andere kant liep nog in klederdracht, met een knipmuts en zwarte rokken. Als je het over sustainability hebt: bij mijn oma poepte je op de plee boven de gierput, dat was pas sustainable. Zij kon prima drie uur naar de markt zonder een flesje water mee te nemen – dat bedoel ik met boerenverstand.’

Heb je als designer die op duurzaamheid hamert inmiddels niet een soort haat-liefdeverhouding met je vak?

‘Ik ken bijna geen ontwerper die zich níét afvraagt: moeten we nog wel nieuwe stoelen ontwerpen? En soms moet je concluderen: nee, het beste is om dat gewoon niet te doen. Het lastige is dat ik het ook zo ontzettend léúk vind om een stoel te ontwerpen. Dus als ik het doe, ga ik wel uitvoerig met de fabrikant in gesprek over de impact van dat ding.’

Ze is goed met ‘mannetjes’, zegt Hans, bouwvakkers, techneuten, de mannen in de meubelfabrieken waar ze komt. ‘Eerst zie ik ze denken: gaat die griet met die vlechten ons vertellen wat we moeten doen? Maar als ze ontdekken dat ik weet waarover ik praat, dat ik kan lassen, dat ik kan slijpen, dan gaat het altijd prima. Ik kan sowieso beter met mannen dan met vrouwen. Met mannen kun je makkelijker domme grappen maken.’

Toen ik je mailde of ik een vriendin van je mocht bellen voor een voorgesprekje, mailde je terug: ‘Ik heb geen vriendinnen buiten het vak, klinkt dat erg treurig?’

‘Je hoort altijd van vrouwen dat ze hartsvriendinnen hebben met wie ze alles delen – die heb ik niet, nee, en daar heb ik ook geen behoefte aan. Ik kan met Alphons alles bespreken, we hebben het hartstikke leuk. En ik heb wel veel leuke vrienden, over heel de wereld. Veel designgerelateerd, ja.’ Grinnikt: ‘Dat is wel een beetje sneu.’

Ben je een workaholic? 

‘Ik hou erg van mijn werk, ja, ik ben eigenlijk altijd van acht uur ’s ochtends tot twee uur ’s nachts met mijn vak bezig geweest. Pas de laatste jaren wordt dat wat minder. Hobby’s heb ik niet. Ja, schaatsen op natuurijs, maar dat kan bijna nooit, dus dat is een goed excuus.’

Ineke Hans groeide op in Zelhem en woont ook nu nog deels in Gelderland, in Arnhem, waar ze de kunstacademie deed. Daarna ging ze, begin 20, naar de Royal College of Arts in Londen voor een master furniture design, waarna ze voor woonwarenhuis Habitat ging werken. Na vijf jaar keerde ze terug naar Nederland en begon haar eigen ontwerpstudio.

Beeld Oof Verschuren | Visagie Chris Völkers

Wilde je als meisje al ontwerper worden?

‘Elke vakantie ging ik mijn kamer opnieuw inrichten en er meubeltjes voor ontwerpen, ik heb er nog stapels tekeningen van. Het zat er dus al jong in, ja, maar ik wist toen helemaal niet dat ontwerper een vak was. Ik zou veearts worden, dat vonden mijn ouders een mooi beroep. Het was best een schok voor ze dat ik naar de kunstacademie ging.

‘Ik liep stage bij Bořek Šípek. Toen een grote naam in design, nu weet geen van mijn studenten meer wie hij is. Wás, want hij is inmiddels dood, een flamboyante figuur was het. Ik weet nog dat hij naar Vitra ging, het designlabel, en dan terugkwam met verhalen over twee andere ontwerpers; de een zat alleen maar motoren te tekenen, de ander blote vrouwen. Dat waren Philippe Starck en Ron Arad, haha (beroemde ontwerpers, red.). Toen dacht ik: dat kan ik ook.’

Wat dacht je dat je ook kon?

‘Ontwerper worden. Ik dacht: als het zo makkelijk is, dan kan ik het ook. Het scheelde dat Šípek mij heel serieus nam. Hij leerde me beseffen dat ik echt iets kón. Bij Habitat later was ik een soort kip met gouden eieren. Je gooide er een kwartje in en ik tekende vijftig ontwerpen, waarvan er uiteindelijk drie werden gemaakt.’

Ze laat meubelontwerpen uit haar begintijd zien die zich kenmerken door een grote soberheid: strakke lijnen, weinig poespas, ‘het zijn haast pictogrammen. Ik kwam natuurlijk voort uit het Nederlandse onderwijs, dat heel conceptueel was, en zelf hou ik bijvoorbeeld ook erg van Rietveld, van eenvoud en functionaliteit – heel dienend, eigenlijk. Maar in Londen leerde ik dat dingen ook esthetisch mogen zijn. Rietveld zei: zitten is een werkwoord – op die plankenstoel van hem. In Londen snapten ze daar niets van. Je zit slechts 300 kilometer verderop en de wereld ziet er al totaal anders uit. Wat me ook weer zegt dat er niet zoiets is als een universele standaard voor mooi of lelijk – wat jij mooi vindt is heel wat anders dan wat ik mooi vind. Het heeft alles te maken met je peer group en je persoonlijke geschiedenis.’

En met je sekse? Het viel me op dat een mannelijke designcriticus je nogal honend ‘meisjesachtig gedroedel’ verwijt.

‘Waar heeft-ie het dan over? Wat had ik gemaakt?’

Hij schrijft dat over je ‘voorliefde voor bloemdecoraties’, die hij niet geslaagd vindt.

‘Hm, ja, dat kan. Dat is niet positief bedoeld, hè, meisjesachtig gedroedel. Maar voor mij hebben die bloemdecoraties weer met folklore te maken, dat is een soort intrinsiek deel van mij. Ik heb daar een tijdje mee gezeten, ik dacht zelf ook: klopt het wel bij die stoere, functionele ontwerpen van mij? Hier om de hoek staat een beeld van Klaas Gubbels, hij maakt altijd dezelfde koffiepot. Maar ik heb besloten dat ik het me mag permitteren om telkens op avontuur te gaan. Ik wil geen slaaf zijn van mijn eigen handschrift. Ik ben er eigenlijk wel trots op dat een ontwerp van mij er steeds anders uit kan zien.’

Tegelijkertijd schrijf je in de catalogus van je tentoonstelling in Museum Valkhof: ‘Toen mijn collectie kindermeubels klaar was heb ik getwijfeld om hem uit te brengen. In tegenstelling tot mannelijke collega’s die kindermeubels uitbrengen was ik bang dat het van mij als vrouw als té rolbevestigend zou worden ervaren.’

‘Ja, dat heb ik echt gedacht. Maar ik had er een jaar aan gewerkt en het waren goeie dingen geworden, dus ik heb ze toch uitgebracht.’

Wat vind je er dan van dat in het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat een overzicht brengt van 125 jaar Nederlands design, van al jouw werk alleen maar drie kinderdingen zijn gekozen?

‘Lullig hè? Ze hebben daar ook een heleboel ander werk van mij. Ik had het natuurlijk leuker gevonden als er ook gewoon een vet industrieel ding van me had gestaan.’ Er ontsnapt haar een hartgrondige vloek – zie de eerste alinea van dit interview. Dan, relativerend: ‘Ik kan er wel boos over worden, maar voor zo’n tentoonstelling moeten natuurlijk keuzes gemaakt worden en ik vind het al heel eervol dat het Stedelijk bijna dertig ontwerpen van me heeft. In de laatste zaal komt bovendien de scheve man-vrouwverhouding in de designwereld aan de orde en zijn mijn Seven chairs in seven days groot afgebeeld naast werk van Hella Jongerius en Claudy Jongstra.’

Als je over het wel of niet uitbrengen van kindermeubels twijfelt, kan ik me ook voorstellen dat je over je vlechten nadenkt. Heb je daarvan nooit gedacht: dat is misschien te meisjesachtig, dat moet ik niet doen?

‘Nee, die vlechten zijn puur praktisch, zo komt mijn haar niet in de boormachine.’

Je kunt het ook in een staart doen. Het is natuurlijk ook een handelsmerk.

‘Dat is het wel geworden, ja, inmiddels.’ 

Beeld Oof Verschuren | Visagie Chris Völkers

Tegelijkertijd ben je bijna one of the guys

‘Ja, ik kan al heel goed meedoen in een mannenwereld, dan hoef ik er niet ook nog als een man uit te zien. Misschien is het dát. Ik kan mezelf niet helemaal verklaren, het spijt me, ik zou het graag voor je doen. Er zijn ook mannen met knotjes, ik weet niet – ik word nu melig, hoor.’

Het gesprek komt op seksisme in de designwereld, ‘een lastig onderwerp om over te praten’, zegt Hans. ‘Het lijkt al gauw klagen en dan sta je weer met 1-0 achter. Dus ik heb altijd gedacht: niet zeuren, dóén. Aan de andere kant heerst dat idee van ‘niet te veel over praten’ wel bij heel veel vrouwen. Zo verandert er natuurlijk niks.’

Over de combinatie werk en moederschap is ze stellig: veel vrouwen laten zich te veel opslokken door hun gezin, vindt ze. Zelf is ze in 2015 voor een paar jaar terug naar Londen gegaan om te werken en debatten over design te leiden, terwijl man en zoon in Arnhem bleven. ‘Via Facetime kun je ook heel gezellig met zijn drieën ontbijten.’ Nu woont ze deels in Berlijn. ‘In Duitsland hebben studentes de neiging om jong kinderen te krijgen, maar ik zeg altijd: honden en kinderen komen er niet in, in mijn klas. Er zijn meer meisjes op academies dan jongens, en in het werkveld een paar jaar later is het precies andersom. Ik kan me er kapot aan ergeren dat vrouwen zich zo makkelijk laten wegstoppen als ze eenmaal kinderen hebben. Zonde van de investering, laten ze dan hun collegegeld maar terugbetalen – het is heel fout hè, dat ik dit zeg. Maar ik vind het erg dat er zoveel talent verloren gaat.’

Over talent gesproken: wat is, denk je, jouw kracht?

‘Ik hou ervan oplossingen te verzinnen, dat is waar ontwerpen in wezen over gaat. Oplossingen voor dagelijkse en complexe problemen: wat is een praktische werk/eettafel nu we allemaal thuis werken, woonruimte duurder en kleiner wordt en niemand meer én een eettafel én een salontafel én een werktafel heeft? Ik heb servies ontworpen om mee op de bank voor de tv te eten. De wereld verandert, het heeft geen zin om dezelfde dingen te ontwerpen als twintig jaar geleden. Ik wil vooruit.’

Ze vertelt over de 3 S’en die haar werk lang definieerden: solve (oplossen van problemen), stretch (werken met nieuwe materialen en technieken) en sign (een signaal over de functie). Daar is een vierde S bijgekomen. ‘De S van, het klinkt misschien pathetisch, save of social. Ik heb een project gedaan op het Canadese eiland Fogo waarmee de maakindustrie daar nieuw leven werd ingeblazen. Het was geweldig met die mensen te werken, dat zijn de projecten die ik nu het liefst doe.’ 

Minder spullen, meer bewustwording?

‘In Londen heb ik debatten georganiseerd over de toekomst van design en de veranderende rol van de ontwerper. Daar heb ik een tentoonstelling aan gekoppeld waarin ik flink met het vingertje heb gezwaaid. Dat heb ik de laatste jaren veel gedaan, met het vingertje zwaaien. De tentoonstelling nu, in Nijmegen, is weer heel anders, daar zit een soort lichtheid en vrolijkheid in waar ik ook erg van hou. Zie je: ik gun mezelf weer een nieuw avontuur.’

CV Ineke Hans

18 november 1966 Geboren in Zelhem

1991 Studeert af in productontwerp aan hogeschool Artez in Arnhem

1995 Studeert af in meubeldesign aan de Royal College of Art in Londen

1998 Begint ontwerpstudio in Arnhem, werkt sindsdien voor fabrikanten als Ahrend, Arco, Iittala, Offecct, Magis en Lensvelt

2003 Eerste solotentoonstelling van haar werk, Gemeentemuseum Den Haag

2005 Ontvangt eerste designprijs, Red Dot Award voor knoflookpers

2010 Tentoonstelling Mind Sets in Museum Arnhem

2015 Vestigt zich deels in Londen om vanuit daar te werken en debatten over design te organiseren

2017 Publicatie Explore & Act, pamflet over de toekomst van design

2019 Verhuist deels naar Berlijn voor lectoraat Design & Social Context aan de Universität der Künste

2020 De tentoonstelling Geel als citroen, rood als tomaat met werk van Ineke Hans en Erik Mattijssen, t/m 31 januari 2021 te zien in Museum Valkhof, Nijmegen

Ineke Hans is getrouwd, heeft een zoon van 20 en woont (deels) in Arnhem

Oproep

Op 7 november verschijnt het 1.000ste nummer van Volkskrant Magazine. Daarin maken we ruimte voor u! We kunnen uw enthousiasme gebruiken bij een van deze onderwerpen:

- Maak een foto van uw zaterdagochtendmoment met het magazine. Die foto’s willen we graag laten zien.

- Schrijf een column in de stijl van Eva Hoeke. Eva kiest een winnende column, die we publiceren met haar commentaar.

- Spreek u uit: welk moderne verschijnsel moet er wég? Met uw reacties maken wij een aflevering van onze slotrubriek ‘Laat het stoppen’.

Mail voor maandag 19 oktober uw reacties naar 1000@volkskrant.nl en zet in de onderwerpregel: foto, column of stop.

(Meerdere inzendingen in losse mails)

Meer over