Het idioom van de twijfel IN HAAR BRIEVEN IS MARIANNE MOORE DICHTBIJ EN TOCH VERAF

DE POEZIE van de Amerikaanse dichteres Marianne Moore (1887-1972) blijft zo origineel dat het na bijna een eeuw pijnlijk is om haar te lezen....

Haar regels klinken - een enkele uitzondering daargelaten - niet door in het hoofd van de lezer. Haar beschrijvingen zijn nauwkeurig en vaak gedetailleerd, maar ze gebruikt termen die je steeds opnieuw moet combineren, beelden die elkaar nauwelijks lijken te verdragen. Dit zijn de teksten van een vrouw die afstand bewaart, spaarzame en minutieus uitgewerkte boodschappen die ontroeren omdat ze niet roepen, niet verleiden. Ze zijn alleen maar heel mooi.

Haar verzamelde gedichten verschenen in 1967, een klein boek dat in feite een geselecteerd oeuvre bevat, een momentopname. Hier geeft ze de definitieve versie van alle gedichten die ze voor het nageslacht wilde bewaren. Een wetenschappelijke editie met alle varianten en al het ongepubliceerde materiaal wordt tot op de dag van vandaag door de rechthebbenden geblokkeerd, zodat de termen voor een evaluatie van haar dichterschap grotendeels ontbreken. Marianne Moore blijft een moeilijk te benaderen grootheid in de moderne poëzie.

De publicatie van haar verzameld proza (in 1986) veranderde weinig aan dat beeld, want haar essays zijn in veel gevallen zeker zo origineel als haar poëzie. Ze schrijft met een instinctief gevoel voor de andersoortigheid van

Yeats of Cummings, en daardoor zegt ze voortdurend essentiële dingen over de ontmoeting tussen lezer en werk. Het is geen loze kreet wanneer ze schrijft: 'Het fenomeen van Dante in zijn diepste wezen bevatten is voor velen van ons waarschijnlijk niet weggelegd, omdat we niet in staat zijn krachten te herkennen waardoor we niet zelf onbewust worden voortgedreven.'

Sinds kort is er The Selected Letters of Marianne Moore, een selectie uit haar kennelijk volumineuze correspondentie, en je begint daarin te lezen met een zekere aarzeling. Vaak vertegenwoordigt zo'n correspondentie een literair-historisch belang, hetgeen wil zeggen dat de brieven de kiem zijn van een omvangrijke secundaire literatuur. In deze documenten vindt de geïnteresseerde lezer sporen die Marianne Moore dichterbij brengen, die haar kwetsbaar maken voor de universele neiging dissidente geesten te neutraliseren.

In een brief uit 1910 aan haar moeder en haar broer schrijft ze: 'Ik heb zeven vrijers. Wat denken jullie daarvan? Het zijn allemaal dandy's.' Wie dat leest, wordt herinnerd aan haar essay over de brieven van Emily Dickinson, waarin ze schrijft: 'Hoewel onschuld immuun is voor verraad of nieuwsgierigheid, heeft men er toch bezwaar tegen deelgenoot te zijn van een gevoel dat uitsluitend voor iemand anders was bedoeld; we zijn blij dat het geheim van Emily Dickinson door haarzelf wordt onthuld.'

Voor literair-wetenschappelijke vorsers is deze selectie een frustrerend boek, wegens het chronische tekort aan verklarende voetnoten en een aantal onverklaarbare omissies (vooral in de brieven aan Elizabeth Bishop). Ergens op een Amerikaanse universiteit is iemand hopelijk bezig aan edities van complete briefwisselingen: niet alleen Moore-Bishop, maar ook de correspondentie tussen Moore en Ezra Pound, Wallace Stevens, T.S. Eliot, William Carlos Williams, H.D. en Bryher. Moore voerde een continue dialoog met vrijwel iedereen die in het begin van deze eeuw in Amerika belangrijke poëzie schreef.

Van al die brieven krijgen we hier een minimale selectie, die toch gemakkelijk vijfhonderd pagina's in beslag neemt. Je durft na lezing bijna niet te vermoeden dat het andere materiaal van hetzelfde niveau is; dat zou betekenen dat we een van de grootste epistolaire talenten van deze eeuw hebben ontdekt.

Meer dan een biografie biedt de correspondentie (of het dagboek) van een auteur de lezer alle complicaties van een literair karakter. Geen enkele interpretatie van het primaire materiaal doet recht aan de rauwe waarheid die daarin is neergelegd. In brieven of dagboeken is de taal minder abstract, minder losgemaakt van dagelijkse indrukken; hier vinden we het idioom en de grammatica van de verwarring, van de twijfel. In de brieven van Moore aan haar moeder en haar broer speelt ze mooie spelletjes met rolwisselingen en bijnamen, zo mooi dat het een code wordt, een manier om gevoelige kwesties speels en vooral beschaafd te bespreken.

Op de dag dat haar moeder, met wie ze een groot deel van haar leven heeft doorgebracht, sterft, schrijft ze (inmiddels 60) een brief aan haar vriendin Louise Crane. Daarin zegt ze: 'Het mag nu lijken alsof we meer dan ooit behoefte hebben aan hulp, maar het tegendeel is waar.'

Haar vermogen ook in de zwaarste omstandigheden vast te houden aan een bepaalde stijl is niet zozeer een psychologisch als wel een literair gegeven. Het illustreert dat deze brieven een eigen leven moeten leiden, naast de gedichten en naast de essays. De zorg die ze heeft voor vrienden en familieleden, het medeleven waarvan ze blijk geeft als er iets ergs is gebeurd, het is allereerst een kwestie van formulering: ze zoekt en ze vindt woorden om een voor ons onnaspeurbaar gevoel te uiten. Dit werpt de lezer van haar brieven voortdurend terug op zichzelf; je merkt dat ze eerlijk is, maar je kunt die eerlijkheid niet los zien van haar hooggestemde zinnen, haar virtuoze taal. Het maakt haar, ondanks alle ontboezemingen, ongenaakbaar.

Het is mogelijk in dit boek het leven van Moore te volgen, met hier en daar kortere of langere interrupties. We maken haar mee als studente aan het fameuze Bryn Mawr College, vanwaar ze hartstochtelijke brieven aan haar moeder en haar broer schrijft. Ze maakt reisjes naar New York, komt in aanraking met de modernistische kunstenaars uit de beginjaren van deze eeuw, en betrekt met haar moeder een appartement aan St. Luke's Place in Greenwich Village. Die jaren zijn uit cultuurhistorisch oogpunt zeer interessant, omdat het Amerikaanse modernisme zo'n gecompliceerd fenomeen is - en omdat Moore daarin, meer dan menigeen, haar onafhankelijkheid wist te bewaren. Haar brieven uit de jaren tien en twintig zijn in bepaalde opzichten moediger en volwassener dan die uit latere fasen van haar leven, toen ze een reputatie had op te houden.

Moore laat zich kennen als een aanhangster van de republikein Herbert Hoover, en zegt hier en daar vileine dingen over diens grote progressieve tegenstander in de jaren dertig, de latere president Franklin Roosevelt. Ze heeft het over diens allianties met Hearst en met racistische politici in het zuiden; het is tekenend voor haar rechtlijnigheid en haar zuivere visie dat ze zich weinig aantrok van de gangbare mening onder de progressieven en intellectuelen van toen, die voor het merendeel zeer enthousiast waren over FDR.

In het geheel van het boek is dit soort politieke uitspraken allerminst bepalend voor de toon. Marianne Moore komt naar voren als een eigengereide vrouw, maar ze mengt zich nauwelijks in de grote debatten van de jaren dertig. Ze gaat naar een lezing van Yeats en doet daarvan verslag in een prachtige brief aan haar broer; wie kan zo simpel en tegelijk zo briljant de grootheid van Yeats, de complicaties van de Ierse zaak en alles wat aan dat al betrekkelijk is, met elkaar verweven? Ze komt thuis en haar moeder stelt vast dat ze de hele avond met een vervelende vlek op haar jurk heeft rondgelopen - een moment waarop Moore ineens verbijsterend gewoon blijkt te zijn.

Moore is, zoals gezegd, zeer gedetailleerd en nauwkeurig in haar beschrijvingen. Ze geeft impressies van de eerste filmvoorstellingen, van het berglandschap in de buurt van Carlisle, Pennsylvania, van de geschenken en de geschenkjes die ze van deze en gene ontvangt, en - opvallend genoeg - van verschillende slangen. Ze is mateloos gefascineerd door het lange gedicht van D.H. Lawrence over de slang die komt drinken uit zijn waterbekken, en natuurlijk laat ze het beest terugkomen in haar eigen Snakes, Mongooses, Snake-charmers and the Like. Je beseft dat het haar ideale onderwerp is: de slang als de belichaming van het Andere te benaderen, te omcirkelen, maar nimmer te bevatten.

Het talent van Moore om dichtbij te zijn en toch heel veraf, doet zich het sterkste voelen in de brieven aan Elizabeth Bishop. Over deze verhouding is een studie te schrijven, hetgeen in aanzet is gedaan door David Kalstone, in diens postuum gepubliceerde (en onvoltooide) Becoming a Poet (The Hogarth Press). Toch is ook hier het primaire materiaal ver te prefereren boven elke interpretatie daarvan. Het commentaar van Moore op werk dat Bishop haar stuurt, geeft voortdurend aanleiding de betreffende gedichten te lezen en te herlezen; de zijpaden die de dames bewandelen brengen je bij anderen (Wallace Stevens, Kipling, Auden) en je zit constant met twee boeken op schoot: deze selectie uit de brieven van Moore en Bishops One Art - Letters Selected and Edited by Robert Giroux.

Het merkwaardigste van alles is echter het zinnetje dat in allerlei varianten terugkeert: 'Don't conceal anything, Elizabeth.' Aanvankelijk lees je er overheen, maar dan besef je wie het opschrijft. Verberg niets. Dit boek is een geschenk.

Frank van Dixhoorn

Bonnie Costello (editor): The Selected Letters of Marianne Moore.

Knopf, import Nilsson & Lamm; 544 pagina's; ¿ 81,10.

ISBN 0 679 43909 9.

Meer over