InterviewJe kunt het maar één keer doen

‘Het ging niet per dag slechter met hem, maar per uur’

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Beeld Krista van der Niet

Poppo Vos (69, eigenaar klachtenbureau jeugdzorg) overleed in 2016 aan de gevolgen van long- en darmkanker. Hij was getrouwd en had met zijn ex-vrouw twee kinderen, Jonathan (40) en Valentina (33).

Valentina: ‘Mijn vader was een man van tegenstellingen: enerzijds was hij zacht en lief, een heel goede vader, anderzijds was hij ook een beetje een rotzak. Hij ging altijd vreemd. Ik werd als kind meegenomen naar andere vrouwen en ik wist niet precies hoe het zat, maar ik wist wel dat als ik dit aan mama zou vertellen het haar pijn zou doen. Mijn vader was een onwijze charmeur, een echte Maastrichtenaar. Heel bourgondisch. Hij dronk en rookte veel.

Toen mijn ouders 25 jaar getrouwd waren, gingen we met het gezin een weekendje naar Amsterdam en voor mijn moeder was dat het symbolische einde. Ze vergaf het hem elke keer, maar op een gegeven moment had ze een limiet gesteld. Als hij weer een vriendin zou hebben, zou ze het niet langer accepteren. En er kwam een volgende vriendin, dus toen was ze er klaar mee. Met die vrouw is mijn vader samengebleven. Ik was 18 toen mijn moeder met mijn stiefvader trouwde en op dat moment gingen mijn ouders officieel scheiden. Maar ze zijn altijd de aller-, aller-, allerbeste vrienden gebleven. Ik kon niets aan mijn moeder of vader vertellen, want ze wisten alles al van elkaar.

Mijn vader kwam vaak naar mij in Amsterdam toe, want dan had ik hem even voor mezelf zonder zijn vrouw erbij. Op een gegeven moment kon hij niet meer komen omdat hij constant naar het toilet moest. Hij had zoveel last van diarree dat hij niet meer tweeënhalf uur in de trein kon zitten. We dachten allemaal dat het kwam omdat hij zoveel dronk.

Rond de Kerst, vierenhalf jaar geleden, kon hij opeens helemaal niet meer naar het toilet. Hij kreeg veel last van zijn buik en werd daar erg naar van. Ik kreeg van mijn moeder een appje: ‘Niet schrikken, maar papa ligt in het ziekenhuis. Morgenochtend gaan ze allerlei onderzoeken doen.’ De dag erna had ik toevallig een afspraak in Maastricht en zou aansluitend gaan lunchen met mijn vader. In plaats daarvan ging ik naar het ziekenhuis. De vrouw van mijn vader kwam me tegemoetlopen en zei: ‘Je moet niet schrikken, maar je vader is heel veel afgevallen.’ Ik had hem drie, vier weken niet gezien. Ik liep die kamer op en schrok me kapot. Hij was zo dun en oud, en helemaal verschrompeld, hij zwom in zijn broek. Op het moment dat ik hem vastpakte, kwamen er drie artsen de kamer binnen met uitslagen. Ik zei dat ik zou wachten op de gang. Toen de artsen de kamer uitkwamen, keek ik de kamer in en zag dat ze elkaar huilend vasthielden. Ik liep naar binnen en toen mijn vader mij zag, zei hij: ‘Het houdt op, het is over.’ Hij had longkanker en darmkanker met overal uitzaaiingen. In de hersenen, overal, alles. Op dat moment kwam een lieve zuster binnen die met een zwaar Maastrichts accent zei: ‘Nou meneer Vos, dat was niet wat we hoopten, hè? We gaan zorgen dat de tijd die u nog heeft, zonder pijn zal zijn.’

Valentina Vos en haar vader.Beeld Jonathan Vos

Diezelfde avond was mijn vader alweer thuis en zijn we met de hele familie bij elkaar gekomen. Mijn vader zat op de bank, hij is nooit gaan liggen. Hij huilde even, maar herpakte zich snel. Hij zei: ‘Ik heb een supermooi leven gehad. Ik heb heel veel gedaan en heel veel gezien. Ik heb de mooiste kinderen van de wereld, die supergoed zijn terechtgekomen.’ Hij was extreem rustig.

Ik besloot zo veel mogelijk tijd bij hem door te brengen. Mijn vader was zo goed voor mij geweest, dit was het laatste wat ik voor hem kon doen. Het ging niet per dag slechter met hem, maar per uur. Toen ik hoorde dat hij in het ziekenhuis lag, hoopte ik dat ik nog met hem naar New York zou kunnen gaan. Daarna was het mijn droom dat hij nog één keer naar Amsterdam zou komen. De laatste wens die ik had was dat we nog één keer kroketten op witbrood zouden kunnen eten. Hoewel hij daarvoor eigenlijk al te zwak was, zijn we nog een keer gaan lunchen. Dat heeft hij duizend procent voor mij gedaan.

Toen hij pijn begon te krijgen, kwamen de longarts en de huisarts. Er werd gesproken over morfine en complicaties. De artsen hadden het steeds over maanden. Hoe doen we het met de pijnbestrijding de komende maanden? De week erna had ik een paar belangrijke fotografieopdrachten in Amsterdam. Het voelde niet goed om zaterdag weg te gaan maar dan zou ik woensdagavond meteen teruggaan naar Maastricht en daar blijven. Alles in me zei nee, maar mijn vader zei ja, mijn moeder zei ja en de dokters hadden het over maanden. Dus heb ik me toch laten overhalen.

Woensdagochtend om half 6 werd ik gebeld door zijn vrouw: ‘Je moet nu komen.’ Een halfuur later zat ik in de trein. Toen de trein reed, belde mijn broer: ‘Je moet tegen papa zeggen dat je van hem houdt’. Hij hield de telefoon bij zijn oor. Mijn vader was erg onverstaanbaar maar ik kon ontcijferen dat hij zei: ‘Lieverd, ik hou van je.’ Ik antwoordde: ‘Ik hou ook van jou. Ik hoop dat je op me kunt wachten. Maar als je niet kunt wachten, moet je gaan.’ Ik wist op dat moment niet dat er een arts naast hem stond, met een spuit in de hand.

Mijn vader was die nacht naar het toilet gegaan en zag in de spiegel dat zijn hele gezicht rood en opgezwollen was. In zijn nek zat een tumor die zijn ader was gaan afknellen waardoor zijn hoofd op springen stond. De arts moest daardoor heel snel handelen.

Toen mijn broer binnenkwam, trof hij mijn vader zittend op de bank aan met de arts ernaast, die zei dat hij mijn vader moest laten inslapen. Waarop mijn broer antwoordde: ‘Nee, dat kan niet, mijn zusje is nog onderweg!’ Ze hebben uitgerekend dat als ik de trein van 6 uur had genomen, er kwart voor 9 zou zijn. De dokter zei dat hij absoluut niet zo lang kon wachten. Daarop heeft mijn broer mij gebeld. Toen de dokter even later tegen mijn vader zei dat hij hem een spuitje moest geven, zei mijn vader: ‘Ik moet op mijn dochter wachten.’

Op het moment dat ik de trein uitkwam, stonden mijn broer en mijn moeder op het perron. Ik zei niets, maar mijn gezicht vroeg: leeft hij nog? Mijn broer schudde met zijn hoofd.

Ik wou dat ik nooit was weggegaan. Aan alles had ik gevoeld dat het geen goed idee was om weg te gaan. Dat maakt het zo zuur. Ik ben er zo met hem ingegaan, ben zo veel bij hem geweest. Al zijn bloedzakdoeken heb ik gewassen en gestreken. Maar op hét moment was ik er gewoon niet. Mensen zeggen om me te troosten dat mijn vader het misschien zo had gewild. Nee dus. Hij vroeg om me, hij heeft tegen die arts gezegd: ‘Ik wil op mijn dochter wachten.’ Naast het verdriet ben ik zo boos op mezelf geweest. Ik had daar moeten zijn.’

Van Barbara van Beukering verscheen begin dit jaar het boek Je kunt het maar één keer doen. 

Meer over