interviewnausicaa marbe

‘Het beeld dat ik van Nederlanders had, heeft tijdens de pandemie een deuk opgelopen’

Nausicaa Marbe Beeld Maarten Delobel
Nausicaa MarbeBeeld Maarten Delobel

De angst die schrijver en columnist Nausicaa Marbe (58) voelde bij het uitbreken van de coronapandemie, riep herinneringen op aan haar jeugd in communistisch Roemenië. Daar kwam een boek met memoires uit voort, Wachten op het Westen.

Sara Berkeljon

Nausicaa Marbe (58) ging na het uitbreken van de pandemie braaf twee zomers in haar tuin op vakantie en draagt nog steeds een mondkapje in de supermarkt. De schrijver en Telegraaf-columnist was een trouw volger van de coronaregels. ‘En ik ben ook de trut die in de biologische supermarkt klanten zonder mondkapje ging aanspreken, soms tot ruzie aan toe. Wat zij zeiden was: ik maak zelf uit wat ik draag, ik maak zelf uit of dit virus gevaarlijk is. Ik, ik, ik, ik. Je kunt ze niet aan het verstand peuteren dat een pandemie per definitie een kwestie is van wij, en niet van ik.’

Er ontstonden echt ruzies in de supermarkt?

‘Jaha, want ik ga door. Ik ben niet op mijn mondje gevallen. Wat ze ook tegen me zeggen, ik heb een repliek. Soms duurde het tien minuten, of de winkelmanager kwam erbij om te vragen of we het gesprek alstublieft buiten wilden voortzetten. Ik moest mezelf leren beheersen, want ik bracht er anderen mee in verlegenheid.’

Het begin van de pandemie appelleerde bij Marbe (spreek uit: Marbé) aan ‘primaire angsten’, zegt ze. Angsten met een oorsprong in het communistische Roemenië waar ze werd geboren en tot haar 19de woonde. De pandemie wierp haar terug in de tijd, en daar kwam een boek uit voort, Wachten op het Westen, memoires van dat eerste deel van haar leven, dat ondanks repressie en onvrijheid toch gelukkig was.

‘De isolatie en de lege schappen deden me aan mijn jeugd denken. Ik kan het niet logisch verklaren. Het greep me bij keel: stel je voor dat ik terugval in de tijd. Want ineens zag ik in Nederland, mijn gedroomde land, waar ik op mijn 19de naartoe kwam om de politieke terreur en uitzichtloosheid in Roemenië te ontvluchten, lege schappen, gesloten grenzen en paniek in ziekenhuizen – dingen die ik kende uit mijn jeugd. Mijn dochter, die 19 was in 2020, kwam in een gesloten wereld terecht, terwijl de wereld voor mij op die leeftijd juist openging. Het was alsof ik ons door de tijd zag reizen, mijn dochter op weg naar een donkere periode zonder perspectief, en mijn eigen 19-jarige zelf, op weg naar vrijheid en licht. Ik leef al veertig jaar in Nederland, maar het besef dat het misschien allemaal niet zo vanzelfsprekend is, is bij mij nooit weggeweest. Omdat ik negentien jaar op die vrijheid heb moeten wachten.’

Maakt een jeugd zoals die van jou een mens beter bestand tegen ingrijpende gebeurtenissen, zoals de uitbraak van een pandemie?

‘Dat denk ik wel. Ik dacht: ik heb erger meegemaakt. Ik ben geoefend in overleven. Ik was bezorgd om hoe mijn gezin zou reageren, mijn Nederlandse man, mijn Nederlandse kinderen, mijn Nederlandse schoonvader van 90. Ik zag wat er in China gebeurde: iets onverklaarbaars, waarover paniek ontstond. Ik ben vanuit mijn verleden getraind in het kijken naar Rusland en China, en ik weet: als de Chinezen zoiets niet verborgen kunnen houden, sterker nog, als ze openlijk ziekenhuizen uit de grond stampen en aan de bel trekken bij de WHO, dan is het ernstig, heel ernstig. Hier deed iedereen er lacherig over. Terwijl ik dacht: jongens, dit wordt heel erg. Ik ben in die weken meteen begonnen met het schrijven van mijn boek. Ook om aan mijn geliefden duidelijk te maken: het kán wel. Je kunt door een moeilijke periode komen.’

Sprak je over je jeugd dan nooit met je geliefden?

‘Nee, ik vertel het verhaal van mijn jeugd niet dagelijks. Het kwam weleens ter sprake, maar ik waakte ervoor dat ik geen moraliserende Oost-Europeaan werd, die elke moeilijkheid bagatelliseert door de vergelijking met iets dat nog veel moeilijker is geweest. Ik had mijn leven in Nederland, ik was niet meer dat 19-jarige meisje dat zit te wachten op verlossing.’

Je boek gaat ook over hoe je onder vreselijke omstandigheden toch gelukkig kunt zijn.

‘Wat ik me in die eerste pandemiedagen ineens herinnerde, is dat ik in ultieme onvrijheid had geleefd, met niet één of een paar dagen lege schappen, maar altijd, en niet één jaar dichte grenzen, maar altijd – en dat in een politieke context van onderdrukking. Toch ben ik heel gelukkig geweest. Ik ben, toen ik aan dit boek begon, schoolvrienden gaan bellen en vroeg ze: ben ik geschift of waren jullie óók gelukkig in dat verschrikkelijke communisme? En het antwoord was volmondig: ja. Tenminste, onder de vrienden die goede relaties met hun ouders hadden, zoals ik. In de Oost-Europese literatuur wemelt het er natuurlijk van, mensen die geluk vinden onder erbarmelijke omstandigheden, zelfs tot in de goelag. Kennelijk hebben mensen vrijwel altijd het vermogen om geluk te zoeken en te vinden, het als reddingsboei te gebruiken.’

Niet iedereen is daartoe in staat. Je vader, bijvoorbeeld, was niet gelukkig.

‘Mijn vader was depressief. Hij was gelukkig met mijn moeder en met mij. Hij lag niet als een zwarte steen in een hoek van de kamer onze levensvreugde te vergallen, maar hij was wel getekend. Mijn vader kwam uit een rijke familie. Zijn vader was advocaat en sociaal-democratisch politicus. Mijn vader erfde alles, land en boerderijen, maar werd onteigend. Hij mocht niet meer studeren. Met zijn moeder belandde hij op straat en van daaruit heeft hij zijn leven weer opgebouwd. Hij was een geweldige schrijver en journalist, maar zijn kansen zijn hem ontnomen, omdat hij als erfgenaam van een grootgrondbezitter op de zwarte lijst stond. Hij had alleen carrière kunnen maken als hij zich had geconformeerd aan de partijlijn en dat was compleet tegen zijn natuur. Rond zijn 40ste kreeg hij kanker en dat leidde tot angsten, omdat we niet wisten of hij behandeld zou kunnen worden. Maar het kwam goed, na een aantal donkere jaren. Mijn vader zag zichzelf niet als pechvogel, want hij zat nooit in de gevangenis en heeft nooit dwangarbeid hoeven te verrichten. Hij heeft nooit geklaagd. Mijn moeder, Myriam Marbé, was een beroemd componist, de kostwinner van het gezin. Zij had een teflonlaag waar alles van afgleed. Zij hield de boel overeind.’

Wanneer had je in de gaten dat je in een dictatuur leefde?

‘Ik zat op een Duitse school, waar ik in contact kwam met kinderen van diplomaten, die weleens in andere landen kwamen. Zij hadden prachtige spullen die je in Roemenië niet kon krijgen: jeans, sportkleding, skischoenen, gummen die lekker roken en potloden die niet braken. Ik vroeg me af: waarom moet al het mooie uit het buitenland komen? Tegelijkertijd moesten we op school, vanaf een jaar of 7, zweren dat we ons leven en bloed zouden geven voor ons vaderland en dat de partij het belangrijkste in ons leven was, dingen die niet passen bij een kinderleven. Ik dacht: dit klopt niet, want mijn ouders, mijn vrienden en mijn poezen zijn het belangrijkst in mijn leven. Ook viel me op dat ik overal portretten van Ceausescu zag. In het begin, als kleuter, vond ik hem fascinerend, met zijn met brillantine bij elkaar gehouden haar. Ik zag hem als een stripfiguur, dus ik knipte die plaatjes uit en maakte collages. Mijn ouders vertelden in bedekte termen wie hij was: onze president, die misschien al iets te lang president was. Ze maakten me duidelijk dat er leukere dingen waren om te tekenen en te plakken dan die meneer.’

En wanneer begon je je echt onvrij te voelen?

‘Toen ik wat ouder werd en steeds vaker mensen dingen hoorde zeggen waarvan ik het gevoel had dat ze die niet meenden. Als ik ze zag zwijgen of fluisteren. Toen ik goed leerde lezen en in de kranten elke dag las dat Roemenië het paradijs op aarde was en dat de rest van de wereld was bedorven. Dat was niet waar, want er kwamen bij ons thuis aardige mensen uit het buitenland over de vloer. Zo langzamerhand realiseerde ik me dat ik me begaf in een web van leugens, dat je de waarheid niet mocht denken en zeggen. Mijn ouders waren tegenstanders van het regime, maar geen revolutionairen die de straat op gingen en ‘dood aan Ceausescu’ stonden te roepen. En als je het alleen binnenskamers zegt, verander je een land niet. Hoe ouder ik werd, hoe meer vragen ik begon te stellen. We leven in een shitzooi, wanneer gaat dat veranderen? Mijn ouders zeiden: nooit. We dachten dat het communisme voor eeuwig zou zijn. Het Oostblok was in onze ogen een eiland dat buiten de tijd viel.’

In je boek beschrijf je hoe het bewind de eigen bevolking expres honger laat lijden.

‘Officieel omdat Ceausescu vond dat de Roemenen ongezond aten. Bijna al het in Roemenië geproduceerde voedsel ging de grens over, zodat Ceausescu buitenlandse schulden kon aflossen. Maar het kwam natuurlijk ook goed van pas als psychologische oorlogsvoering. Mensen stonden altijd en overal in de rij, in de hoop iets te eten te kunnen bemachtigen. Ze moesten hun tafels in stukken hakken om in hun flats een vuurtje te maken. In die omstandigheden kun je niet meer nadenken over verzet en revolutie, want je bent gereduceerd tot holbewoner. Het was een afschuwelijk misdrijf tegen de menselijkheid, grenzend aan genocide.’

Je ouders regelden dat je weg kon uit Roemenië. Wilde je zelf ook weg?

‘Ik heb me niet verzet. Dat ik weg zou gaan, stond buiten kijf. Maar ik heb er veel verdriet van gehad dat mijn ouders niet dezelfde stap hebben gezet. Mijn moeder liet opzettelijk in het midden of ze achter me aan zou komen. Waardoor ik dacht: misschien komt ze. Terwijl ze volgens mij heel goed wist dat ze het niet zou doen.’

Begrijp je dat?

‘Ik begreep dat ze haar eigen moeder, mijn oma, de liefste vrouw op aarde, niet wilde achterlaten. Maar ik begreep niet dat mijn moeder niet bij haar enige kind wilde zijn. Als er hier iets zou gebeuren waardoor mijn kinderen naar de andere kant van de wereld zouden moeten vluchten, zou ik meegaan. Maar mijn moeder voelde de plicht te blijven, als bekende en geliefde Roemeense. Ik had er begrip voor, maar was ook teleurgesteld. Ik dacht: als je moet kiezen tussen jouw leven en een leven met mij, kies je voor jezelf.’

En je vader?

‘Hij had misschien wel gewild, maar hij had geen werk en was bang mij in Nederland tot last te zijn. Hij wilde ook niet zonder mijn moeder. Ik heb het haar altijd meer kwalijk genomen. Later, na de val van de Muur, is het gelukkig helemaal uitgepraat. Het grootste verdriet is niet het feit dat ik alleen ben geëmigreerd, maar het feit dat ze allebei vroeg zijn overleden, dat ik als dertiger geen ouders meer had en dat ze mijn kinderen niet hebben leren kennen. Ik had hun onvoorwaardelijke liefde graag tot mijn 60ste willen ervaren.’

Waarom kozen je ouders Nederland als het nieuwe land voor hun dochter?

‘Ze hadden goede vrienden in Haarlem die mij konden opvangen. Ik werd afgesneden van alles wat me dierbaar was. Het was een rauwe wond, maar zij waren goede heelmeesters. Ik sprak al vloeiend Duits, Engels, Frans en Roemeens en ik heb mezelf snel Nederlands geleerd, want ik wilde graag in Nederland blijven. Ik vond Nederlands intrigerend, mooier en prikkelender dan Duits. De Nederlanders vond ik vrij, grappig en non-conformistisch.’

Eigenschappen waaraan je je later ook ergerde, schrijf je.

‘In de pandemie heb ik dat non-conformistische niet leuk gevonden, nee. Dat zogenaamde revolutionaire esprit: de overheid moet mij niet vertellen wat ik moet doen. Het ontkennen, door sommigen, van de pandemie. Het bestempelen van het vaccin als gevaarlijk. Het ‘kom niet aan mijn vrijheid’. Dat vind ik een verschrikkelijke houding.’

Nausicaa Marbe Beeld Maarten Delobel
Nausicaa MarbeBeeld Maarten Delobel

Hoe duid je de reactie van de Nederlanders op de pandemie?

‘Die eerste reactie was afwachtend, nuchter, zoals ik Nederlanders kende. In de jaren daarna zag ik hysterie, opruiing, complottheorieën die bij een grote groep voet aan de grond kregen. Het beeld dat ik van Nederlanders had, heeft een deuk opgelopen. Niemand had na de val van de Muur kunnen vermoeden dat we in het Westen zo verveeld zouden raken met onze welvaart, vrijheid en democratie. Niemand dwingt je hier om propaganda tot je te nemen. Er zijn hier geen censors, geen gevangenissen vol politieke gevangenen. Dat je ondanks de totale vrijheid die je hier hebt, je weigert te verdiepen in de feiten over de pandemie, kan ik niet begrijpen.’

Ken je mensen in je omgeving die in coronacomplotten geloven?

‘Ja, mijn beste vriendin in Roemenië. Die bestookte me met artikelen over het vaccin. Ik ben de dialoog met haar aangegaan, maar dat liep erg stroef. Daarna heb ik gezwegen. Het had geen zin om in te gaan op wat zij debiteerde, want dat was zeer totalitair en dogmatisch. Ik zou vergiftigd of gechipt worden. Ik heb besloten een hele tijd niet meer te bellen. Daarna belde ik wel, maar vermeden we het onderwerp. Ik vind het moeilijk.’

Hoe kijk je naar de Nederlandse politici? Ik hoor onze premier nooit een bevlogen verhaal houden over onze vrijheid en dat die de moeite waard is om voor te vechten.

‘Nee, dat zit niet in hem. Er is geen politicus die ons kan bezielen, en dat is misschien het probleem in de Nederlandse politiek, de oorzaak van de kloof tussen burgers en bestuur. Je moet in een samenleving iets gemeenschappelijks vinden en dat verwerken in een groter verhaal. Burgers moeten voelen waarom ze ondanks verschillen bij elkaar horen. Maar de angst en afkeer om zo’n verhaal te formuleren, zijn groot. Alleen de extremisten doen het, en daarin schuilt hun aantrekkingskracht voor onverzoenlijke burgers: zij hebben tenminste een verhaal. Ik heb honderd keer liever Rutte als premier, maar als je Baudet en Rutte naast elkaar zet, heeft Baudet een verhaal. Rutte heeft niks.’

Het in twijfel trekken van feiten gebeurt ook in De Telegraaf, de krant waar je zelf voor schrijft. Leon de Winter suggereert in zijn columns dat oversterfte door vaccinaties wordt stilgehouden door de Nederlandse overheid. Wat vind je daarvan?

‘Het is een andere mening dan de mijne, maar gelukkig is er pluriformiteit. Waaraan ik me stoorde in Nederland zijn niet de columnisten, maar de mensen die de straat op gingen, die teststraten en ziekenhuizen belaagden, die zonder mondkapjes in de supermarkt rondliepen en zo anderen in gevaar brachten. Als ik naar die coronasceptici keek, zag ik geen vrijheid, maar juist onvrijheid. Ik zag mensen die gevangen zijn in een complottheorie, die tegen alle feiten in denken dat een tirannie in Den Haag het op ze gemunt heeft – omdat, denk ik, ze geen houvast hebben. Ze zijn politiek en religieus dakloos, hebben weinig historisch besef. Ik kan me echt niet voorstellen dat politici die dit soort complottheorieën verspreiden, zoals Thierry Baudet, er zelf in geloven. Het is kwaadaardig politiek opportunisme. Vanuit dezelfde minachting voor de liberale democratie schaart Baudet zich nu achter Poetin. Het zou me niets verbazen als hij door het Kremlin betaald wordt.’

Welk beeld had je tijdens je jeugd van de Russen?

‘De Russische politiek en het Russische leger waren het grote gevaar. Het Russische volk was natuurlijk iets totaal anders: dat waren medeslachtoffers, zij zaten in dezelfde ellende als wij. Oost-Europeanen hebben de angst voor de Russische oorlog in zich, de angst voor de tanks, de angst om te worden opgeslokt door een groot imperium. De tragedie van Oekraïne is dat we in Europa nu iets zien gebeuren wat we de hele Koude Oorlog hebben weten te voorkomen.’

Je citeerde in een recente column een uitspraak van generatiegenoten van uw ouders. ‘Denk maar niet dat we ooit veilig zijn voor de Russen en jullie in het Westen zijn dat ook niet.’

‘Dat zijn ze na de val van de Muur altijd blijven zeggen, ook nadat Roemenië was toegetreden tot de Europese Unie en de Navo. Ik was overtuigd dat ik het niet meer zou meemaken dat Rusland een land zou bezetten. Na de inname van de Krim en de inval in Georgië dacht ik: verder gaan ze niet. Maar het onvoorstelbare is gebeurd. De generatiegenoten van mijn ouders hebben gelijk gekregen. We moeten hier ook niet denken dat we voor altijd in vrede, vrijheid en gelukzaligheid leven. Want, en dat hebben die generatiegenoten van mijn ouders goed gezien, we dansen op een Russische vulkaan.

‘Ik behoor niet tot de school die zegt dat we in het Westen een oorlog over onszelf hebben afgeroepen door de Navo te sterk te maken. Ik zie deze oorlog als een project van Poetin, een product van zijn megalomane droom van een groot Russisch rijk, een persoonlijke strijd, die wij niet rationeel kunnen volgen. Profilering door destructie en volkerenmoord, dat is het in feite. In ons komt het niet op dat een Europese leider deze erfenis zou willen nalaten. Maar het gebeurt, en wij zijn, helaas, aan de roofdieren overgeleverd. Wat we over de Russen weten, is dat hun leger fouten maakt. Ze vergissen zich in de strategie. Ook bekend over de Russen is dat ze nooit een plan B hebben. Daarom is een oorlog met Rusland zo onvoorspelbaar. Dus nee, het komt niet goed, niet zo lang Poetin aan de macht is.’

Zie je in deze ellende ook dingen waar je hoop uit put?

‘Ja, hoe er in Oost-Europese landen wordt gereageerd op de vluchtelingenstroom, laat zien hoe de Oost-Europeanen zich in vrijheid hebben leren organiseren, in vrijheid verzet hebben leren plegen. Daarom duurt de oorlog ook zo lang, omdat de Oekraïners hebben gezegd: dit laten we Rusland niet flikken. Gewone burgers houden tanks tegen op straat! Dat is voor mij de winst van de afgelopen decennia in vrijheid. En dat verzet kan een oorlog het hoofd bieden.’

WACHTEN OP HET WESTEN

‘Jij weet hoe dat voelt; jij hebt dat al in Roemenië meegemaakt.’ Zodra het achtuurjournaal beelden van lege schappen ging tonen, kreeg ik berichten van vrienden die schreven dat ze aan mij moesten denken. Nou, dat heb ik helemaal niet meegemaakt, wilde ik zeggen. Ik heb daar geen toevallig logistiek probleem meegemaakt, ontstaan door plotselinge hamsterwoede vanwege onvoorzienbare omstandigheden. Geen minister-president die goedgehumeurd een van de vele, nog steeds goedgevulde supermarkten binnenliep om iedereen te verzekeren dat de nationale voorraden wc-papier ruim voldoende waren. Ik heb Nicole Ceausescu nooit geamuseerd ‘We kunnen nog tien jaar poepen!’ horen roepen.’

Fragment uit Wachten op het Westen

Meer over