Henk lift mee met Martijn Koning

Schrijver Henk van Straten stapt elke week in de auto bij een min of meer bekende Nederlander. Een enkele keer neemt hij de tram. Deze week: Martijn Koning.

null Beeld .
Beeld .

Van comedy club Toomler naar huis, richting Station Amstel, dat is op deze dinsdagmiddag de bedoeling. Het is echter allemaal wat uitgelopen. Martijn Koning is pas net klaar met een interview door EénVandaag. Een item over cabaretiers en de onderwerpen van hun eindejaarsvoorstellingen. De rode peertjes aan het plafond van Toomler staan aan, zoals gebruikelijk, maar nu ook de tl-verlichting, waardoor de zaak ongezellig aandoet. 'Ik voel me beroemd vandaag', zegt Martijn, achter de bar. Met een peuk in zijn mond trekt hij een tweede flesje Corona open. Baard ruw, kin naar voren, haar glad naar achteren. 'Ik vind het nog steeds fucking cool dat ik voor dit soort dingen word gevraagd.' Vlak voor de regisseur en de cameraman het pand verlaten komt collega Guido Weijers nog ter sprake. 'De meeste grappen hebben anderen voor hem geschreven en de andere grappen heeft hij gejat.'

Als de mannen weg zijn krijg ik voor de tweede maal enthousiast een hand. De combinatie van zijn opgeschoten lichaamstaal en het spervuur van grappen heeft iets maniakaals. Ik kan me niet makkelijk bij hem ontspannen; zijn onrust lijkt besmettelijk.

Dezelfde hand strekt hij voor me uit wanneer we op de tram staan te wachten. Hij heeft net zijn derde flesje Corona in een vuilnisbak gegooid. Een nieuwe peuk bengelt tussen zijn lippen. De hand trilt. 'Zie je', zegt hij. 'Dit heb ik nog steeds. En ook m'n concentratie is nog steeds niet goed.' Enkele weken geleden werd hij 's nachts in zijn eigen huis bedreigd door een collega en een ex-huisgenoot. De ene beschuldigde Martijn ervan de Sinterklaas-conference van hem te hebben afgepakt, de ander wilde geld hebben. Ze hadden een stroomstootwapen bij zich. 'Bizar, bizar', zegt Martijn.

Met zijn stoffen herenjas, zijn peuk en zijn naar achteren gekamde haar heeft hij iets weg van de mannelijke hoofdrolspeler in een film noir. Wanneer hij in gesprek raakt met een vrouw naast ons, en ik me niet in dat gesprek meng, wijst hij naar me en zegt: 'Deze jongen is autistisch.' Zijn ogen lijken aldoor te fonkelen, op zoek naar het volgende absurde zijweggetje, en rondom zijn mond sluimert aldoor een lichte grijns, alsof hij weet dat de volgende grap of komische situatie hooguit een paar seconden in de toekomst kan liggen.

In de tram zitten we naast elkaar. 'Nazi's', zegt hij, en als ik hem vervolgens vragend aankijk: 'Daar hadden we het toch over?' Hij lacht. Ik ook.

Onderweg wijst hij uit het raam naar het huis dat hij heeft gekocht en waarin hij gaat samenwonen met zijn vriendin. Daar hoopt hij meer rust te vinden. Nu woont hij nog samen met anderen. Het is allemaal te druk. Dat gedoe met die bedreiging, de nasleep ervan, zijn werk. Maar op de Sint & Nieuw-voorstelling werd goed gereageerd. 'Puur door de montage', zegt hij. 'Ik had het anders moeten doen, ik had naar mijn intuïtie moeten luisteren, dat ga ik vanaf nu sowieso meer doen.' Alles aan hem schreeuwt chaos, onrust, gebrek aan controle. Die onrust en reuring haalt hij ook soms zichzelf op de hals. Laatst zat hij lekker in bad toen hij werd gebeld door een minister, kwaad om iets wat hij had gezegd in een interview. Na tien jaar als komiek is hij ineens op het niveau van roem gekomen waardoor zijn uitspraken consequenties hebben. 'Dat onderschat ik nog steeds een beetje ja.' Hij is bovendien een flapuit. Een keer maakte hij Freek de Jonge in de kleedkamer belachelijk om diens rode laarzen. Freek had kribbig gedaan tegen zijn vriendin. 'Iedereen in die kleedkamer was ineens stil. Je voelde het ongemak.'

Ook ik voel dat ongemak een beetje. Naast Martijn zitten is een beetje alsof iemand een vonkend sterretje net iets te dicht bij je gezicht houdt. Daarnaast draagt het volume van zijn grappen verder dan alleen onze stoelen. Het is niet moeilijk om voor te stellen dat we ineens ruzie hebben met een paar andere passagiers, en dat Martijn hen dan ook nog even beledigt.

Als we uitstappen krijg ik weer zo'n hartelijke hand. 'Ik zie je graag weer, man', zegt hij. 'Ik word altijd zo vrolijk van jou.' Een nieuwe peuk is opgestoken. Zijn handen gaan in zijn jaszakken. Hij loopt weg, schouders iets opgetrokken. De chaos in. Ooit, misschien, de rust tegemoet.

Schrijver Henk van Straten reist elke week een stukje op met een min of meer bekende Nederlander.

hendrik.v.straten@gmail.com of @henkvanstraten

Meer over