ColumnPeter Buwalda

Hele zondagen had ik barrevoets rondgehangen in steenkoude sporthallen, vaak voor maar 15 seconden judo

null Beeld

Gaat het bij u ook al dagenlang alleen maar over Jeffrey Vermeulen (2)? Hier wel. ‘Zou Jeffrey Vermeulen (2) ook zenuwachtig zijn?’ ‘Zie je die enorme kerel lopen? Zo stel ik me Jeffrey Vermeulen (2) voor.’ ‘Jeffrey Vermeulen (2), klinkt dat alsof je 20 bent en in de kracht van je leven? Of juist bejaard?’

Jeffrey Vermeulen (2) is in mijn bestaan verschenen via een mailtje van de Kadoelen Open, het tennistoernooi waarvoor ik me op een druilerige zondagavond, een uur voor sluitingstijd, heb ingeschreven. Ik had het alweer verdrongen toen ik het mailtje opende en zich een gigantisch wedstrijdschema ontvouwde waarin Jeffrey Vermeulen (2)’s naam gekoppeld bleek aan die van mij, ondergetekende, Peter Buwalda, onthou die naam.

Was ik gek geworden? Een half jaar geleden had ik nog nooit een bal over een net geslagen, en nu moest ik op een officieel toernooi aantreden tegen Jeffrey Vermeulen (2)?

Daar ging de telefoon. Ik sprak met de toernooicommissie, kwam het even uit? De partij moest worden verplaatst. Mijn tegenstander, Jeffrey Vermeulen, ik nam aan Twee, was in een ander officieel toernooi doorgedrongen tot de halve finales, en die waren precies dan. Kon ik dinsdagavond om half zes?

Eb in de mond. Helaas, had ik moeten zeggen, dan zit ik in het vliegtuig naar de US Open. Of: zeg maar tegen Vermeulen dat hij zorgt dat-ie er is, en anders is het helaas pindakaas, kom op zeg, ik heb ook mijn voorbereiding.

‘Meneer?’, vroeg de toernooicommissie.

‘Sorry’, zei ik, ‘natuurlijk, dinsdag, staat op…ge… no.. te.. derd. Punt. Spannend! Lekker sporten. Maar zeg eens, nu ik u toch spreek, die twee hè, achter meneer Vermeulens naam… klopt het toevallig dat dit betekent dat meneer Vermeulen als tweede geplaatst is, op uw, nou ja, ‘ons’ toernooi? Het is ook een beetje mijn toernooi. Zeg maar zoals ze dat doen bij Wimbledon?’

Klopte.

Ik probeerde professioneel te zwijgen. ‘Dus euh… Jeffrey is heel goed?’

Hier moest de toernooicommissie vol onverholen spot om lachen. Dat lag eraan, luidde het zurige antwoord, met wie ik Jeffrey wenste te vergelijken. (Met Björn Borg, nou goed, vuile etc.)

Op weg naar ‘de Grote Dag’ (Jet, glunderend) bezochten mij traumatische herinneringen aan mijn sportieve jeugd. Hele zondagen had ik barrevoets rondgehangen in steenkoude sporthallen, vaak voor maar 15 seconden judo. Als kleine judo-Remi er de woordjes voor had gehad, had hij gepreveld: ‘Heere Jezus, geeft u mij een weefgetouw om aan te sterven!’

Op een keer, in Swalmen of zo, of Helden-Panningen, ik kom er niet graag meer, toen na uren wachten het afdrogen kon beginnen, moest ik nog snel even een zenuwenplasje plegen, momentje, de Jeffrey Vermeulen van dienst stond al likkebaardend op de mat te wachten, snel-snel, waardoor ik van de stress over mijn judobroek heen urineerde.

‘Nooit meer officiële toernooien’, murmelde ik, deppend met iemands sjaal, excuses nog, ‘nooit meer, nooit meer.’

Sinds mijn 18de heb ik me hieraan gehouden. Nooit meer officieel gekloot met sporttoernooien, oprotten, weg, verliezen kan je overal, en gratis. Dus zult u begrijpen dat het net een film was, toen mijn coach/supporter en ik naar de Kadoelen Open fietsten. ‘Gebeurt dit echt?’, vroeg ik.

‘Welzeker,’ zei Jet glunderend. ‘Vertel volgende week maar hoe het afliep!’

Meer over