ColumnAaf Brandt Corstius

Heerlijk die lente, alleen jammer dat ik niet meer belachelijk gekleed door het leven kan gaan

null Beeld

De ietwat plotse overgang van ijskoud winterweer naar behaaglijke lentewarmte heeft twee voordelen: het is dus ineens lente en het levert een gespreksonderwerp op – en aan gespreksonderwerpen hebben we een gebrek in coronatijd. Bijna een jaar praatten we non-stop over corona, en net toen we beseften dat we daarover wel uitgepraat waren, kwam die vreemde weersomslag. Dus nu kun je fijn de hele dag tegen elkaar zeggen: ‘Wat lekker dat het lente is, hè? En dan te bedenken dat het vorige week nog DERTIG GRADEN KOUDER was.’

Het enige jammere is dat ik niet meer bewust belachelijk gekleed door het leven kan gaan. In de winter, of in de echte koude delen ervan, laat ik alle ideeën over kleding en hoe die hoort te zitten, los. Mid-februari bracht ik door in twee broeken over elkaar, namelijk een pyjamabroek en een joggingbroek, twee T-shirts, twee truien, twee jassen, wandelschoenen, skihandschoenen, een te puntige muts, en dan boven op die puntmuts een noisecancellingkoptelefoon. Op de guurste dagen deed ik mijn mondkapje ook niet meer af, want dat bleek een heel fijne beschutting voor de neus te geven, meestal het koudste onderdeel van mijn lichaam.

Dit is een belachelijk kostuum en ik was me daar volledig bewust van. Normaal let ik wel een beetje op wat ik draag, ik hou zelfs best van kleding, maar als het koud is cancelt dat al mijn gevoel voor stijl en schep ik er genoegen in om als een te warm aangeklede kleuter door het leven te gaan.

Bij mij in de buurt wonen allemaal stijlvolle vrouwen die bijvoorbeeld nog een heel leuk strak skipak op zolder hadden liggen, of die een lange bubbeljas met gympen met dikke zolen eronder droegen, en een muts die wél op precies de goede manier in een punt omhoog stond, maar dat kon me niets schelen. Extreme kou is extreme look.

Maar goed, nu zijn we dus in die heerlijke lente gekatapulteerd, waarover ik absoluut niet ga klagen, behalve dan dat ik me als een beer voel die in één klap zijn volledige wintervacht in de rui moet laten gaan. (Ik weet niet of beren een wintervacht hebben, maar als dat zo is, zouden ze zich zo voelen als ik me nu voel.)

Ik heb nu bij wijze van gewenning mijn met wol gevoerde Birkenstocks uit de kast gehaald en in de badkamer mijn blote voeten bestudeerd. Daar moet nog veel aan gebeuren, maar nergens op dit continent is er een professionele pedicure open die daar iets aan kan doen. Allemaal door corona.

En zo kwamen we via het weer toch weer op corona, want dat is het knappe van corona: het gaat overal in zitten.

Meer over