ColumnSylvia Witteman

‘Hé, meisje’, zei de jongen. ‘Slim Shady heeft een spaghettirestaurant! In Detroit! Wist je dat?’

null Beeld

Mijn jongste zus ging trouwen en gaf een groot feest, want het mócht eindelijk weer. Het was een half uur fietsen, maar toen werd ik ook beloond met de aanblik van mijn dochter die in een hoerige rode jurk de bruiloftsgasten opwachtte. Ze moest hun QR-codes scannen. Ook de mijne.

‘Je wéét toch dat ik dubbel geprikt ben?’ riep ik. Ja, maar het ging om het principe. Mijn ID hoefde ze dan weer niet te zien, ‘want je bent mijn moeder’. Die principes van jongelui zijn flinterdun, tegenwoordig.

Ook de bruid droeg een hoerige jurk, maar dan wit. Die pretentie van maagdelijkheid bleek overigens moeilijk vol te houden, met een zoontje van anderhalf dat beduusd tussen zijn opgedofte ouders heen en weer dribbelde.

De bruiloft verliep gesmeerd. De zeven jaar jongere broer van de bruid nam in zijn speech wraak op al die keren dat zij hem als kind gedwongen had zijn groente op te eten, haar ouders speelden een lied waarin Toen onze mop een mopje was op ingenieuze wijze was verweven met Bachs dubbelvioolconcert in D klein, en het zoontje viel maar één keer van het podium. Het kostte enige moeite hem het doosje met de ringen te ontwringen, maar daarna mocht hij met een houten hamer op tafel slaan. Pats! Zijn ouders leefden eindelijk niet meer in zonde.

‘Een onbekrompen schenken nam een aanvang’ (Gerard Reve), waarna de gebruikelijke gebeurtenissen zich ontrolden: woeste muziek, ooms en tantes die steeds gretiger meeblowden met de neefjes en gierende nichtjes in nog meer hoerige jurken, huisgenoot P die virtuoos danste met de moeder van de bruidegom, puntzakken frites, en een Britse schoonneef die ontzagwekkende hoeveelheden drank bleek te kunnen verstouwen, maar uiteindelijk tóch ruggelings moest worden weggesleept, als zo’n lijk uit Shakespeares Hamlet.

Een prima feest dus. Toen ik rond middernacht, nog nadampend, mijn stokoude fiets besteeg, zag ik mijn zoons op hun scooter wegracen en mijn dochter elegant in een taxi stappen. ‘Klimaathufters!’, hijgde ik tegen de wind in.

Halverwege de Sarphatistraat kwam er een scooter naast me rijden. ‘Hé, meisje!’, riep de chauffeur en trok aan mijn mouw. Nee, het was niet mijn zoon, al is die beslist tot dit soort ongein in staat. Een onbekende jongen, zonder helm, met manische oogopslag en knarsende coke-grijns. ‘Hé, meisje!’ Mijn hart bonkte. Waarom had ik nou niet even op huisgenoot P. gewacht?

‘Hé, meisje’, zei de jongen. ‘Slim Shady heeft een spaghettirestaurant! In Detroit! Wist je dat?’ Beverig schudde ik van nee. ‘Dan weet je ’t nu!’, riep hij, en spoot weg.

Thuis zocht ik het op, van Slim Shady.

Het was nog waar ook.

Meer over