ColumnSylvia Witteman

Hadden de kinderen zich vergrepen aan oma’s koekjes?

null Beeld
Sylvia Witteman

Nu wil het geval dat mijn oude moedertje verzot is op Weesper moppen.

(Als u zich verveelt tijdens die ellendige feestdagen moet u op foodtube.nl eens opzoeken hoe ’s Neerlands meest bevlogen banketbakker Cees Holtkamp Weesper moppen bakt met zijn kleindochter Stella. En bekijk dan ook die andere filmpjes, door de jaren heen opgenomen, waarin je Stella ziet opgroeien van klein meisje tot volwassen vrouw, terwijl ze met haar opa de ene lekkernij na de andere bereidt. Vooral die dodelijk ongeruste blik en zichtbaar jeukende handen van Cees, als die kleine schat het een of andere vlaatje niet perfect roert of deegje niet precies goed uitrolt, zijn kostelijk om te zien.)

Voor mijn moeder had ik een half pond Weesper moppen gekocht, met het doel die, vergezeld van andere lekkernijen, bij haar langs te brengen. Ik had ze zolang in de ijskast gelegd. Wie schetst mijn verbazing toen ik gisterochtend het voedselpakket voor mijn moeder gereed wilde maken: de Weesper moppen waren verdwenen.

Wat was hier gebeurd? Hadden de kinderen zich vergrepen aan oma’s koekjes? Ze bezwoeren me van niet. Wat nu? Ik had haar nota bene net telefonisch lekker gemaakt met haar lievelingssnoeperij! Knarsetandend stapte ik op de fiets. Ik zou dan maar onderweg nieuwe Weesper moppen zien te kopen.

‘Weesper moppen? Nooit van gehoord’, zei de eerste bakker. ‘Weesper moppen. Die hadden we vroeger wel, maar daar is al jaren geen vraag meer naar...’, zei de tweede. ‘Weesper moppen? Nee, sorry. Wél gevulde speculaas’, zei de derde. Dat líjkt niet eens op een Weesper mop! Ik voelde me de hoogzwangere Maria op weg naar Bethlehem.

‘Eerst maar het slechte nieuws’, zei ik met een grafstem toen ik bij mijn moeder binnenstapte. Het arme mens schrok zich natuurlijk een rolberoerte, waarna de onheilstijding over de Weesper moppen nog best meeviel. Maar toch. Een lelijke domper, waar zelfs de kippensoep en sudderlapjes amper tegenop wogen. Bedrukt fietste ik naar huis. Ik had gefaald, als dochter en als mens.

Bij het vallen van de avond opende ik opnieuw de ijskast. Daar lagen de Weesper moppen gewoon! Linksboven, achter de pot augurken! Ik slaakte een ijselijke kreet, waarna mijn zoon ongerust kwam aanrennen.

Hij is een lieve jongen en hij wist wat hem te doen stond. Vijf minuten later keek ik hem na door het raam. Daar reed hij door het ijzige duister naar zijn omaatje, de Weesper moppen veilig onder zijn zadel. De lichtjes van zijn wegspuitende scooter schitterden door de opgeluchte tranen in mijn ogen.

Engelen zongen. Uit de hemel begon het te sneeuwen zoals het nog nooit gesneeuwd had. Het leek Dokter Zjivago wel.