Haat en liefde voor Amerika

Barbie is er, de Cadillac, Elvis, en natuurlijk de televisie. Het Openluchtmuseum in Arnhem toont de Amerikaanse iconen uit de jaren vijftig en zestig....

BESTAAT HIJ eigenlijk nog, the American dream? En hoe ziet hij er dan uit, de Amerikaanse droom van de 21ste eeuw?

Internetmiljonairs? Die heb je overal. Star Wars? Puberale jongensdromen. Een dikke Chrysler voor de deur? Liever een mooie Daimler. Madonna? Marilyn Monroe was beter. Hamburgers van McDonald's, Bill Clinton? Laat ons niet lachen.

Ze hebben het gewoon niet, de Amerikaanse symbolen van deze tijd. Ze missen de glamour, de uitstraling, de bekoring van onbereikbaarheid maar vooral de vitaliteit van de Amerikaanse iconen van de jaren vijftig en zestig. In die dagen kwam zo'n beetje alles wat het begeren waard was van overzee.

De Amerikaanse droom, dat was een keuken vol glanzende apparaten, Californiasoep uit een pakje, zelfbedieningswinkels. De Amerikaanse droom stond voor vrijheid, onbekommerd materialisme en overgave aan plezier: Lionel Hampton met zijn woeste Hey Ba Be Re Bop, Elvis Presley, James Dean, the wild one Marlon Brando, Marilyn diamonds are a girl's best friend Monroe.

'Op zijn Amerikaans' stond voor modern, nieuw en aanlokkelijk. Dat waren de Levi's spijkerbroek en de Cadillac, de tegenpool van onze benauwde Dafjes, (een roze Cadillac was bovendien metafoor voor het vrouwelijk geslachtsorgaan. You may have a pink Cadillac, but dontcha be nobody's fool, zong Elvis, die zijn eigen moeder een groene schonk!); de Amerikaanse droom, ten slotte, dat was Martin Luther Kings I have a dream, de tot de verbeelding sprekende jeugdigheid van J.F. Kennedy en de landing op de maan: one small step for a man, a giant leap for mankind. De Amerikaanse droom, dat was eigenlijk alles wat Nederland niet was: groots en meeslepend.

De symbolen uit die tijd waren zo krachtig dat ze ook voor mensen die de jaren vijftig en zestig niet bewust hebben meegemaakt nog tot de verbeelding spreken, zo bewijst de tentoonstelling De Amerikaanse droom in Nederland 1944-1969 in het Openluchtmuseum in Arnhem. Bij de tentoonstelling hoort een prachtig geïllustreerd boek (Uitgeverij SUN, Nijmegen), waarin Amerika-kenner Jan Donkers in korte schetsen uiteen zet hoe de Amerikaanse cultuur Nederland binnendrong 'in een mate die ons land in cultureel opzicht tot de 51ste der Verenigde Staten heeft gemaakt'.

De eerste besmetting vond al meteen na de oorlog plaats. Letterlijk soms, want de Amerikaanse GI's waren ver van huis en 'onze meisjes' verkeerden in een bevrijdingsroes. 'Alles zoop en naaide', schreef Remco Campert. Trees had een Canadees en Sjaan een Amerikaan. Liefde werd geruild tegen sigaretten, kauwgom en chocola.

Het Hollands burgerfatsoen had het er moeilijk mee. 'Gedraagt u waardig', maande een Nederlandse poster onze vrouwen. Het Amerikaanse leger had andere zorgen. Remember, VD walks the streets, was de boodschap die de soldaten meekregen.

Na de bevrijding kwam de Marshallhulp. En Amerikaanse kindertjes zamelden leesboekjes in voor hun lotgenoten in Holland. Intussen lieten bijna 80 duizend landgenoten het benauwde Nederland achter zich om hun heil te zoeken in Amerika. Zij schreven het thuisfront enthousiaste verhalen over moderne snufjes in hun nieuwe vaderland, die pas jaren later ook hier verkrijgbaar waren: wasmachines, immense koelkasten, stofzuigers.

Een hoogtepunt was de Amerikaanse week van de Bijenkorf in 1955. Zeven vrachtschepen brachten Amerikaanse schatten aan land. De tumblers (gekleurde glazen) waren binnen twee dagen uitverkocht. Tegengeluiden klonken er ook: was het allemaal niet te oppervlakkig, te materialistisch wat de yankees te bieden hadden?

Vrouwenblad Libelle wist zeker dat de Nederlandse huisvrouw niet zou vallen voor het Amerikaanse gemak: 'Die geautomatiseerde huishouding kan een nachtmerrie zijn voor de huisvrouw. Zij wenst niet te geloven dat zo'n ding háár werk kan overnemen.' Waarmee het blad aangaf dat het in die jaren de ziel van de vrouw slecht aanvoelde, want de apparaten namen stormenderhand de Nederlandse keuken in.

Zo ging het eigenlijk met alles wat uit Amerika kwam. Nederland had er een haat-liefde verhouding mee. Het grote publiek stortte zich enthousiast op de nieuwigheden, terwijl meer terughoudende krachten waarschuwingen lieten horen.

Lionel Hampton bracht in 1954 en 1956 in de Amsterdamse Apollohal en het Concertgebouw het publiek in vervoering - zoals goed is te zien op filmbeelden die in de tentoonstelling worden vertoond. De verslaggever van de Volkskrant registreerde onthutst hoe het publiek zich 'wild dringend en hotsend rond het podium bewoog, waar de neger woest heen en weer sprong'. Wat in De Gelderlander weer leidde tot de hoofdredactionele verzuchting: 'Mateloos moet die leegheid des harten zijn waarin de hang naar hogere waarden dan die van negergekreun zoek is.'

Maar de Amerikaanse opmars was onstuitbaar. In de kinderkamers met strips als Donald Duck, waarin het ouderlijk gezag van oom Donald werd ondergraven ('Geen wonder', aldus publicist Michiel Hegener in Het Duck Denken, 'dat ze vijftien jaar later het Maagdenhuis bezetten'), in de bioscopen met grote Hollywood-films en in de muziek met de rock 'n' roll van Presley, Little Richard en zo vele anderen. De 'tweede bevrijding', noemt Donkers deze periode van betrekkelijke losbandigheid. De derde zou komen met de Summer of Love van 1967 en Woodstock twee jaar later.

De ultieme triomf van de Amerikaanse cultuur kwam met de opkomst van de televisie in de jaren zestig: geen medium Amerikaanser dan de tv. Het ideaal van de Amerikaanse samenleving werd in de Nederlandse huiskamers gebracht met de Dick van Dyke show, Lassie, The Flintstones, Rawhide, Peyton Place en Bonanza.

Maar de jaren zestig waren ook de jaren van de eerste krassen op de droom: van Kennedy die in 1961 aantrad en twee jaar later werd vermoord, van Martin Luther King die in 1968 hetzelfde lot trof en van de Vietnam-oorlog die zijn smerige hoogtepunt bereikte en aanzet gaf tot een groeiend anti-Amerikanisme, ook al bleef de officiële politiek stevig pro-Atlantisch.

In hetzelfde decennium ging ook de laatste grote droom in vervulling: de landing op de maan van 1969, waarbij half Nederland naar boven tuurde om te kijken of je er iets van kon zien en een enkeling nog meende dat het een Hollywood-stunt betrof.

Met de maanlanding sluit de tentoonstelling De Amerikaanse droom af. Dat is ook goed zo. We hoeven er niet meer over te dromen. Amerika is overal tegenwoordig.

Meer over