Gisteren oorlog, vandaag Armani

De winterse leegte heeft ook zo zijn charme. Zonder hordes toeristen heb je de oude stad van Dubrovnik bijna voor jezelf....

Getik, gehamer of geknip is er niet meer te horen. De smid is weg, de kleermaker verhuisde mee met zijn klandizie, de timmerman zit nu goedkoper buiten de stadsmuur, en ook de schoenmaker kon de hoge huur niet meer opbrengen. De dakpannenmaker wás al weg; de daken zijn tegenwoordig als nieuw.

Matija Vierda, goudsmid-vierde-generatie, heeft al zijn buren en collega’s zien vertrekken uit de oude stad van Dubrovnik. ‘We waren één grote familie, maar die is helemaal uit elkaar gevallen’, zegt hij in zijn winkeltje/werkplaats aan de Stradun, de hoofdstraat die is gaan glimmen omdat er per jaar een miljoen toeristen over schuifelen. ‘Onze grootse cultuur vervaagt. Alleen wat uit het Westen komt, is kennelijk nog goed.’

Zou hij de kans krijgen, wees Matija (65) de toeristen de poort van de stad die zijn stad niet meer is. Na de belegering door de Serviërs in 1991 en ’92, toen 2000 granaten op de Kroatische kuststad neerdaalden en 85 procent van de historische gebouwen werd beschadigd of vernietigd, is het snel gegaan. Nog in de jaren negentig zijn de beroemde rode daken hersteld, het toerisme zwol direct aan tot vooroorlogs niveau, en de huizenprijzen in de oude stad, in zijn geheel een Unesco-monument, schoten omhoog naar 7500 euro per vierkante meter. De bewoners zijn nu souvenirshops, ijssalons, Esprit.

Op sommige dagen in de zomer komen zeven cruiseschepen aan, de eenrichtingsstraten raken verstopt met bussen die allemaal van de nieuwe haven naar de oude stad rijden, en bij de Pile-poort, de meest gebruikte toegangspoort, kunnen stromen toeristen soms geen kant meer op. Iedereen over de Stradun, bronwater drinken bij de Onofrio-fontein, de trap op in het Rectorenpaleis, samen met de gids de gotische én renaissancistische stijl van het oude douanekantoor bekijken, en dan lunchen op de Prijeko-straat, de ‘eetstraat’, of mensen kijken op het terras van Gradska Kavana, het Stadscafé.

Maar dat is in het hoogseizoen. Nu is het winter. ‘Waar is iedereen?’, vragen we aan de barkeeper van café Rio, die naar een basketbalwedstrijd zit te kijken, wat al geen verbazing meer wekt, want de ober in restaurant Dundo Maroje hadden we al vanachter zijn stripboek vandaan moeten halen. ‘Iedereen? Jullie zijn iedereen.’

Een handjevol Kroaten koopt mandarijnen en vijgen op de markt van het Gundulic-plein, anderen drinken een espresso in het winterzonnetje bij café Dubrava, en zien hoe aan de overkant de gevel van de Basiliek van de Heilige Blasius wordt opgeknapt – want het is winter, en dan kan dat.

En omdat het winter is, kunnen we Blasius niet zien, de beschermheilige van Dubrovnik die in zijn linkerhand altijd de stad draagt zoals die vóór de aardbeving van 1667 er moet hebben uitgezien. En omdat het winter is gaan musea iets eerder dicht, gaan een paar restaurants misschien helemaal niet open.

Wat natuurlijk een beetje jammer is, maar het is toch ook die leegte die het lichtelijk surrealistisch maakt. Je hoort je eigen voetstappen, het licht van straatlantaarns weerkaatst ongehinderd op de Stradun. Na een dag word je herkend. Een wandeling over de 2 kilometer lange middeleeuwse stadsmuur, uit de tijd dat Dubrovnik nog een rijke, zeevarende stadsstaat was, is vandaag een privé-aangelegenheid, het Rectorenpaleis zal nooit serener zijn.

‘Hallo, wie is daar?’, vraagt de monnik van het Franciscaner klooster door de intercom nadat we de bel bij de ingang hebben geluid. Hij doet speciaal voor ons de poort open, en opnieuw staan we, zomaar op een zondagmiddag, in een oase. De slanke pilaren van de kloostertuin hebben de Grote Aardbeving overleefd, de rest is zwaar getroffen. De oude apotheek is bewaard gebleven, en heeft een plaatsje gevonden in het kleine museum. Waar ook die andere catastrofe zichtbaar is: boven het schilderij De Heilige Familie met Johannes is een ronde lijst gefabriceerd rondom de plek waar een granaat is ingeslagen. Het bordje erbij memoreert de dag die de inwoners van Dubrovnik nog scherp op het netvlies hebben: 6-12-1991.

In de buurkerk, de Kerk van Onze Redder, herdenkt Dubrovnik. Gewoonlijk op dinsdagavond. De mensen praten, over de oorlog, over hoe het was en hoe het is geworden. Over hoe het nu verder moet: hoe kan Dubrovnik Dubrovnik blijven? Met toeristen, liefst niet allemaal tegelijk. Met goudsmid en horlogemaker. Met het leven van vroeger.

Marko Breskovic, eigenaar van het populaire jazzcafé Troubadour, kan er niet zo mee zitten. ‘Dat krijg je als je bij het Westen wilt horen, bij de EU. We moeten geld verdienen.’ Er is in de winter ook genoeg tijd om bij te komen, zegt Breskovic (64), een bekendheid in de stad vooral omdat hij in 1968 met de Dubrovacki Trubaduri heeft meegedaan aan het Eurovisie Songfestival (gedeeld zevende met Jedan dan). ‘Ik ben blij met de vrijemarkteconomie. We kunnen meer zijn dan een stad voor romantische diners bij kaarslicht. Vandaag is het Esprit, morgen Armani.’

Meer over