interview

Gerda Havertong verloor haar geliefde: ‘Waarom werden we zo meedogenloos van elkaar gescheiden?’

Gerda Havertong 
 Beeld Oof Verschuren
Gerda HavertongBeeld Oof Verschuren

Actrice Gerda Havertong, het bekendst geworden als Gerda uit Sesamstraat, moest vorig jaar afscheid nemen van haar geliefde. Ze vertrekt uit haar huis, zonder plannen. ‘Ik hoop dat ik geen rover word die over straat zwerft’

Robert Vuijsje

Eind vorig jaar, op 1 november, stond Gerda Havertong op het podium van het DeLaMar theater in Amsterdam om een Black Achievement Oeuvre Award in ontvangst te nemen. Het was op een maandag en ze had pas de vrijdag ervoor bevestigd dat ze echt zou komen. Na het overlijden van haar echtgenoot Roelof Lenten – op 26 april aanstaande een jaar geleden – was ze maandenlang niet in de openbaarheid verschenen.

‘Ik wist dat ik in het zonnetje werd gezet en dat is iets bijzonders. Die prijs kreeg ik omdat de organisatie mij ziet als een voorbeeld, dat heb ik ook altijd willen zijn. Maar ik was zo bang, zo zwak en labiel. Mijn mentale en fysieke zijn correleerden niet met elkaar.’

De speech had ze maar op papier gezet. Zoiets hoor je uit het hoofd te doen. ‘Dat is de interactie die op een podium van je wordt verwacht. Mijn faalangst was op dat moment zo groot, ik wist niet of ik de rust zou vinden om de woorden uit te spreken. Na die avond ging ik in conclaaf met mezelf: Gerda, dit kan niet zo verder.’

Bijna verontschuldigend: ‘Ik weet dat er een oorlog is en ik kan bijna niet geloven wat we daar zien gebeuren. Mijn leed is maar petite, maar toch: ieder leed staat op zich en is absoluut.’

En na een korte stilte: ‘De dood is een grotere kracht dan wij zijn. Roelof moest gaan, zijn programma was afgerond. Wij zijn nietig. Wat me alleen zo beklemt: waartoe dient het dat hij niet waardig zijn ogen mocht sluiten in ons eigen bed? Dit verdiende hij niet.’

I. Paramaribo, jaren vijftig

‘Weet je wat mijn vader al op mijn 14de tegen me zei?’ vraagt Havertong. ‘Hij raadde me aan: blijf vooral plannen maken, maar wees ervoor beducht dat ze niet altijd uitkomen. Toen dacht ik: waarom zou ik dan nog plannen maken?’

Die plannen kwamen er toch. ‘In Suriname bestonden drie beroepen: onderwijs, verpleegkundige of administratie. Tenminste, daarmee kwam ik in aanraking, andere opties waren me niet bekend. Verpleegkundige, dat wilde ik niet. En administratie, dan zat je op zo’n kantoor. Ik vroeg me altijd af: wat doe je daar dan? Ik dacht dat je de hele dag moest schrijven en ik vond van mezelf dat ik dat niet mooi kon.

‘Dus het werd onderwijs. Ik speelde al schooltje toen ik er nog nooit een had bezocht, zo klein was ik. Ik speelde de juf en wat lege flessen waren de leerlingen. Ze hadden allemaal namen. De mooie flessen waren lief en de beschadigde waren stout. Ik riep heel luid tegen ze, alsof ze iets ergs hadden gedaan en hun mond moesten houden. Andere meisjes speelden vader en moeder met poppen, dat wilde ik niet.’

Was het onderwijs, en doorstuderen, een bijzondere keuze in jullie gezin?

‘Je moet iets worden in de maatschappij. Dat was de slogan bij ons thuis. Mijn vader had zich opgewerkt, met schriftelijke lessen van de LOI uit Nederland. Uiteindelijk werd hij kapitein op de binnenvaart, op de rivieren van Suriname. Hout dat naar Nederland werd geëxporteerd. Daar werd het bewerkt en dan kochten wij in Suriname het weer terug, van Bruynzeel. Zo werkt het volgens mij nog steeds. Mijn moeder wilde heel graag vroedvrouw worden. De diploma’s had ze niet, maar ze heeft toch baby’s gehaald.’

Was het uitzonderlijk dat u opgroeide met twee getrouwde ouders?

‘In onze familie was het normaal, al trouwden mijn ouders pas toen ik 13 was. Maar ik wist dat het ook anders kon. Een paar generaties eerder leefden mensen zoals wij nog in slavernij en werden gezinnen uit elkaar gehaald. We vierden de herdenking van de afschaffing van de slavernij, maar er werd nauwelijks besproken wat dat betekende. Op school leerden we er ook weinig over. In onze Hollandse schoolboeken stond alleen dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt.

‘Het belangrijkste is dat ik een fundament had, met schroeven en bouten erin. Een vader die vertelde dat ik iets moest worden. En daarmee bedoelde hij zeker niet: actrice of zangeres. In mijn generatie gingen de meesten naar Nederland of naar Amerika. Ik wilde naar Nederland om mijn hoofdakte te halen aan de kweekschool, dat was het hoogste. In Suriname kon je die niet halen. Van tevoren had ik me veel verbeeld, gebaseerd op ansichtkaarten. Op die plaatjes zag ik rijtjeshuizen, ik dacht: dat is één groot huis. In Paramaribo had je alleen vrijstaande huizen. Pas in Nederland zag ik dat het tien aparte woningen waren, die in een rijtje aan elkaar vast zaten.’

II. Amsterdam, 1982

‘Ik heb me altijd verwant gevoeld met kinderen en ouderen. Voor hen wilde ik iets betekenen. Wat daartussen ligt wordt wel door anderen opgevangen, was mijn gedachte. Op de kweekschool in Alkmaar werd ik lerares pedagogiek en didactiek. Naast mijn werk zat ik in een band en speelde ik toneel. Het zat nooit in mijn hoofd dat ik het onderwijs zou verlaten.

‘Tot ik tijdens de examenweek werd aangesproken door een leerling. Ze wilde deze opleiding niet meer doen. Ik antwoordde dat ze er dan maar mee moest stoppen. Dit was tijdens de examenweek, hè? Die nacht werd ik wakker: wat heb ik gedaan, hoe kon ik zo’n advies geven? De volgende ochtend ging ik vroeg naar school, ik moest haar zo snel mogelijk vinden. Gelukkig was ze daar.

‘Ik zei: wat ik je gisteren vertelde, dat was niet goed. Gelukkig wilde ze de opleiding gewoon afmaken, ze wist alleen niet of ze verder wilde in het onderwijs. Voor mij werd het duidelijk dat ik daar niet meer op m’n plek was. Anders had ik nooit een dergelijk advies gegeven. Ik vertelde de directeur dat ik over drie maanden zou stoppen.’

Gerda Havertong 

 Beeld Oof Verschuren
Gerda HavertongBeeld Oof Verschuren

Had u ander werk?

‘Nee. Drie maanden later liep ik in Amsterdam door de Van Woustraat, in 1982 was dat. Daar kwam ik Edgar Cairo tegen, een van onze grote Surinaamse schrijvers. Hij was bezig van zijn gedichten een toneelvoorstelling te maken, en vroeg of ik wilde meedoen. Zo werd ik van de ene op de andere dag een professionele actrice. Hij dacht dat ik dat al was. Die toevallige ontmoeting heeft me gemaakt tot wat ik uiteindelijk ben geworden.’

De meeste mensen kennen u van Sesamstraat. Is dat prettig?

‘Ik waardeer het zeer. Televisiekijkers combineren mij met dat programma. Zij die mij ook in het theater bezoeken, krijgen me volledig, in al mijn glorie.

‘In De Balie in Amsterdam maakte ik een zondag per maand een programma dat Poëzie Hardop voor Kinderen heette. Ik ging naar basisscholen en vertelde een verhaal. De kinderen maakten een tekening of een gedicht bij dat verhaal en kwamen daarmee naar De Balie. Ik wist niet dat een redactielid van Sesamstraat daar was komen kijken en zo werd ik aangenomen, zonder auditie te hoeven doen.

‘Voor mijn afstuderen had ik een didactisch essay geschreven over Sesamstraat. In mijn ijdelheid dacht ik dat ze dat hadden gelezen en me vroegen voor de redactie, maar ze wilden me voor de camera. Voor onze eerste bijeenkomst hadden ze me een script gestuurd. Ik dacht dat het de bedoeling was dat ik die tekst zou bewerken, dus ik had allemaal aantekeningen gemaakt over hoe je kinderen op een andere manier moest toespreken. Met grote verbazing keken ze me aan. Ik weet nog dat Aart Staartjes maar één ding tegen me zei, heel langzaam: heb jij je tekst geleerd, Gerda?

‘Ik begon als Gerda, later bedacht ik de rol van een Surinaamse vrouw, de peetmoeder. In Suriname is dat een belangrijke rol. Als peetmoeder ben je de peetje van alle kinderen in de straat. Ik werd de peetmoeder van de bewoners van Sesamstraat. Het was een andere tijd, we hadden alleen televisie. Mijn kleindochter kijkt niet meer tv. Als ze dat scherm gebruikt, is het voor iets anders.

‘Televisie heeft een waarde die goed is voor je hele imago. Mijn brood verdiende ik niet met Sesamstraat. Tenminste, niet mijn hele brood. Door het programma werd ik een bekende Nederlander en kon ik zichtbaar maken waar mijn talenten liggen. Dagvoorzitter zijn, ladyspeaker – in de toneelwereld werken blijft altijd boeiend.’

Wordt u gezien als iemand die alleen voor kinderen kan werken?

‘Nee. Ik raak geïrriteerd door dit soort etikettenwerk in Nederland. Als iemand uit een bepaalde sector komt, is dat waar je hoort te blijven. Op het toneel heb ik vaak rollen gespeeld waarin ik mezelf en mijn wereld niet kon herkennen. Door mijn inventiviteit en ervaring leerde ik ze naar mijn hand te zetten. Regisseurs vonden dat prettig. In Antigone speelde ik Kreon, een mannenrol, daar maakte ik een zwarte man van.’

III. Brussel, 1990

Het gebeurde op een kunstbeurs in Brussel. ‘Toen ik 13 was, kocht ik mijn eerste kunstdingetje, ik ben er altijd geïnteresseerd in geweest. En ik ben zeer gesteld op klokken. Ik stond bij een tafel en wilde een klok aanraken, een Breguet. Dat mag natuurlijk niet. Op dat moment troffen onze blikken elkaar in een spiegel. Roelof had knalblauwe ogen, ik vond hem meteen heel bijzonder. Ik liep verder en we kwamen elkaar nog een paar keer tegen. En dan steeds naar elkaar knikken en lachen.

‘Ik was met een vriendin gekomen, maar op zo’n beurs wil ik graag eerst alleen lopen, in mijn eigen tempo. Daarom had ik met die vriendin afgesproken dat we zouden samen lunchen. Ineens was Roelof daar ook. Hij vroeg zoiets als: mag ik u beiden een lunch aanbieden, of een drankje? Die vriendin zei meteen: wat doe je nou, Gerda? Roelof maakte zijn excuses en verdween. Met die vriendin werd het een stille middag, ze had de situatie helemaal niet aangevoeld.

‘Daarna zag ik hem niet meer. Maar om 4 uur liepen we op het parkeerterrein naar de auto en wie stond daar? We liepen zijn richting op, daar was ook de auto. Roelof vroeg mijn vriendin of hij nog één keer mocht storen. Hij gaf me zijn kaartje en zei dat hij het fijn zou vinden als ik belde. Op dat kaartje stond Epse als woonplaats, ik kende het niet en dacht dat hij Belgisch was. Haastig gaf ik mijn kaartje met het verzoek of hij wilde bellen, dat vond ik eleganter. Om half 10 ging de telefoon en om 3 uur ’s nachts waren we nog niet uitgepraat.’

Wat was hij voor man?

‘Een flamboyante man, die mij niet nodig had om iemand te zijn. We hadden elkaar alleen nodig om samen ons leven te leiden. Hij kende zijn vak, galerist, daar was hij goed in. Niet stiekem, niet jaloers, ik heb hem nooit betrapt op iets lelijks. Hij had een mededogen waarvan ik hoop te hebben geleerd. Een erudiete man ook, over zijn uitspraken bleef ik altijd lang nadenken. Eerlijk, relativerend en nooit wanhopig, ook niet als het financieel minder ging. Hij vond: iedereen is goed en kan hier langskomen om te genieten van kunst.’

Samen gingen ze wonen in de verbouwde boerderij in Epse waar ook zijn kunstgalerij Lenten was gevestigd. In 2014 kreeg Lenten een hersenbloeding, met als resultaat frontotemporale dementie. ‘Daar was hij zich niet van bewust, hij bleef in de ontkennende fase. Een lieve, tere man die dacht dat hem niets mankeerde.’

Het pand is verkocht, op 19 april moet Havertong eruit.

‘Na zijn hersenbloeding werd ik gewaarschuwd dat Roelof agressief zou kunnen worden. Dat gebeurde niet, hij werd alleen stiller. Niet meer de man die het verhaal vertelde. Daarvoor was Roelof altijd van de gulle lach geweest. Als iemand dementeert, is er steeds minder communicatie. Parkinson, kanker, noem maar op – ik denk dat alzheimer de ergste is van alle ziekten. Als je hersens het niet doen, ben je niemand in de maatschappij. Er wordt over je gepraat, niet meer met je. Hij was maar aan het zoeken en wist het gewoon niet meer. Ook in zijn eigen huis niet, waar hij soms de belangrijke plekken niet meer kon vinden.

‘In de zeven jaar na zijn hersenbloeding hebben we een manier gevonden om met die dementie om te gaan. Als ik hem iets vroeg, zag ik aan de wanhoop in zijn blik dat hij naarstig aan het graven was, de glans in zijn ogen verdween. Het is niet wenselijk de nadruk op de ziekte te leggen, dan amputeer je iemand. Ik had mijn moeders dementie al meegemaakt en verwachtte niet dat het nog een keer op mijn pad zou komen. Sinds alzheimer zich aandiende bij mijn moeder, heb ik als motto: het gaat niet om hoe oud je wordt, maar om hoe je oud wordt.’

Jullie hadden samen geen kinderen. Zorgde dat voor een ander huwelijk?

‘Roelof had al twee zonen en ik een dochter. We hebben het overwogen. Toen we elkaar ontmoetten, was ik 45, dus het had gekund. Het voortbrengen van een kind is een soort stempel, het geeft iets weer van de liefde die er bestaat. Toch ben ik achteraf blij dat we verstandig hebben gehandeld. Op die leeftijd wilde ik geen kleine kinderen meer opvoeden. Ik denk dat het voordelen heeft als je elkaar treft op latere leeftijd. Wij hadden zoveel met elkaar en daar kregen we alle tijd voor.

‘Halverwege de jaren negentig heb ik achter elkaar twee autoongelukken gehad, beide keren moest ik uit het wrak worden gezaagd. Eén keer moest ik elf maanden revalideren om weer te kunnen lopen. Ik lag in Enschede, maar Roelof kwam twee keer per dag. Na zes maanden heb ik gezegd dat ik niet meer wilde dat hij twee keer kwam. Een keer was voldoende. En als ik niet meer zou kunnen lopen, zouden we het huwelijk stoppen, dan zou ik teruggaan naar Suriname. Ik gunde hem geen leven achter een rolstoel. Ik zeg altijd: een leven zonder lijden is geen leven, maar probeer het lijden zo klein mogelijk te houden. Ik dacht dat ik mijn portie wel had gehad.’

IV. Deventer, 2021

Een jaar geleden kregen Havertong en Lenten allebei corona. Terwijl ze nog zo voorzichtig waren geweest. ‘We deden alles wat werd gezegd, maar het was toch gebeurd. Roelof moest naar het ziekenhuis, ik mocht daar niet komen. Op 25 april was mijn dochter bij hem, ze belde via Facetime. We zagen elkaar weer voor het eerst sinds zijn opname. Het was dikke lol.’

Kon dat nog?

‘Dementie kent vele kanten. We maakten nog steeds hele gekke grapjes. Roelof was een slimme man, dat raakte hij niet helemaal kwijt. Kom maar naar huis, zei ik nog tegen hem, ik lig panklaar op je te wachten. De planning was dat hij een dag later naar huis zou mogen.

‘We hingen op en ineens belde mijn dochter weer. Het ging niet goed. Ik ben naar het ziekenhuis gegaan, of ik nu corona had of niet. Hij raakte buiten adem en heeft gevochten als de man die hij was. De hele nacht bleef ik bij hem, hij overleed de volgende dag, 26 april.

‘Mensen troosten mij door te zeggen: wees blij dat hij de 86 haalde, hij heeft een mooi leven gehad. Als ik het intellectueel beredeneer is dat ook zo. Maar waarom moest hij zo sterven, in een ziekenhuis, zonder de waardigheid die hij verdiende? Hij was in goede gezondheid, enkele jaren voordat we ons bestaan moesten delen met alzheimer werd Roelof nog vier keer achter elkaar bijna tenniskampioen bij de veteranen in Deventer. En ook daarna bleef hij tennissen, niet meer op het hele veld, maar met de lieve mensen die hem dat gunden. .’

Van huis uit hoort Havertong bij de Evangelische Broeder Gemeente, oftewel EBG, de grootste christelijke stroming van Suriname. ‘Als zich in je leven ziekte voordoet, of andere ellende, kom je terecht in een cocon van wantrouwen. Een oplossing bestaat soms niet meer. Dan raak je in een worsteling met het geloof. Mijn hele leven bracht ik door in een sfeer waarin me werd geleerd vertrouwen te hebben, geen doem en duisternis.

Gerda Havertong 

 Beeld Oof Verschuren
Gerda HavertongBeeld Oof Verschuren

‘Ik ben altijd aan het schommelen geweest met het geloof. Dit heeft me zo verlamd. Je komt terecht in een soort verschraling van jezelf. In het leven ben ik nu driekwart van de rotonde gepasseerd en ik ben teleurgesteld in het geloof. We waren twee zielen, met elkaar verweven en opeens is er één vertrokken. Waarom werden we zo meedogenloos van elkaar gescheiden? Waarom moest dit gebeuren, met zo’n mooi mens? Wat is de reden? Ik ben geen voorstander van de waarom-vraag, maar in dit verlammend makende verlies ontkom ik er maar moeizaam aan.’

De crematie vond een week later plaats, in Surinaamse stijl. ‘Dat wilde Roelof, hij had het vastgelegd. We zijn vaak in Suriname geweest en hadden samen het ritueel meegemaakt voor als een echtpaar op deze manier uit elkaar gaat. Roelof had er veel over gelezen, hij verstond Sranantongo en kon goed zingen in die taal.’

V. Epse, 2022

Gerda Havertong is van de briefjes. Als ze een tekst moet leren voor een toneelstuk hangt het huis vol briefjes. Als zij of Lenten vroeger alleen op reis moesten, verstopte de ander briefjes in de koffer. ‘Ik deed het tussen zijn kleren. Of in de etui van zijn tandenborstel: goed poetsen, hè?’

Nu is daar een ritueel bij gekomen. ‘Als ik ’s ochtends wakker word is het eerste dat ik doe een kaars branden voor Roelof. Briefjes heb ik nu al drie weken niet geschreven. Eerst deed ik het wel. Op het aanrecht, op de deur. Zodat ik weer geloof kan krijgen.’

Voorafgaand aan de verhuizing moet de woning worden leeggeruimd. Een proces dat al maanden duurt. ‘Roelof had zoveel spullen, alles netjes bewaard in ordners. Ik durf al die spullen nauwelijks open te maken. Straks is het weer iets nieuws dat zo waardevol is dat ik het niet kan weggooien. Het is nu bijna een jaar geleden, maar ik blijf met Roelof in conclaaf, ik voel dat hij om me heen is. Rouw kent geen einddatum.’

Op een van die briefjes staat de volgende tekst: Lobi Roelof, ik ga een hommage aan je opdragen, vind je dat fijn? In het weekend van 9 en 10 april, een week voordat de galerij annex woonboerderij moet worden verlaten, zal er in kunstgalerij Lenten een afscheid plaatsvinden, met een expositie en verkoop van de werken waarin Lenten investeerde, vooral van jonge Nederlandse kunstenaars.

‘Ik noem waar we woonden een object, in de vorm van een driehoek, een piramide. In dat perceel organiseer ik een eerbetoon voor deze originele levenskunstenaar die een van de grootste galerieën van Nederland opbouwde. En die zeer toegewijd was aan zijn omgeving en zijn kunstenaars. Dat verdient hij. Iedereen had hem moeten ontmoeten.’

En daarna?

‘Dan ben ik dakloos. Een nieuw huis heb ik nog niet. Ik hoop dat ik geen rover word die over straat zwerft. We woonden prachtig aan de IJssel, ik voelde me bevoorrecht en was dankbaar. Daar moet ik nu weg. Ik wil graag weer aan het water wonen, maar dan hoog, ik hoef geen tuin meer.

‘Mijn dochter zegt dat ik bij haar kan komen wonen, in Almere. Roelof en ik wilden eigenlijk naar Den Haag. Het elan van die stad, de allure, het doen alsof je meer kunt uitgeven. En in Den Haag heb ik ook mijn eerste indrukken van Nederland opgedaan. In een vlaag van zin hingen we bij de galerij soms een briefje op: Vanwege zin in cultuur elders is cultuur hier gesloten.’

CV Gerda Havertong

23 oktober 1946
Geboren in Paramaribo.

1952-1958
Lagere school.

1958-1960
Rust- en Vredeschool, ULO.

1960-1964
Kweekschool A / Kleuterleidster.
Onderwijzeres op Bronsweg en Albina.

1966
Eerste verhuizing naar Nederland.
Christelijke Kweekschool Amsterdam.

1967-1969
Hoofdkleuterleidster.

1969-1974
Lerares pedagogiek en didactiek in Alkmaar/Bergen.

1975
Terugverhuisd naar Suriname. Lerares pedagogiek op Surinaamse Kweekschool.

1979
Definitief verhuisd naar Nederland.

1982
Doorbraak als actrice in toneelstuk Gezangen van verre, samenstelling gedichten van Edgar Cairo.

1986-2018
Sesamstraat.

1987
In Sesamstraat een van de eersten die zich uitspreekt tegen Zwarte Piet.

1987
E. Du Perronprijs.

1992
Speelt Kreon in Antigone bij De Nieuw Amsterdam.

2003
Geridderd in de Orde van Oranje Nassau.

2016
Verteller bij The Passion.

2021
Black Achievement Oeuvre Award.