Geen trainer om op neer te kijken.

Als Piet Zoomers/Dynamo vandaag kampioen van Nederland wordt dan zit het werk van coach Toon Gerbrands bij zijn club erop....

'In mijn actieve tijd was Frank Constandse mijn grote voorbeeld. Hij was net zo goed als Ron Zwerver nu. Met Reflex uit Kampen speelde ik tegen hem in de halve finales van het bekertoernooi. Constandse vond ons veel te min. Na vier ballen zei hij: de volgende bal sla ik er diagonaal in. Nadat hij gescoord had zei hij tegen mij: ik zeg het toch. Waarom blok je me niet?

'De volgende bal ging rechtdoor, hetzelfde recept. Daarna voorspelde hij: de drie volgende ballen houd ik tegen. Boem, boem, boem. Nu houd ik er mee op, zei hij. Hij zag je niet staan, hoor. Er werd bier gedronken met Starlift en niet met Reflex, dat was drie verdiepingen lager.

'Typisch dat je een speler als Constandse niet meer hebt teruggezien als trainer. Onze trainers zijn vaak de mensen die als speler heel hard hebben moeten werken. Alberda stond niet altijd in de basis bij Stentor en Lycurgus. Mathieu was een harde werker. Ik ben een harde werker. Als speler was ik geen topper; drie Friese interlands, dat is het maximale dat ik heb bereikt.

'Tot voor kort had ik een baan als manager bij Rijkswaterstaat en trainde ik in de avonduren Piet Zoomers. In Nederland vinden mensen dat een kwestie van uitsloven. Maar ik hoef niet voor de tv te zitten. GTST? Bestaat dat nog? Ik heb het in al die jaren nog steeds niet gezien.

'Ik heb dubbele energie. Als mensen een dag met mij zouden meelopen, zijn ze bekaf. Ooit ben ik geanalyseerd in een test. Ik bleek creatief te zijn vanuit mijn stoel. Ik kan geen hamer vasthouden, maar het organiseren gaat me heel goed af. Op slapen bezuinig ik niet. Acht uur per nacht en als het een keer zes uur wordt dan haal ik dat op zaterdag weer in.

'Zoals ieder mens ben ik een product van alles dat ik in mijn leven heb meegemaakt. Ik ben in Sneek geboren en heb 22 jaar in deze stad geleefd. Bij Animo Sneek heb ik alles meegemaakt. Ik kreeg training van Paul van Sliedrecht. Die kon erg hard zijn; hij hield van normen en van duidelijkheid.

'Daarna ben ik bij Lex Honigh in Kampen terecht gekomen. Die was als trainer veel creatiever. Maar de culturen van beide clubs verschilden enorm. Bij Reflex liepen ze na een nederlaag een polonaise, als je in Sneek na een verliespartij lachte, dan werd je drie weken niet opgesteld.

'Als trainer ben ik me meteen breed gaan oriënteren. Ik heb met heel veel trainers gewerkt: Murphy, Mathieu, Goedkoop. Ik pik overal wel wat op, schrijf bijna alles op. In het begin ben ik vaak bij Arie Selinger bij Martinus en later de nationale ploeg gaan kijken. Die had overal oog voor, hij was open en wilde me alles vertellen. Selinger vond het leuk als mensen kwamen kijken. Hij nam tijd voor je.

'Toen Selinger wegging uit Nederland, dacht ik ''oei die prachtige oefenstof verlaat ons land''. Heb ik hem een brief geschreven met de vraag of ik die niet kon krijgen. Hij belde me thuis, ik schrok geweldig. Dé grote man belde mij. Ik mocht alle oefenstof hebben, hij had alleen niks op papier. Hij zei: ga met een van de spelers praten. Vervolgens heb ik drie avonden bij Zoodsma gezeten.

'Raar, maar bij Dynamo komt nooit iemand kijken. Alsof er een drempel ligt. Ik begrijp ook niet dat trainers uit andere sporten niet komen kijken. En omgekeerd. Ik heb een interview gegeven aan De Voetbaltrainer. Mijn theorieën bleken te lijken op die van Meyer van FC Twente, een man uit een topsportland, de voormalige DDR.

'Het mooie van het trainerschap is de omgang met mensen. De grootste drijfveer is om het niveau te verhogen. Als je over ambities praat, is iedereen geneigd dat meteen in resultaat te vertalen. Er wordt gesproken over een bepaalde plaats bij het EK of het WK. Bij mij moet dat nog groeien. Voor mij is het belangrijkste dat ik met een stel heel goede spelers in de zaal sta.

'Tien jaar geleden had ik nooit aan het bondscoachschap gedacht. Ik had toen hooguit de intentie om een keer in de eredivisie te komen. De eerste club die ik trainde was Zwovok uit Zwolle. Daarna volgde Harderwijk; met die club heb ik de eerste divisie gehaald. In 1991 kwam Zaanstad, een ploeg die kwalitatief weinig voorstelde, maar we werden wel achtste in de eredivisie.

'Als ik ooit trainer-van-het-jaar had moeten worden, was het toen. Dat zijn beslissende jaren in mijn ontwikkeling geweest. Ik raad iedereen aan om als coach bij een laag geklasseerde club te beginnen en daar een eigen visie te ontwikkelen. Met beperkte middelen aan de slag te gaan en dan een tien te halen.

'Bij Zaanstad kon ik rustig fouten maken. Ik had een wedstrijd waarin we met 2-0 voor stonden maar door onze gebrekkige conditie gingen we er in vijf sets op. Dat gebeurt me geen tweede keer, dacht ik. Tegen Ommen wonnen we de eerste set, vervolgens liet ik de tweede en derde lopen. In de vierde set kwam iedereen er weer in, die wonnen we, net als de tie-break.

'Dat zijn dingen die je als beginnend coach kunt doen. Gaat het niet goed dan is er niemand die je daarop afrekent. Bij een topclub kan zoiets absoluut niet. Toen ik naar Zaanstad ging, kon ik ook naar Martinus. Dat heb ik bewust niet gedaan en ik ben er nog steeds blij om. Ik zie trainers vanuit het niets bij een topclub terecht komen. Daar geloof ik niet in.

'Net zoals spelers worden opgeleid denk ik dat coaches een bepaald traject moeten afleggen. Nu ben ik de man bij Dynamo en bij het Nederlands team, maar ik profiteer van mijn ervaringen bij Sneek. Het vrouwenteam van Olympus runde ik samen met Ruut de Wit, een goede trainer. Wij hadden een toekomstteam klaar met Elshof, Fokkens, Fleurke. Iedereen zou komen. Een bestuurslid lag dwars. De Wit en ik moesten het veld ruimen.

'Toen is in Nederland geroepen: die Gerbrands is te hard èn te ambitieus. Zo werd het in Sneek verkocht. Maar in Apeldoorn zeiden ze: die vent moeten we hebben. Zo ben ik bij de heren terecht gekomen. Moest ik weer strijden tegen het vooroordeel dat ik altijd vrouwenteams had gecoacht. Zo'n overstap zou niet kunnen.

'Voor mij was het een herkenbare situatie. Bij Rijkswaterstaat heb ik precies hetzelfde aan de hand gehad. Ik was de eerste manager die geen specifieke opleiding had genoten voor hoofd dienstkring. Overal in Nederland riepen ze: dat zal me wat worden. Nu roepen ze: we moeten alleen nog managers hebben en niet die opgeleide diensthoofden.

'Bij Dynamo vonden ze me ook al lastig te vervangen. En bij het Nederlands team zal ik ook weer met twijfels moeten afrekenen. Ik breng blijkbaar een weinig overtuigende uitstraling met me mee. Bij mijn aanstelling bij Dynamo schijnen de spelers ook te hebben gezegd, wat moeten we met Gerbrands? Na een jaar vonden ze mij absolute top.

'Ik zal met prestaties moeten laten zien waarom ik de opvolger van Alberda ben geworden. Voorlopig is het me gelukt mijn beginnersgeest en enthousiasme over te brengen op de spelers. Ik ontmoette mensen die heel veel zin hebben in de komende zomer. Ik had juist apathie en afwachting verwacht.

'Geen van de spelers heeft geroepen, dit wordt mijn laatste jaar. We hebben natuurlijk het geluk dat het Europees kampioenschap in eigen land wordt gehouden. In dat geval is het gemakkelijker spelers aan boord te houden. Als het EK in Tsjechië was geweest, waren er ongetwijfeld veel spelers afgevallen. Van de basisploeg van Atlanta blijven vijf spelers beschikbaar. Dat is een voordeel dat geen enkele concurrent heeft.

'Ik heb altijd gezegd: tussen Alberda en mij bestaat geen enkel verschil. Want een coach moet alles uit zijn groep halen, zijn rol is altijd dezelfde. Alleen ik werk met materiaal X en hij met materiaal Y. Ik ben een man van normen. Wie onder het net door serveert, krijgt last met me. Daarvoor leg ik de training stil, dan krijgen ze het te horen.

'Mijn plussen liggen in de zaaltraining, het opleiden en opvoeden van jonge spelers, het begeleiden van mentale processen. Ik ben meer trainer-manager dan trainer-coach. Voor je een bal hebt geslagen, moet er zoveel geregeld en afgesproken worden. Van vakanties tot doelstellingen. De trainer geeft de vrijheid en de verloven, Verhalle is manager voor andere zaken.

'Voor mij is volleybal een spel om de punten. Volleybal is geen kunstrijden. Het gaat niet om de beoordeling van een mooie aanval, om een bordje met de waardering van 5.8 of 5.9 te krijgen. Mijn spelers moeten balen van een verloren partijtje dammen met hun neefje van drie.

'Het speltype zal zich ook in mijn vier jaar weer wijzigen: het wordt weer sneller, beter en anders. Alberda wist in 1992 ook niet waar hij zou uitkomen. Als ik kijk naar Schuil, naar Van de Goor, naar Van der Meulen, dat zijn alleskunners. Deze generatie is meer allround dan de vorige. De tijd is voorbij dat spelers met twee aardige basistechnieken in het Nederlands team konden komen.

'Wat in de wereld nog steeds uniek is, zijn de onbeheersbare spelers. Zoals Van der Meulen. Hij heeft net als Elles Leferink een derde oog. Je weet nooit wat zo iemand doet. Slaat hij diagonaal, rechtdoor of via de handen? Twee of drie van zulke spelers in je ploeg zou ideaal zijn. Vind je die dan praat je meteen over een heel ander concept.

'Ze zeggen van me dat ik oog heb voor talent. Dat heeft met visie te maken. Mijn tijd bij de meiden van Jong Oranje blijft voor mij daarom een jongensboek. Riëtte Fledderus zou te klein zijn, maar ik vond dat ze bij blokkeren altijd op het juiste moment sprong. Daardoor hoefde ze geen meter boven het net uit te komen. Maar elke tweede bal komt bij haar als spelverdeelster. Dat kan ze perfect, dat compenseert.

'Ik had Anouk Suythof als spelverdeelster bij Jong Oranje, dat had in een kwalificatietoernooi twee wedstrijden gewonnen. Toen kwam de derde wedstrijd, tegen gastland Polen. Die kleine Fledderus had nooit meegedaan. Ik zeg tegen mijn assistent Boonstoppel: de enige kans om die wedstrijd te winnen is mèt haar. Dus dat doen we gewoon. We winnen met 3-0 en zij wordt vervolgens uitgeroepen tot spelverdeelster van het toernooi.

'Ik denk dat bijna geen coach dat zal durven. Maar dat is een instinct. Mathieu heeft me ooit geleerd dat de signalen die je krijgt niet uit het niets komen. Je kent ze, je traint ze. Als je de moeilijke weg wilt gaan, dan moet je zo iemand opstellen. Als je het jezelf gemakkelijk wilt maken, doe je het niet. Die ander zakt door het ijs en je zet je eigenlijke troef in. Goede wissel Gerbrands, zeggen de mensen dan.

'Voorlopig doe ik alleen maar dingen die goed zijn voor het Nederlands volleybal, maar niet voor mezelf. Ik ga met Latuhihin als spelverdeler beginnen. Hij is een hoofduitvoerder, Blangé een architect. Ik heb Peter voor het hele programma gevraagd en dan zou hij ook gespeeld hebben; Cruijff houd je ook niet aan de kant. Maar Blangé was niet meteen honderd procent inzetbaar en heeft oog voor het teambelang.

'Om het simpeler te maken had ik beter een paar ouderen als Grabert en Rodenburg kunnen meenemen, maar als je een beetje nadenkt over het vierjarenplan, dan zet je die er niet bij. Ik vind niet dat zulke spelers in de staart van de groep thuis horen.

'Ik moet verjongen, een inhaalslag maken. We hebben goede jonge spelers, maar voor de opvolging staat nog weinig klaar. Het team van Atlanta vormt mijn basis. Daarvan vallen er een of twee af. De generatiespelers zoals Schuil en Latuhihin schuiven op in de hiërarchie, zijn de vaste jongens voor Sydney.

'Iedereen praat tegenwoordig mee over volleybal. Het is een absolute A-sport geworden. Minister Jorritsma, tot voor kort mijn hoogste baas, ontmoette ik in Atlanta. Zij moest voor de regeling tekenen die ik bij Rijkswaterstaat kreeg. Vroeger lag dat moeilijk. Nu is het de omgekeerde wereld: ze vinden het fantastisch als iemand zo'n functie krijgt. Het was in twee minuten geregeld.

'Ik wilde zelf altijd graag full-time trainer worden, maar ik sta niet alleen in de wereld. Ik had een heel goede baan bij Rijkswaterstaat. Ik heb nu een detacheringsregeling. Mijn voorzieningen lopen door en als het mis gaat bij het Nederlands team kan ik terug naar een vergelijkbare stoel.

'Geld vind ik niet interessant. Ik verdien redelijk. Mijn kinderen kunnen op een sportclub, krijgen een mooi cadeau als ze jarig zijn en we kunnen op vakantie. Da's genoeg. Ik geef drie clinics per jaar bij clubs, zonder enig honorarium. Dat heb ik me ooit voorgenomen toen ik in de jeugdcommissie zat en merkte dat clubs die vijfhonderd gulden voor een lezing moeilijk konden betalen. Ik vraag geen bloemen, maar videobanden van Laurel & Hardy. De serie is op één na compleet.

'Als ik iets voor de jeugd kan doen dan hoef ik daar geen seconde over na te denken. Ik ben erg gericht op de jeugd. Ik heb ontdekt dat jongetjes van twaalf jaar, de C-jeugd, zich naar hun eigen helden richten. Zwerver en Blangé zijn voor hun wat Cruijff en Van Basten voor het voetbal betekenen.

'Toen de kinderen zes jaar waren, begon het volleybal op tv te komen. Ik heb die lichting gezien. Ze moeten het net bijna verhogen, zo'n perfecte sprongservice slaan ze. Harder dan je je kunt voorstellen. De dip die de mannentak qua talentontwikkeling heeft doorgemaakt is voorbij.

'De grote Russische coach Platonov zag de mogelijkheden van de Nederlanders al jaren. Hij zei: als Nederland een keer serieus gaat trainen, zoals de toen ongenaakbare Russen, dan redden wij het niet meer. Platonov was een profeet. Alleen wij dachten dat we het afkonden met vijf uur training. Arie Selinger heeft ons geholpen om dat te ontdekken.

'Voor mij zijn er twee soorten trainers: goede en slechte. Als ik bij het Nederlands team word gevraagd, zal ik wel een goede zijn. En als trainer heb ik maar één stempel: het Gerbrands-stempel.

Meer over