Je kunt het maar één keer doen

Frans wist het zeker: als hij dement zou worden, zou hij de rit niet uitzitten

De dood kunnen we niet ontlopen. Afscheid ­nemen van het leven kan op veel ­manieren. Hoe je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt ­Barbara van Beukering ­nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

null Beeld Krista van der Niet
Beeld Krista van der Niet

Frans Berings (75, docent kunstgeschiedenis en tekenen) overleed op 26 maart 2021 door euthanasie. Hij is 25 jaar getrouwd geweest met Ellen van Beveren (71, leerkracht basisonderwijs) met wie hij drie dochters had: Fieke (47), Marloes (47) en Lotje (43). Hij had zes kleinkinderen.

Ellen: ‘Frans speelde heel mooi piano en kon prachtig tekenen. Ik was 22 en vreselijk verliefd. We trouwden al na een jaar, twee jaar later kregen we de tweeling. Vijfentwintig jaar hebben we het fijn gehad samen, maar toen kwamen we op een punt dat we ons realiseerden dat we elkaar in de weg zaten in onze ontwikkeling. We wisten allebei dat het op was. De scheiding is prima geweest, het was helemaal niet vervelend. Frans kocht een huis in Frankrijk waar ik geregeld naartoe ging. Als hij in Nederland was, logeerde hij bij mij, dat was ook geen punt. Eens per jaar gingen we in de herfst samen een week naar Spanje. We waren goede vrienden.

Toen we een keer met alle kinderen en kleinkinderen bij Frans in Frankrijk waren, vroeg ik tijdens het koken: ‘Frans, heb jij prei in huis?’ Hij antwoordde: ‘Prei, wat is dat, kun je dat eten?’ Toen ik uitlegde wat prei was, ging er geen enkel lampje branden. Het was een heel gekke ervaring. Een paar dagen later deden we samen boodschappen en toen we bij de groenteboer waren, vroeg hij: ‘Moest jij nog prei hebben?’ Het was weer terug. Hij herinnerde het zich niet dat hij het een aantal dagen daarvoor niet meer geweten had. We wisten allebei dat het proces was begonnen. Aan de ene kant waren we geschrokken, aan de andere kant kwam het niet als donderslag. Zijn vader is heel erg dement geweest, zijn oudere broer ook; het zit echt in zijn familie. Frans heeft vanaf het moment dat zijn vader dement was, altijd gezegd: ‘Als ik het krijg, ga ik die rit niet uitzitten.’

Limiet

Op het moment dat hij de afstand van Frankrijk naar Nederland niet meer durfde te rijden, besloot hij hier weer te komen wonen en hij verruilde zijn landgoed voor een comfortabel appartement in Veghel. Hij is nooit naar een neuroloog gegaan omdat hij zelf precies wist wat er aan de hand was. Hij besprak met zijn huisarts het dossier dat hij wilde vormen om euthanasie te krijgen voordat hij wilsonbekwaam zou worden. Hij legde de grens bij het moment dat hij niet meer voor zichzelf kon zorgen. Hulp van ons was nog tot daaraantoe, maar hulp van anderen was zijn limiet. Als er ’s ochtends iemand moest komen om hem uit bed te halen en te helpen douchen, was het voor hem klaar. De huisarts zei dat ze hem wel wilde begeleiden, maar was terughoudend in het uitvoeren van de euthanasie. Wie het dan zou doen, bleef onduidelijk.

Omdat Frans dit geen prettige gedachte vond, zochten we een huisarts die het hele proces wel tot het einde zou uitvoeren. Een vriendelijke, betrokken man van halverwege de 40, die zei: ‘Als het aan de orde is help ik u, maar u moet wel dapper zijn. Als we samen bij het verpleeghuis staan, bent u te laat.’ Het gaf Frans veel rust. Om de twee á drie maanden ging hij even naar de huisarts omdat hij bang was dat hij te laat zou zijn. De huisarts vroeg steevast: ‘Weet u het nog zeker?’ Waarop Frans altijd antwoordde dat hij het heel zeker wist. Ze namen altijd even door wat hij nog kon en wat hij niet meer kon. De huisarts sloot altijd af met: ‘U bent leidend. Uitzichtloos is duidelijk, dit wordt niet beter, dit wordt alleen maar erger. Maar of het ondraaglijk is, bepaalt u.’

Lezen

Ik weet nog goed dat hij aan kwam fietsen in de herfst. Hij stond met zijn fiets in de hand bij mijn voordeur en hij moest verschrikkelijk huilen: ‘Ik weet niks meer en ik kan niks meer.’ Het was zo verdrietig. Binnen hebben we koffie gedronken. Hij kon goed over zijn gevoelens praten, maar de wereld om hem heen werd steeds kleiner en minder interessant. Hij kon bijna geen piano meer spelen omdat hij geen noten meer kon ontcijferen. Hij kon niet meer lezen en schrijven. Hij kon gek genoeg nog wel iets noteren. Als ik een afspraak had gemaakt bij de huisarts voor dinsdag om negen uur, schreef hij dat op. De motoriek van schrijven zat er nog, maar hij kon niet meer lezen wat hij zelf opgeschreven had. Hij kon nog televisiekijken, spelletjes doen op de iPad en wandelen. Iedere ochtend maakte hij dezelfde wandeling van een uur door het natuurgebied langs de Aa. Terneergeslagen vroeg Frans me hoe vaak hij die wandeling nog moest maken. Ik zei: ‘Jongen, als jij het niet meer wil, hoeft dat niet meer.’

Op een dag zei hij: ‘Ik wil een afspraak maken bij de huisarts, ga je mee?’ Over die vraag moest ik goed nadenken. Het was zo’n belangrijke stap dat ik vond dat hij dat alleen moest doen, ik moest daar niet tussen zitten. De avond voordat hij naar de huisarts ging, belde hij om half 11. Ik schrok want hij ging altijd heel vroeg naar bed: ‘Wat is er aan de hand?’ ‘Dat woord’, zei hij, ‘ik weet het woord niet meer dat ik moet zeggen.’ Ik vroeg hem of hij euthanasie bedoelde. ‘Ja, dat is het!’, zei hij. ‘Maar dat hoef je niet te zeggen’ stelde ik hem gerust, ‘als je binnenkomt en je zegt dat je er klaar mee bent, weet die huisarts genoeg.’

Frans en Ellen. Beeld Privéarchief
Frans en Ellen.Beeld Privéarchief

Limonade

De huisarts kwam op 26 maart om 3 uur. ’s Ochtends maakten we met z’n vijven de wandeling die Frans elke dag had gemaakt. In de gang vroeg ik hem of hij zich realiseerde dat hij voor de laatste keer zijn jas aantrok, waarop hij kalm antwoordde: ‘Ja, ik trek voor het laatst mijn jas aan’. De stemming was niet bedrukt, wel voelden we een intense saamhorigheid. We streken neer op een bankje en maakten de laatste foto’s met Frans.

Om half 3 ’s middags zette ik de wijnglazen op tafel. Frans wilde geen glas: ‘Dat durf ik niet want zo meteen heeft de wijn invloed op de medicatie.’ Hij kreeg limonade. Nadat we getoost hadden, kwam de huisarts binnen die zei dat Frans gerust een glaasje wijn kon drinken. Tijdens het toosten herhaalde de huisarts wat hij vaker had gezegd: ‘Mijnheer Berings, ik beëindig uw lijden en daarmee helaas ook uw leven’. Op een gegeven moment stond Frans op, zette zijn glas op de piano en zei tegen de huisarts: ‘Ik ben zover. Als u zover bent?’

We hebben hem allemaal een knuffel gegeven voordat de huisarts de injectie toediende. Frans’ hart bleef nog een aantal minuten kloppen. Dat lijf was natuurlijk nog heel sterk, dat was helemaal niet ziek. Na vijf minuten was hij dood. Dat was zó onwerkelijk. Je staat naast dat bed terwijl hij er net nog was, en opeens is hij er helemaal niet meer. Lot zei: ‘Het is net zo onwerkelijk als met een geboorte. Zolang het kind nog in je buik zit, kun je je niet voorstellen hoe het is als het eruit komt.’ Op de wereld komen en de wereld verlaten heeft een zelfde soort onwerkelijkheid.

Omdat ik nu gezien heb hoe Frans het heeft gedaan, denk ik dat ik het ook wel zou durven als ik in zo’n situatie terechtkom. Frans is absoluut een voorbeeld.’

Meer over