Feestelijke strijdlust wordt beloond

Profiel..

Arjan Peters

Op haar 14de wist Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942) al wat nostalgie is. ‘Verdween er een groenteboer in de straat, dan kon ik wel huilen.’ Waarom moet iets voorbijgaan of ophouden, en waarom lijkt het altijd alsof de kwetsbare en onschuldige dingen het eerst moeten verdwijnen? Leven is kennismaken met onttovering.

De wereld is geen pretje, de medemens deugt niet. Maar dat betekent nog niet dat je het hoofd moet buigen. Met een radicalere aanpak, door compromisloos en feestelijk ten strijde te trekken, het lot te tarten door er je eigen tover tegenover te stellen, kun je van potentieel slachtoffer in een overwinnaar veranderen.

Op een scheve vloer valt te leven en met een lek ook, leerde de dochter van een kunsthistoricus toen ze aan de Nieuwegracht in Utrecht woonden in een huis met veel kamers en nisjes. ‘Dus namen we gewoon een half bordje soep in plaats van een vol bord. Dan kon er niets overheen gaan. Raar misschien, maar het maakte voor mijn ouders niets uit. En ik denk er precies zo over’, zegt Mutsaers in het zojuist verschenen Paraat met pen en penseel, verschenen ter gelegenheid van een overzichtsexpositie van haar beeldende werk, nu te zien in de Venetiaanse Galerijen van Oostende.

Ze studeerde Nederlands, was daarna jaren schilderdocente aan de Gerrit Rietveld Academie, en vooral bekend van haar illustraties (houtsneden, tekeningen, schilderijen), onder meer bij het werk van Maarten Biesheuvel en Adriaan van Dis. Nadat ze enkele boeken met emblemata (Het circus van de geest, Hazepeper) publiceerde, nam haar beeldende productie af en kwamen de tekeningen en knipsels in dienst te staan van essayistische verhalen: Kersebloed, Paardejam, Zeepijn.

Een dubbeltalent, stelde ook het juryrapport van de P.C. Hooft-prijs maandag. Nee, een tripletalent, zo heeft ze zich al eerder tegen die karakteristiek verzet; ‘als u eens wist hoe goed ik paard kan rijden’. Maar dat schijnt niet te tellen. ‘Waarschijnlijk omdat er een dier bij betrokken is.’

Dieren krijgen het volle pond in haar werk. Van hazen en foxterriërs tot kreeften, die nog altijd levend gekookt en dan genuttigd worden in visrestaurants – daartegen komt het militante Lobster Liberation Front in haar jongste roman Koetsier Herfst (2008) niet voor niets in opstand.

In haar essays heeft ze haar geliefde schrijvers besproken: Daniil Charms, Michaux, Ponge, Hanlo en Kafka. Geestig, onconventioneel, marginaal bij leven soms, maar altijd eigenzinnig. Buitenbeentjes vaak, die hun afwijkende kijk op de dingen moesten bekopen met onbegrip, eenzaamheid of melancholie die tot zelfmoord kon voeren.

Met Kafka heeft ze nog een appeltje te schillen, staat in haar recent verschenen bibliofiele dichtbundeltje Slagboom in bloei. De hoofdpersoon die slachtoffer wordt in Het proces sterft, schrijft Kafka, ‘wie ein Hund’. Dat is tragisch, maar ook abject, aldus Mutsaers: ‘veranderen wij domweg/ Hund in Mensch’, dan wordt dat slot harder en effectiever.

Heerlijk mens, is haar wel toegevoegd, onder verwijzing naar haar komische tekeningen met onderschriften (‘Zelfs een haas van chocola/ poept wel eens vanieljevla’), de naam van de hoofdpersoon in de roman Rachels rokje (Rachel Stottermaus, een anagram), of de hoofdstukken van die roman die – we houden immers een rokje in handen – plooien heten. Een minder oppervlakkige lezing maakt al snel duidelijk dat ze nooit lollig is uit hobbyisme. Ze ziet zich gedwongen afwijkende paden in te slaan (zoals een boek maken over het opzienbarende monsterverbond tussen zee, dennen en Kerstmis), om aan dreiging en boze machten te ontkomen.

Grillig, vooruit, maar die grilligheid is een doelgerichte, en wie van onbevangenheid rept kan de mond spoelen. Radicaal is eigenlijk ook verkeerd. ‘Radicaliteit bestaat niet,’ zegt dierenactiviste Dora in Koetsier Herfst (eerder dit jaar genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, gisteren alsnog bekroond), ‘er bestaan alleen verschillende standpunten. Kijk maar naar de horizon. Bij het geringste sprongetje gaat hij al omlaag maar de lafaards durven dat sprongetje niet te maken.’ De creatieve explosie van die roman is één groot pleidooi tegen relativering. ‘Er is maar één realiteit, die van jezelf.’

Zo kun je ook de herfst des levens met een gerust hart verbeiden, is de les die de schrijver Maurice Maillot opdoet in Oostende, de voormalige koningin der badsteden, waar Mutsaers zelf dikwijls komt uitwaaien met man en hond, en om een groet te brengen aan de maskers van de wonderbaarlijke schilder James Ensor.

Schattig is nooit interessant, en het verschil tussen ernst en speelsheid kan niemand haar goed uitleggen. Alles gaat fel bij mij, heeft Charlotte Mutsaers wel eens opgemerkt. ‘Ik kan niet zeggen of het doden van een varken me minder raakt dan het doden van een gemiddeld mens.’

Met zulke uitspraken kan ze voor onrust zorgen, maar die neemt ze op de koop toe. Het gaat erom dat de bestaande hiërarchieën en normen niet de hare zijn. Dat is iets anders dan naïeve speelsheid. Iets héél anders. In de inleiding bij De markiezin schrijft ze dat het leven altijd op springen staat, uit elkaar kan klappen. Dat inzicht kan leiden tot verstarring en defaitisme. Mutsaers put er juist de energie uit om die doem met engelengeduld en passie, met feestelijke strijdlust uit te dagen. ‘Fabuleren terwijl het erop is of eronder, zoiets noem ík nu fout.’ Dit oeuvre, en deze prijs, kan niemand haar meer afnemen.Arjan Peters

Meer over