Fatale inbraak doorkruist een droom van leven zonder armoe

Voor de kinderrechter staat Boris (18), vanwege dingen die hij als minderjarige heeft gedaan. Later moet hij zich als volwassene verantwoorden voor een inbraak met dodelijke afloop....

Boris zit ineengedoken op het plastic stoeltje in de rechtbank, zijn schouders naar voren, zijn handen ineengevouwen tussen zijn knieën. Hij heeft zijn hoofd gebogen. Nu en dan loert hij vanonder zijn zwarte wenkbrauwen naar mevrouw de kinderrechter. Boris is nog niet zo lang 18.

Wie hem zo ziet, zal medelijden met hem krijgen. Boris kan doorgaan voor een vent van 30. Hij heeft een baard van maanden, waarvan de haren alle kanten opspringen. Zijn nagels zijn smerig. Zijn haar is vet, dik, onverzorgd. Deze jongen heeft al een leven achter de rug dat zich letterlijk afspeelde in de goot. Hij zit voor de kinderrechter in een oud, aftands regenjasje. Van zijn spijkerbroek – waarschijnlijk van iemand anders – zijn de zomen hoog omgeslagen.

Boris is iemand die niemand wil kennen. Een zwerver zonder vrienden. Toch stonden even alle schijnwerpers op hem gericht. Zijn gezicht was op de nationale televisie. Vage videobeelden van een beveiligingscamera. Uitgezonden bij Opsporing Verzocht, in het kader van een triest misdrijf. Landelijke en regionale kranten schreven over hem als vermoedelijke dader.

Wat moet je met zo’n knul?

Geboren in een ver land. Hiernaartoe gekomen omdat hij als kleine jongen misschien droomde van een leven zonder armoe. Van een dag met wat geld, waarmee hij wellicht een homp brood kon kopen voor zijn moeder en voor hemzelf. Maar zijn moeder is hier niet. Zij zit in haar moederland in de gevangenis voor drugssmokkel. Binnenkort komt ze vrij. ‘Dan komt ze naar Nederland’, mompelt Boris.

Jarenlang zwierf Boris in Nederland over straat. Hij sliep overal en nergens, en jatte zijn leven bij elkaar. Geregeld werd hij opgepakt. Dan zat hij een paar maanden in een crisisopvang of een jeugdgevangenis. Hij hield het er nooit lang uit. Dat lag aan hem (het lastige leven op straat gaf hem een gevoel van vrijheid) en aan de wachtlijsten (de juiste plek in het opvangcentrum kwam niet vrij).

Eind 2006 ging hij naar een forensische kliniek. Hij hield het er weken vol. Bij het Openbaar Ministerie waren ze verrast door zijn uithoudingsvermogen. Maar de juiste behandelplek kwam maar niet vrij. ‘En toen waren we hem plots weer kwijt’, zegt de officier van justitie. Boris was weggelopen. ‘We wisten dat we hem wel weer zouden tegenkomen. Het was wachten op de volgende inbraak.’

Die kwam er ook, maar het was er een met fatale afloop.

Het is die zaak, die vandaag zijn schaduw vooruit werpt. Of zoals de officier van justitie zegt: ‘Boris, jongen, dit gaat jou nog wel een paar jaar van je leven kosten.

Dat Boris nu bij de kinderrechter moet komen, is een juridisch handigheidje. Hij pleegde de fatale inbraak toen hij 18 was. Daarvoor zal hij zich als volwassene moeten verantwoorden; maar er staan ook nog een paar zaken open die hij als minderjarige pleegde. Justitie wil die jeugdzaken zo snel mogelijk ‘weg’ hebben. Dan heeft de ‘volwassenenrechter’ de handen vrij om Boris de straf en/of de behandeling te geven die volgens hem goed is.

‘Ik zou naar school willen’, vertelt Boris de kinderrechter. Hij klinkt even als een kind. ‘De laatste keer dat ik op school zat, was 5 jaar geleden. Zo lang geleden dat ik niet meer weet welke school. Ik zou als timmerman willen werken, op straat leven heeft geen zin. De laatste keer dat ik mijn moeder sprak, was per telefoon, een week voor ik werd opgepakt. Ze zou snel vrij komen. Ze wachtte op een paspoort, en dan zou ze hierheen komen.’

Peter de Greef

Meer over