Even verderop praten papoea's geheel anders

Ronselden de papoea's in de Vogelkop vroeger vrouwen of arbeidskrachten in een naburig dorp, dan konden ze die aanvankelijk vaak niet verstaan....

ALS SPREKERS van het Meyah het hebben over een mes, dan zeggen ze meitowok. Wie pakweg dertig kilometer oostelijker is geboren, spreekt daarentegen Hatam. Heeft zo iemand het over een mes, dan zegt hij singau. Een kilometer of twintig zuidelijker wordt een mes aangeduid met ketme, want daar spreken ze Sougb. Komen deze mensen elkaar tegen, dan kunnen ze elkaar niet verstaan, tenzij ze eerst de taal van de ander leren.

De sprekers van Meyah, Hatam en Sougb wonen op de Vogelkop, het noordwestelijke schiereiland van Irian Jaya. De Vogelkop is ongeveer zo groot als Nederland. De autochtone bevolking telt slechts honderdduizend personen, verdeeld over kleine gemeenschappen. Die gemeenschappen spreken evenwel twintig verschillende talen, plus wat dialecten van die talen. Geen wonder dat het op de Vogelkop smullen geblazen is voor taalkundigen.

Het Nederlandse onderzoek naar deze twintig Papoea-talen maakt deel uit van het NWO-project Irian Jaya Studies (ISIR), dat valt onder Wotro, Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen. In dat interdisciplinaire ISIR-project hebben zich linguïsten, antropologen, bestuurskundigen, biologen, archeologen en geologen verenigd.

Irian Jaya en de Vogelkop wekten de interesse van de onderzoekers omdat het in meerdere opzichten een belangrijk overgangsgebied bleek. De fictieve Lijn van Wallace scheidt hier Indonesië van Nieuw-Guinea en Australië. Voer voor bijvoorbeeld geologen, omdat er in dat gebied een aantal oude breukvlakken loopt. En ook biologen kunnen er hun hart ophalen, want flora en fauna veranderen er abrupt van samenstelling.

In taalkundig opzicht vormt het een overgangsgebied tussen overwegend Austronesische talen (behorend tot de familie waarvan Indonesische en Filipijnse talen ook deel uitmaken) en niet-Austronesische, zoals die in het merendeel van Nieuw-Guinea worden gesproken. Volgens archeologen werd Nieuw-Guinea vijftig- tot zestigduizend jaar geleden al bewoond. Papoea-talen hebben daarom zeer oude wortels.

Sinds het begin van het ISIR-project in 1993 heeft de taalkundige tak de Vogelkop vrij grondig in kaart gebracht. Onderzoeksleider is taalkundige dr. G. Reesink, aan de Rijksuniversiteit Leiden verzeild geraakt nadat hij er vijftien jaar werken in Nieuw-Guinea op had zitten.

Die enorme verscheidenheid aan zeer oude talen in zo'n klein gebied laat zich verklaren vanuit geografisch, historisch en sociologisch perspectief, legt Reesink uit. Een taal kan zich los van andere talen ontwikkelen en handhaven door ruimtelijk isolement: de nederzettingen op de Vogelkop liggen weliswaar hemelsbreed niet ver uit elkaar, maar bergen, wouden, rivieren en moerassen vormden millennia lang serieuze obstakels.

Het isolement is deels ook een kwestie van vrije keuze: de bewoners van de nederzettingen zijn vaak erg gehecht aan hun stukje geboortegrond, hun berg, hun bos. Daarover geven ze elkaar traditionele verhalen door, ze hebben er benamingen voor en gezegdes. Daar ligt het begin van de taal als drager van de cultuur van de mensen die haar spreken.

Taal kan ook een manier zijn om je bewust te onderscheiden van personen met wie je niks te maken wilt hebben. Gemeenschappen leefden eeuwenlang in vijandschap met naburige nederzettingen. Volgens Reesink traden ze alleen met elkaar in contact als er zeer dringend behoefte was aan spullen, aan huwelijkspartners, of aan arbeidskrachten, die ze dan 'goedschiks of kwaadschiks' gingen 'halen'. Reesink: 'Als groepen mensen uit elkaar gaan, ontwikkelen ze afzonderlijk van elkaar snel nieuwe woorden, uitdrukkingen en een specifieke uitspraak. Zo groeien talen uit elkaar.'

Nederzettingen die in de buurt liggen van de kust zijn in aanraking geweest met vreemde zeevaarders; in sommige kuststreken is daardoor de invloed te merken van overzeese talen.

'Zo is een situatie ontstaan waarnaar wij als onderzoekers met verbijstering kijken', meldt Reesink. Met collega's en onderzoekers-in-opleiding heeft hij van enkele talen een woordenschat en een grammatica opgesteld. Veldwerk in de meest letterlijke zin van het woord, legt hij uit. Je gaat met je vragen, je bandrecorder en je schriftje het binnenland in, op zoek naar sprekers van een taal. Je zet de bandrecorder aan en begint te vragen. 'Hoe zeg je ''mijn vader'' in jouw taal? En ''moeder''? En ''boom'', of ''dit huis is van jou; dat huis is van mij''?', aldus Reesink. Vervolgens wordt de spreker gevraagd verhalen te vertellen die uit zijn cultuur afkomstig zijn.

De tekst op band wordt in fonetisch schrift uitgeschreven, waarbij patronen in taalgebruik al snel duidelijk worden. Bij het uitwerken helpt een spreker van de taal, om fouten in uitspraak te voorkomen en om duidelijk te houden waar de grenzen tussen woorden liggen; woord-eindes kunnen moeilijk te vinden zijn in snel uitgesproken zinnen.

0 E TWINTIG talen van de Vogelkop blijken erg op elkaar te lijken in grammaticaal opzicht, en voor wat betreft de manier van verbuigen en vervoegen. De grammaticale volgorde is in alle talen onderwerp-gezegde-lijdend voorwerp. De grote verschillen doen zich voor in de woordenschatten. Reesink geeft een voorbeeld uit Hatam en Sougb.

A-bi-digo is 'jij snijdt met een instrument' in Hatam: het werkwoord is vervoegd volgens de tweede persoon enkelvoud, plus een morfeem ('bi') dat een instrument aangeeft. Sougb doet precies hetzelfde: 'jij snijdt met een instrument' is daarin b-a-etgwau, tweede persoon enkelvoud van snijden, plus het morfeem 'a' voor instrument.

Dankzij die overeenkomst in grammatica, in de manier van vervoegen en verbuigen kunnen de sprekers van de verschillende talen zich de spraak van de buren wel snel eigen maken. Voor veroverde huwelijkspartners en arbeidskrachten is het dus een kwestie van zich de - doorgaans erg uitgebreide - nieuwe woordenschat eigen maken. De aangeleerde woorden kunnen vrijwel naadloos worden overgeplant in de taalkundige structuur die al in het hoofd zit. Heden ten dage zijn veel mensen op de Vogelkop dan ook twee- of drietalig, vooral als ze omwille van de werkgelegenheid zijn verhuisd.

Bovendien constateert Reesink dat de grenzen tussen Vogelkop-talen lokaal geleidelijk kunnen verlopen, zoals die tussen Nederlands en Duits in de ene plaats duidelijker zijn dan in de andere. Dialecten van verschillende hoofdtalen lijken regionaal erg op elkaar, maar de verschillen op enige afstand zijn groot. Zoals het geval is met Zuid-Limburgse dialectsprekers in een dorpje pal aan de grens. Die begrijpen hun Duitse buren die vijf kliometer verderop wonen, doorgaans prima. Daarentegen kunnen een Eindhovenaar en iemand uit Hannover elkaar alleen verstaan als de een de taal van de ander leert.

Uiteraard kampt ook de Vogelkop met het probleem dat zovele zogeheten kleine talen bedreigt: een aantal wordt met uitsterven bedreigd. Een taal als het Borai, in het noordoosten, kent nog maar acht tot tien sprekers en wordt niet meer actief overgedragen op een nieuwe generatie. In zo'n geval kan de taalkundige niet meer doen dan de eigenaardigheden en de woordenschat vastleggen zolang hij nog sprekers kan vinden.

Mieke Zijlmans

Meer over