InterviewBeatrijs Ritsema

Etiquettedeskundige Beatrijs Ritsema: ‘Het maakt me helemaal niet uit of mijn advies wordt opgevolgd’

Beeld Noël Loozen

Al twintig jaar staat Beatrijs Ritsema lezers bij in kwesties rondom etiquette in haar rubriek Moderne Manieren. Altijd in dezelfde laconieke, verzoenende Ritsema-stijl, en over de centrale vraag: ‘Hoe kun je de ander blijven respecteren zonder dat je er zelf aan onderdoor gaat? – dat is de kunst.’

Vroeg je twintig jaar geleden aan etiquettedeskundige Beatrijs Ritsema (66) of je ‘goedemorgen’ hoort te zeggen tegen de NS-beambte achter het loket (‘Dat hele loket is intussen verdwenen, maar dat is een andere kwestie’), dan antwoordde zij: nee hoor, nergens voor nodig. Bestel gewoon een retourtje Amsterdam – een ‘fijne dag’ wensen alleen slijmerds in Amerika elkaar.

Hoe anders is dat nu. Hoe gaat het?/mag ik u iets vragen?/hartelijk dank, hoor/prettige dag nog/ u ook een fijne avond! is de norm geworden, niet tot ongenoegen van Ritsema overigens, die zelf ook meeveranderd is. Het publieke domein wordt er zachter van, beleefder, schrijft ze in Moderne Etiquette, een bundeling van haar Moderne Manieren-rubriek in Trouw en op haar website, die onlangs verscheen. En dat bevalt haar wel. ‘Het maakt me niet uit dat er gedachteloze frases worden uitgesproken die niemand echt meent. Het klinkt gewoon prettig. Steve Martin deed een mooie persiflage ervan in de film L.A. Story (1991) waarin hij overvallen wordt door een straatrover die de procedure begint met ‘Hi, my name is Bob. I’ll be your robber for tonight.

Het zijn dit soort voorbeelden die Moderne Etiquette en de rubriek waaruit het boek voortkomt zo lekker leesbaar maken. Ritsema is geen telg uit een adellijke familie die uitlegt hoe je het tafelzilver gebruikt, maar in de eerste plaats journalist en schrijver. Het onderwerp etiquette is op haar pad gekomen, maar ze pakt het net zo aan als toen ze nog over opvoeden, onderwijs, feminisme en economie schreef in bladen als HP/De Tijd en Vrij Nederland: scherp en nuchter vangt ze de tijdgeest, even geestig als laconiek. ‘Ik geef mijn mening’, relativeert ze zelf de urgentie van haar adviezen, thuis aan de eettafel in Amsterdam-Zuid. ‘Alleen als ik erom gevraagd wordt. En ik schrijf het zo op dat het misschien voor anderen ook aardig is om te lezen.’

In Moderne Etiquette staan geen corona-gerelateerde dilemma’s, maar die heeft u vast gekregen de afgelopen maanden. Wat waren de meest voorkomende etiquettevragen over corona?

‘Die kwamen van mensen die zich ergeren aan anderen omdat zij de richtlijnen niet volgden. Het is nu een stuk minder natuurlijk, maar een paar maanden geleden klaagden er studenten, bijvoorbeeld, dat hun huisgenoten wél vrienden zagen terwijl zijzelf dat niet deden. Maar ja, het is absurd om tegen je huisgenoot te zeggen: ik ga niet naar buiten, dus jij mag dat ook niet. Je moet een beetje coulance betrachten en maar hopen dat de ander zich aan de anderhalve meter afstand houdt.’ Schouderophalend: ‘Waarschijnlijk gebeurt dat niet, maar ja, je kunt je huisgenoot moeilijk ophokken.’

Corona was een nieuwe situatie. Weet u dan meteen wat uw mening is als u zulke vragen krijgt?

‘O ja, dat weet ik altijd wel. Ik merk dat ik minder streng ben dan andere etiquetteschrijvers in het buitenland die ik volg. Die adviseerden in zulke situaties om rond de tafel te gaan zitten om het gesprek te voeren en duidelijke regels af te spreken. Terwijl ik denk: je moet de mensen ook een beetje vertrouwen.’

Dat is meestal de lijn die u volgt. Leven en laten leven.

‘Meestal wel, ja. Sommige mensen laten zich echt ringeloren door anderen, die moet je juist een duwtje de andere kant op geven, maar de overheersende lijn is wel dat je conflicten niet op de spits moet drijven. Daar wordt niemand beter van.’

Voetstappen op de trap: man Maarten Huygen, journalist bij het NRC, komt met onwillekeurig uitgestoken hand de sober ingerichte woonkamer van het bovenhuis binnen. Ritsema reageert meteen: ‘Nee Maarten, geen hand!’ Dan: ‘Ben je naar de visboer geweest? O, daar ga je nu heen? Dan moet je ook die broek meenemen, hè?’ Ze zijn ruim 35 jaar samen, hebben drie volwassen kinderen van 32, 31 en 26 die allang het huis uit zijn. Geen kleinkinderen nog, nee. ‘De oudste twee zijn jongens, mannen, dus, nee, die hebben ze nog niet. Waar waren we gebleven?’

Bij uw stijl als etiquettedeskundige en de buitenlandse collega’s die u volgt. Wie, bijvoorbeeld? 

‘Ik volg in Amerika Miss Manners, op wie mijn rubriek geïnspireerd is, al is zij meer van de echte etiquette, het gaat over bedankbriefjes enzo. Laatst vroeg iemand haar: ik moet een bedankbriefje schrijven voor een cadeau dat ik heb ontvangen, maar ik durf niet, met corona. Dan antwoordt zij: ‘Nee, doe maar niet, het virus kan ook op enveloppen zitten’ – die Amerikanen hebben allemaal smetvrees, dat is echt bespottelijk. Kwame Anthony Appiah volg ik ook, die als The Ethicist vragen beantwoordt in The New York Times. Dat zijn vaak ethische kwesties, zijn rubriek is van een hoger niveau dan de mijne – ik zou zulke vragen ook graag doen, maar ik krijg ze doorgaans niet. Aan hem wordt gevraagd: mijn zus heeft een nierziekte en nu vraagt ze aan mij of ik een nier aan haar wil afstaan, maar ik heb er eigenlijk geen zin in, wat moet ik doen?

Wat zou u zeggen?

‘Als mijn zus het aan mij zou vragen, bedoel je? Ik zou het doen, ja, als ik daarmee haar leven zou redden.’

En wat zou u iemand adviseren die het vraagt?

‘Ik zou in dit geval niet zeggen: doe dit of dat, daarvoor is zoiets te ingrijpend. Vaak gaat het om egocentrisme versus altruïsme in conflicten. Hoe kun je anderen blijven respecteren zonder dat je er zelf aan onderdoor gaat – dat is de kunst. Wraak nemen, bijvoorbeeld, is bijna altijd een slecht idee.’

Beeld Noël Loozen

Wat voor vragen hebben mensen over wraak? 

‘O, dat kan in heel kleine dingen zitten. Iemand kwam eten en nam als attentie een oud boek van zolder mee, zal ik haar de volgende keer ook een afdankertje geven? Niet doen, zeg ik dan. Geef eventueel een fles wijn van 6 euro terug in plaats van de gebruikelijke 8 euro, maar níét van 4 euro, dat is weer te kinderachtig. Al aarzelde ik zelf over dat advies, want zulke zaken zijn natuurlijk totaal onbelangrijk. Geef gewoon toch die duurdere fles.’

Het gaat natuurlijk over oud zeer, vaak. Miskenning.

‘Nou, dat stond er niet bij in dit geval, de vraag ging alleen over dit onnozele kwestietje. Maar inderdaad, ik zie vaak dezelfde mechanismen: sta ik op mijn strepen, blijf ik op mijn ponteneur?

‘Ik vind: in vriendschappen moeten de dingen vanzelf gaan. Trouwens, in de liefde ook.’ Ze lacht: ‘Mijn zoon, die mijn webmaster is, constateerde dat ik in de categorie ‘relatieproblemen’ mensen altijd aanraad: hou ermee op. Dat is vaak de teneur, ja. Als je te vaak dingen moet uitvechten, kun je beter een ander zoeken, want dan heb je geen fijne relatie. Natuurlijk, soms zijn conflicten in een relatie onvermijdelijk, over serieuze zaken als ontrouw, opvoeding of geld. Maar in vriendschappen speelt dat allemaal niet, als het goed is. Met vrienden heeft het bijna nooit zin om conflicten aan te gaan. En het moet niet nodig zijn. Als de ander je leegzuigt, bijvoorbeeld, wat gebeurt in sommige vriendschappen, kun je het beter laten doodbloeden.’

Want vriendschappen opzeggen, daar bent u niet voor. 

‘Nee, zeg, iemand een mailtje schrijven: ‘Ik heb er eens over nagedacht, maar na vijftien jaar vriendschap haal ik er niets meer uit.’ Dat moet je nooit doen. Dan voelt iemand zich in zijn ego aangetast, is dat de moeite waard? Gewoon de frequentie terugschroeven, dan kun je elkaar altijd nog tegenkomen. Iemand dumpen vind ik heel erg, als vriend. Niet als relatie.’

Nee, dat vindt u juist goed.

‘Dat vind ik juist goed.’

‘Het vinden van een goede man is belangrijker dan een carrière’, zei ze eerder in een interview – na een ingewikkeld liefdesleven in haar studententijd in Leiden verhuisde ze, eind 20, naar Amsterdam, waar ze tegen haar man aanliep. Ze was afgestudeerd sociaal-psycholoog, maar stapte over naar de journalistiek: ze schreef een column voor NRC Handelsblad, was later redacteur van de boekenbijlage van Vrij Nederland. Vijf jaar woonde ze in Amerika toen haar man daar correspondent was voor het NRC. Daar ontdekte ze Miss Manners. Terug in Nederland begon ze haar vergelijkbare rubriek, al is die dus een stuk nuchterder dan die van haar Amerikaanse evenknie.

Ze was een ‘Shell-kind’; ze werd geboren in Tunis en groeide met twee jongere zusjes op in diverse buitenlanden door het werk van hun vader, die geoloog was. Naar de middelbare school ging ze, het gezin eenmaal terug in Nederland, in Den Haag.

Dat nuchtere, laconieke uit uw rubriek, zat dat er als kind al in?

‘Ik denk dat ik voor een groot deel altijd wel zo geweest ben, ja. Ik zie in elk geval niet een duidelijk breekpunt. Ik was een sociaal kind, had altijd wel vriendjes, maar was toch ook tamelijk gereserveerd. Ik wilde alles graag goed doen, zette altijd mijn beste beentje voor. Ik zat veel te lezen. Mijn moeder was tamelijk streng, een intellectueel type, en lezen vonden we allebei leuk.’

Bent u zelf met veel etiquette opgegroeid? Wat typeerde de opvoeding?

‘Ik groeide op in de jaren zestig en dat was natuurlijk een roerige tijd, maar die bleef zoveel mogelijk buiten de deur. Vriendjes, dat mocht niet, en naar feestjes liever ook niet, en als het mocht, kwam mijn vader me om half twaalf ophalen. Dat was uit bezorgdheid van mijn moeder, die nogal high-strung was, een zenuwachtig iemand die graag de controle hield. Met mij had ze niet zoveel problemen omdat ik, zoals ik zei, vrij gezeglijk was, maar met mijn jongere zusjes was dat lastiger.

‘Toen ik ging studeren, mocht ik niet naar Amsterdam, daar was het een losgeslagen bende. Mijn moeder zei: ga maar naar Leiden, daar is het wat rustiger. Dat vond ik ook prima. Ze had er geen probleem mee dat ik het huis uitging. Die vrijheid was gepast als je je eindexamen had gedaan. Ze heeft via via een kamer in een studentenflat voor me geregeld. Met streng bedoel ik dus niet dat ze mij dingen misgunde, helemaal niet.’

Beeld Noël Loozen

Ze was meer overbezorgd. 

‘Ja, ze was iemand die het leven zwaar opnam, ze had niet een heel optimistisch mensbeeld, nee. En, nou ja…’ Ze laat een korte stilte vallen. ‘Mijn jongste zus is overleden toen ze 16 was, bij een auto-ongeluk. Precies waar mijn moeder altijd bang voor was.

‘Ik was 20 en al het huis uit. Mijn beide zusjes waren samen op de fiets naar familie op een camping in de buurt geweest, het was een zomeravond, half negen, en ze reden terug naar huis. Toen is het zusje dat aan de buitenkant fietste, geschept door een dronken automobilist. Ze was op slag dood. Mijn andere zusje, die toen 18 was, had niets. Zij stond ernaast. Een afschuwelijke toestand, natuurlijk, ik was net op tijd terug van vakantie voor de crematie. Ik was met een vriendengroepje in Joegoslavië, maar ik heb het niet zo op vakantie, dus ik was met een vriendin eerder teruggegaan. Toen vond ik een briefje op mijn studentenkamer, dat ik naar huis moest bellen. Wat ik toch wel als eerste gedaan zou hebben, want het hele idee dat wij onbereikbaar op vakantie waren, was voor mijn moeder al onaangenaam. Nou, toen hoorde ik het dus. De dag erna was de crematie.’

Iets later: ‘Wat kun je er verder over zeggen? Zo’n klap komt een gezin nooit echt te boven. Mijn moeder was in Den Haag weer als lerares Frans gaan werken, haar oude vak, maar dat heeft ze niet meer lang volgehouden. Ze had allemaal 15-, 16-jarigen in de klas, net als Regien, dat kon ze niet aan. Ze heeft wel gestimuleerd dat mijn andere zusje op kamers ging. Ze wilde het haar niet aandoen, thuis blijven wonen in die doodse sfeer.’

En de band tussen u en uw moeder, veranderde die door de dood van uw zusje?

‘Ik voelde altijd wel een...’ Ze onderbreekt zichzelf, vervolgt: ‘Daarna gebeurde er iets dat in zekere zin nog veel erger was. Mijn vader kreeg een ongeluk in de bergen. Hij was een behoorlijk gevorderd bergbeklimmer en hij is op de laatste dag van een tocht, tijdens de afdaling, gestruikeld en op zijn hoofd gevallen. Hij heeft drie weken in coma gelegen en daar is hij als een ander persoon uitgekomen. Hij was zijn intelligentie kwijt, in zekere zin. Hij kon dingen niet meer goed volgen, hij kon ook niet meer met geld omgaan. Praten kon hij nog wel, maar op een vlakke, emotieloze manier, hij was totaal veranderd. Mijn moeder moest vanaf toen zijn leven voor hem regelen. Daar kon ze totaal niet mee omgaan, ze hebben toen nog 25 jaar lang een heel slecht huwelijk gehad. Als hij met duinzand in zijn schoenen binnenkwam, kon ze verschrikkelijk op hem vitten en dan kreeg hij op zijn beurt een woedeaanval.

‘Hun leven was zo verschrikkelijk aangetast, dan is de dood misschien nog wel te verkiezen. Mijn zusje was 16 toen ze doodging en dat was afschuwelijk, maar je kunt het beeld bewaren van hoe ze was. Het is áf, op de een of andere manier. Een schone wond. Dat van mijn vader etterde maar door.’

Hoe beïnvloedde het uw leven, die ellende thuis?

‘Ik was een klankbord, toen ik in Amerika woonde had ik mijn moeder met ellenlange klaagverhalen over mijn vader aan de telefoon. Tja, ik kon er niet zoveel aan doen. Luisteren, dat was het enige, want er was verder geen oplossing.’

En kon u het verder van zich af laten glijden?

‘Ik kon het prima van me laten afglijden. Nou ja, ik vond het heel verschrikkelijk, maar ik verdrong het. Dat deed ik altijd als dingen heel erg zijn. Ook na dood van mijn zusje heb ik dat gedaan. Ik ben heel hard gaan werken en studeren. Niet dat ik het ontkende, ik denk nog steeds weleens: ik zou willen dat Regien er was, in die zin blijf je iemand missen. Maar je moet het van je afzetten. Je kunt er wel eindeloos over praten, maar dat heeft zo weinig zin.’

Heeft het verdriet u, zoals je wel hoort, ook iets gebracht?

‘Nee, het heeft me niks gebracht, ik geloof ook niet dat ik er een betere mens door ben geworden. Maar in algemene zin is het misschien wel goed om ervaring met verdriet te hebben. In elk leven komen hoogte- en dieptepunten voor.’

Wel véél dieptepunten, in het geval van uw moeder. Alles waar ze bang voor was…

‘Trok ze als een magneet aan, ja, dat was heel wrang.’ Met een bijna verontschuldigend lachje – ‘het is té verschrikkelijk’ – vertelt ze dat haar moeder, die in 2013 is overleden, na een herseninfarct nog dertien jaar in een verzorgingshuis heeft gezeten, waarvan het grootste deel onaanspreekbaar. ‘Alles wat er kan tegenzitten in een gezin, heb ik meegemaakt. In ons gezin van vroeger, hè. Niet in mijn huidige, dat gaat eigenlijk allemaal goed.’

Bent u zelf ook een overbezorgde moeder geworden?

‘Misschien wel, maar ik heb de kinderen nergens vanaf gehouden, hoewel ik dat soms wel had willen doen. Ik weet nog dat ik de middelste van 8 in zijn eentje naar de bakker liet gaan, hij was zo blij dat hij zelf een boodschap mocht gaan doen. Toen hij terugkwam, ik stond op de uitkijk, viel er een enorm stuk bouwsteiger rakelings langs zijn hoofd. Absurd, ja – ik heb wel altijd mijn hart vastgehouden. Toen de kinderen op de middelbare school naar feestjes gingen, hadden ze mobiele telefoons natuurlijk, maar die stonden dan niet aan. Ik heb menig angstig uurtje lopen ijsberen.’

En fietsen? Was dat een speciale angst?

‘Nee, fietsen moest, want ik rij geen auto, dus dat was de enige manier om ons te verplaatsen.’

Waarom rijdt u geen auto?

‘Nou, ik denk dat dát een gevolg zou kunnen zijn. Dat ik bang ben om een kind voor mijn wielen te krijgen. Maar verder heb ik mijn angsten zo min mogelijk laten blijken, want dat is heel vervelend voor kinderen. Ik heb mijn dochter ook een maand naar Zuid-Amerika laten gaan. Met twee vriendinnen – als ze in haar eentje had gewild, had ik daar denk ik wel tegen geageerd.’

Was u net zo’n strenge moeder als uw eigen moeder?

‘Alles was wel tamelijk strak georganiseerd, ja, maar ik denk wel dat het bij mij gezelliger was dan bij mijn ouders vroeger thuis. Ik ging liever bij ánderen spelen, want mijn moeder had vaak kritiek op kinderen en sowieso geen aardigheid in mensen over de vloer. Ik wel, ik ben gastvrijer, ik vind het leuk om vrienden en familie te eten te hebben en ik vond het altijd prima als de kinderen vriendjes meenamen naar huis. Ze moesten natuurlijk ook hun huiswerk maken, maar dat deden ze altijd wel uit zichzelf. Net zoals ik zelf een braaf kind was, hoefde ik aan mijn eigen kinderen eigenlijk ook niet zoveel te doen.’

Beeld Noël Loozen

Op de website van Miss Manners staat: ze is getrouwd met die en die ‘and she has two perfect children’. En u hebt er dus drie zo goed opgevoed.

‘Haha, het zijn heel leuke, lieve kinderen, ja. En het zijn alledrie lezers. Er was natuurlijk wel eens een probleempje, maar dat had dan volgens mij niet met de opvoeding te maken. We hebben het altijd heel gezellig gehad.’

Wat vindt u van de huidige opvoedstijl van jonge ouders?

‘Elk gezin heeft helikopterouders tegenwoordig. Dat kan niet goed gaan, ze zitten er zo verschrikkelijk bovenop. Ook nu moeders veel meer buitenshuis werken dan dertig jaar geleden, besteden ze, net als vaders overigens, meer tijd aan hun kind dan ooit. Ik weet niet wat ze allemaal doen met die kinderen, maar ze zijn er enorm mee bezig. Ik las laatst in een opvoedrubriek over een moeder die zich schuldig voelde omdat ze het niet leuk vond om met haar kind te spelen, met blokken bouwen op de grond en zo. Dat heb ik nooit van mijn leven gedaan, hoor, over de grond kruipen met de kinderen, en ik heb ook nooit een voet in de zandbak gezet. Ik deed wel bordspelletjes met ze aan tafel, maar verder moesten ze zichzelf vermaken. Voorlezen aan een baby van amper zes maanden, dat deed ik ook niet. Ik snap niet waarom ouders dat doen.’

Voor de vorming. Net als klassieke muziek laten horen.

‘Dat is allemaal nog niet nodig op die leeftijd. Je kunt ook gewoon zeggen: zo, ik ga nu de aardappels schillen, zo leren kinderen ook de taal.

‘Je hoort ouders nu allemaal klagen over gebroken nachten, maar dat kan ik me ook niet herinneren. De kinderen gingen gewoon slapen na het gebruikelijke bedritueel. Ik bleef er ook echt niet bij zitten tot ze in slaap vielen, ben je mal. Ja, een baby’tje moet ’s nachts gevoed worden, maar na drie maanden zijn ze op gewicht en dan slapen ze van twaalf tot zeven. Ik heb nooit last van doorwaakte nachten gehad.’

U zei net: die helikopterouders, dat kan niet goed gaan. Bedoelt u dat er door de opvoedstijl nu een generatie heel vervelende, egocentrische mensen wordt gekweekt?

‘Dat niet, ik denk dat die ouders vooral zichzelf ermee hebben, voor de kinderen weet ik niet of het allemaal nou zo vreselijk invloedrijk zal zijn. Ze worden gewoon wat later zelfstandig als ouders elk wissewasje voor ze oplossen. Het lijkt me voor kinderen heel vervelend om zo verstikt te worden.’

Worden ze ook verwend?

‘Verwennen, dat vind ik een lastig begrip. Op materieel gebied is het, denk ik, niet slechter voor kinderen dan voor volwassenen; als de ouders een zwembad in de tuin hebben, is het wat geforceerd om je kind een barbiepop te weigeren, het groeit toch wel in weelde op.’

Hier in Amsterdam-Zuid wel, ja.

‘Tja, in die zin zijn de ouders net zo verwend. En met aandacht kun je een kind eigenlijk niet verwennen, daarvan geef je niet gauw te veel.

‘Veel ouders vinden het lastig om grenzen te stellen, dat wel. Het kind gaat op een sport, na twee maanden heeft het er genoeg van en hoewel je voor het hele jaar betaald hebt, mag het weer op een andere club. Dat lijkt me niet goed voor het karakter.’

Maar ik hoor u niet zeggen: die opvoeding heeft gevolgen voor de maatschappij. In de zin van: verhuftering.

‘Nee, helemaal niet. Er wordt al twintig jaar geroepen dat mensen steeds hufteriger worden, maar ik constateer dus dat mensen juist veel beleefder geworden zijn. Ja, op sociale media wordt flink gescholden, maar face to face zijn mensen doorgaans ontzettend aardig. Als er in de Beethovenstraat een oud vrouwtje met een tas sinaasappels struikelt en die rollen over straat, schiet iedereen toe om haar overeind te helpen en de boodschapjes aan te geven. Als mensen hufterig zijn, wordt dat meestal veroorzaakt door omgevingsfactoren. Haast, stress, drukte, te weinig parkeerplaatsen, geen ruimte in de lift, dan worden mensen woedend. Als ik langzaam oversteek en een fietser scheldt mij uit voor stomme trut, kan het heel goed mogelijk zijn dat hij onderweg is naar de Zuidas voor een belangrijke vergadering.’

Wat doet u dan? Hebt u de neiging zo iemand daarop aan te spreken?

‘Nee, doei, absoluut niet, ik spreek nooit iemand aan. Daar kun je alleen maar gedonder mee krijgen.’

En in eigen kring? Corrigeert u bijvoorbeeld een vriend die racistische grapjes maakt?

‘Ja, want dat kan echt niet meer, maar over het algemeen hou ik er helemaal niet van om anderen de maat te nemen.’

Toch moet u zich elke week buigen over de futiliteiten die mensen insturen. Denkt u niet vaak, als je zoveel hebt meegemaakt als u: mens, maak je niet dik?

‘Nee, want ik begrijp heel goed dat ook kleinere dingen op je kunnen drukken. Iemand had op het werk een collega met een dode cavia die daar heel verdrietig over was. Met de hele afdeling stuurden ze een kaart om haar sterkte te wensen, maar de man die mij mailde, wilde die kaart niet ondertekenen, hij vond dat zo’n flauwekul. Toen heb ik gezegd: doe toch maar wel. Er is geen meetlat voor verdriet.’ 

Is het daarom dat uw etiquetterubriek zo goed bij u past dat u het al twintig jaar doet?

‘Of het bij me paste, wist ik niet van tevoren, maar ik heb er in elk geval nog steeds lol in. Het is natuurlijk geheel vrijblijvend, hè, mijn advies. Ik zit er niet bij om te controleren of het wordt opgevolgd. Sterker, het maakt me helemaal niet uit of het opgevolgd wordt. Ik krijg wel eens de suggestie om follow-ups te maken, omdat mensen willen weten hoe het is afgelopen na mijn advies. Ik moet er niet aan denken. Dan moet ik mensen gaan opbellen, maar ik wil helemaal niet in hun privésfeer komen. Ik moet gewoon een aardig stukje schrijven. Zie het als entertainment, waar je, hoop ik, ook nog wat aan hébt.’

Beeld Noël Loozen

CV Beatrijs Ritsema 

1954 Geboren in Tunis

1971 Eindexamen gymnasium in Den Haag

1971 – 1978 Studie psychologie in Leiden, afgestudeerd als sociaal-psycholoog

1978 – 1983 Sociaalwetenschappelijk onderzoeker aan de universiteit van Leiden

1980 – 1983 Redacteur Propria Cures

1983 – 2003 Columnist van NRC Handelsblad

1985 – 1990 Eindredacteur Boekenbijlage van Vrij Nederland

1987 Getrouwd met NRC-journalist Maarten Huygen, drie kinderen (1987, 1989, 1993)

1990 – 1995 Verblijf in Washington

Vanaf 1990 Freelance journalist (columns, essays, recensies) voor diverse dag- en weekbladen

2000 Website beatrijs.com opgericht ten behoeve van etiquetterubriek, eerst in HP/De Tijd, later in Trouw

Vanaf 2002 Adviesrubriek over omgangsvormen ‘Moderne manieren’ in Trouw

Boeken

Kijk uit achter je! (Bert Bakker, 1987)

Het belegerde ego (Prometheus, 1993)

De braafheid van vrouwen en ander cultureel ongerief (Prometheus, 1998)

Als ze maar gelukkig zijn. Over kinderen, opvoeding en onderwijs (Prometheus, 2002)

Ter harte. Een leidraad voor de liefde (Bert Bakker, 2005)

Het grote etiquetteboek (Meulenhoff, 2010)

Moderne etiquette (Meulenhoff, 2020)

Meer over