InterviewSpinvis

Erik de Jong (Spinvis) heeft geen tijd te verliezen: ‘Ik wil sneller werken. Minder streven naar perfectie’

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

Hij genoot van de overvloed aan tijd die hij tijdens de lockdown ineens had om te werken aan zijn nieuwe album. Want nu hij de 60 nadert, begint de tijd voor Erik de Jong te dringen. ‘Ik wil alleen nog muziek maken die er voor mij werkelijk toe doet.’ 

Als Erik de Jong (59) in zijn thuisstudio Het Vaticaan staat, in het souterrain van zijn woning in Nieuwegein, kun je aan hem zien hoe graag hij in deze ruimte is: het is zijn speeltuin, zijn ‘snoerenparadijs’ waar geen tijd bestaat en hij hele dagen en nachten bezig kan zijn, sleutelend en schavend aan een liedje of slechts een klein onderdeel ervan. Hier is hij Spinvis.

Er staan gitaren, een piano en een drumstel. Hij kan alle instrumenten zelf bespelen. Op het werkblad staan twee beeldschermen naast elkaar. Luidsprekers. Microfoons. Hij legt zijn hand liefdevol op het instrument of apparaat waarover hij op dat moment iets zegt.

‘Ik heb hier alles’, zegt hij.

Nou ja, behalve ruimte dan. Het Vaticaan is niet veel groter dan een kinderslaapkamer. Rommelig is het er niet, volgepakt wel. Veel voller dan de rest van het ruime, lichte huis waar zo te zien alles een plek heeft en niet vaak iets zoekraakt. 

Zijn vrouw Petri komt thuis.

‘Goed gewandeld?’ vraagt Erik.

Petri bevestigt. ‘Hebben jullie zin in een kaneelbroodje?’

Ze zijn de enige twee vaste bewoners van het huis. Zoons Tibor (28) en Gideon (22) zijn uitgevlogen.

Hier in Het Vaticaan maakte hij tijdens de voorjaarslockdown van maart en april bijna alle muziek voor zijn nieuwste studioalbum 7.6.9.6.. Het is een van zijn mooiste platen, een van zijn luidst bejubelde ook (al werden ze allemaal heel luid bejubeld). Bovendien is het zijn eerste album dat de bovenste plaats van de Nederlandse albumlijsten bereikte.

‘Ik heb in ongekende rust dit album kunnen maken’, zegt hij. ‘Er was eindeloos veel tijd, een fijner cadeau kun je me niet geven. Ja, ik behoor tot de mensen die de lockdown als iets positiefs hebben ervaren, al voel ik meteen schaamte wanneer ik dat zeg, want ik realiseer me heel goed dat dat een luxe is, een privilege. Voor míj was het fijn omdat ik hier’ – hij wijst om zich heen – ‘kon werken en geen financiële zorgen heb. Maar dat geldt niet voor iedereen. Trouwens, als het nog heel lang duurt, is het voor jou en mij ook niet meer leuk. Deze toestand kan misschien een fijn jaartje opleveren, maar uiteindelijk natuurlijk geen fijn leven.’

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

Hij ziet in zijn omgeving hoe na bijna negen maanden coronacrisis de rek eruit begint te raken en de somberheid toeslaat, in de maatschappij als geheel en in de muziek in het bijzonder.

‘Mensen worden boos en wanhopig. Soms draaien ze door. Veel mensen willen iemand de schuld geven van deze situatie. Dat kan lelijk uitpakken. Alles waar we samen op vertrouwen, beschaving en democratie en recht; het is maar een plannetje, een afspraakje. Kijk ook naar de Verenigde Staten. Het is heel fragiel allemaal.

‘Ik ben toevallig iemand die van isolement enthousiast en creatief wordt, maar veel collega-muzikanten krijgen niets meer uit hun handen. Bij hen zie ik lethargie en angst de overhand nemen. Dat heb je niet zelf voor het kiezen hoor, hoe je reageert op een lockdown. Ik kan heel goed begrijpen dat sommige mensen het niet bolwerken. Er zit geen dynamiek meer in de dagen. Alles moet uit jezelf komen. Elke dag lijkt op de vorige. Na een tijdje is het altijd woensdagmiddag.’

We lopen weer naar boven, de smalle trap op van Het Vaticaan naar de woonkamer. De Jong klimt nog een trapje verder, naar de keuken op de entresol. Hij maakt koffie en roept naar beneden dat hij Billie Eilish goed vindt, dat wil zeggen: haar liedjes niet zo, maar haar sound! ‘Op internet kun je precies nalezen hoe dat is gedaan: de zang acht of negen keer gekopieerd en in verschillende sporen geplakt, elk met een andere processing en pitching. Dan wordt die stem heel groot, dan komt-ie boven een heel orkest uit.’ 

Buiten is het grauw. Het regent een beetje. De wind blaast herfstbladeren door de tuin.

‘Herfst en Nieuwegein’, zong hij achttien jaar geleden op zijn klassiek geworden debuutalbumdat hem, laatbloeier van veertig met een verleden in de Utrechtse punk- en new wave-scene, een doorbraak bezorgde als Spinvis, de naam waaronder hij thuis zijn romantische, melancholieke en poëtische popliedjes boetseerde. Hij woonde toen nog in een ander huis, met zijn studio op zolder, in plaats van in het souterrain.

‘In alles wacht vandaag de eeuwigheid/ Altijd samen zijn/ De herfst en ik/ en Nieuwegein.’

Eindeloos fröbelen in je thuisstudio, zoals het een slordige twintig jaar geleden begon. Voelde het weer zoals toen?

‘In sommige opzichten wel. Toen de lockdown begon, op 12 maart, waren we voor een optreden in Arnhem. We hadden alles opgebouwd toen premier Rutte bekendmaakte dat de concertzalen dicht moesten. De directeur van Musis kwam binnen en zei: jongens, pak maar weer in.

‘Plotseling had ik geen verplichtingen meer. Door de geplande verschijningsdatum van het album ging een streep. Er was geen deadline, mijn agenda was leeg, er zat niemand op me te wachten. Die situatie had ik lang niet meer meegemaakt. Ik heb ervan genoten: lekker de hele middag klooien met één baspartij – en hem dan aan het eind van de middag weggooien. Dat vind ik de ultieme heerlijkheid: zo’n partij weg kunnen gooien, omdat je toch genoeg tijd hebt.

‘Ja, dat deed me wel denken aan twintig jaar geleden, de tijd voor mijn debuut. Toch is dat ‘cirkel is rond’-verhaal een beetje kunstmatig. Ach. Bij een album hoort nu eenmaal een verhaal. Dat helpt.’

In 2002, bij je debuut, was er ook een verhaal: de man op zijn zolderkamer in Nieuwegein.

‘Ook dat verhaal was kunstmatig en waar tegelijk. Het klopte op zichzelf wel, maar Nieuwegein werd belangrijker gemaakt dan het was. Het sprak bij pers en publiek tot de verbeelding. Dat heeft me veel gebracht, maar het hing me na een tijdje wel de keel uit. De waarheid is dat de omgeving waarin ik werk er niet veel toe doet. Als ik in Amsterdam of op de Drentse hei had gewoond, zou ik ongeveer hetzelfde oeuvre hebben geschreven en opgenomen. Mijn werk ontspruit niet aan Nieuwegein maar aan mijn binnenwereld.’

In die binnenwereld mogen we nu al achttien jaar rondkijken. Of we sluiten er juist onze ogen, mijmerend ‘aan de oevers van de tijd’, terwijl rond ons al die onvergetelijke Spinvis-zinnetjes dwarrelen als oude foto’s met sepiagloed. Samen vormen ze zelden een sluitend, eenduidig verhaal; de zinnen zijn, in al hun fragmentarische kleurenrijkdom, stukjes van een puzzel.

‘Erf de ogen van je kind, kijk erdoor’, adviseerde hij ons in Kom terug (2011), dat zijn grootste radiohit werd. Zó moet je naar Spinvis-liedjes luisteren.

We maakten kennis met een bonte stoet personages, van de onafscheidelijke maar tot tragiek gedoemde Stefan en Lisette (‘altijd samen maar niet echt een stel’) tot Ronnie, die naar huis mocht, want ‘het spook is uit zijn hoofd’.

‘Kijk maar in zijn tas/ Een cassette en de schelpen uit zijn la/ Het ging een tijdje slecht/ maar nu is dat voorbij.’

De Jong schetst ze met tedere, compassievolle woorden, zo mooi dat die woorden naar zijn zin soms te belangrijk worden gemaakt. Gaat het over Spinvis, dan gaat het altijd over de teksten, die hij met zorg en liefde schrijft, maar ‘niet de kern zijn van wat ik doe’.

Hij zegt zich er een beetje tegen te verzetten. Zijn vorige album kreeg een titel bestaande uit drie woorden die niets met elkaar te maken hebben, een abstracte combinatie waar je zelf een verhaal bij kunt verzinnen: Trein vuur dageraad (2017). Hij vond de vaak elektronische inkleuring van het album zelf niet zo geslaagd: mooie liedjes, maar qua uitwerking en sound een minder album, zegt hij.

Eén stap abstracter nog en je komt uit bij 7.6.9.6., een cijfercombinatie die ‘klinkt als een danspasje’, maar verder geen betekenis heeft. Tenzij het toevallig je pin- of postcode is.

Wanneer voelde je voor het eerst de neiging om je te verzetten tegen die nadruk op je teksten?

‘Ik denk in de tijd van Kom terug, in 2011 of 2012. Die single werd een soort anthem op de radio. Ik merkte dat ik op de radar verscheen van een breder publiek. De tekst van Kom terug werd heel veel geciteerd en ook door mensen op geboortekaartjes en verhuisberichten gezet. Dat soort dingen.’

Is dat bredere publiek ook weer afgehaakt?

‘Volgens mij wel.’

Erg?

‘Nee hoor, ik ben er zelfs wel blij om, want naar hits op Radio 1 en 2 streef ik niet per se. 3FM koester ik, want een ander huis heb ik niet op de radio, en ik ben dankbaar dat ze mij nog altijd draaien. Op 7.6.9.6. staat geen single met anthem-potentie. Volgens mij staan er ook geen teksten op het album die je op een geboortekaartje gaat zetten.’

Wat is wél de kern van wat je doet?

‘Ik ben componist. Ik maak muziek. Liedjes. Ik maak alles zelf en ga daarna kijken hoe ik het met andere muzikanten live kan uitvoeren. Dan deel ik partituren uit en gaan we repeteren tot de stijfheid verdwijnt en de muzikanten hun eigen invulling durven te geven. Dan pas wordt het mooi. 7.6.9.6. is, meer nog dan de albums hiervoor, een ode aan pure pop. Het gaat om klank: dat wat uit de luidspreker komt.’

Je gaat geen muziek in opdracht meer componeren?

‘Dat is klaar. Ik heb laatst nee gezegd tegen een verzoek om filmmuziek te maken. Ik houd theatervoorstellingen en samenwerkingen af. Zulke projecten zijn altijd leuk, daar niet van, maar het levert uiteindelijk toch muziek op die slechts eenmalig geldig is. Het zijn geen bouwstenen van mijn eigen oeuvre, van iets groters. Ik wil mijn tijd beter besteden en alleen nog wezenlijk werk maken.’

Dat getuigt van een zeker eindigheidsbesef.

‘In februari word ik 60. Dan ga je je toch wel realiseren dat dit een keer stopt. Ik heb geen tijd meer te verliezen. Ik wil alleen nog muziek maken die er voor mij werkelijk toe doet.’

Bij het verschijnen van 7.6.9.6. zei je dat je hierna alleen nog instrumentale muziek wilt maken.

‘Met die gedachte heb ik de laatste tijd wel gespeeld. Ik weet niet zeker hoe het gaat uitpakken, maar één ding weet ik wel: 7.6.9.6. is mijn laatste popplaat van dit type. Ik ben altijd een puzzelaar geweest, een man van de muzikale details. De laatste tijd merk ik dat ik wat sneller wil werken. Minder streven naar perfectie. Ik luister veel naar jazz, ben meer bezig met lange, instrumentale stukken die ruwer zijn opgenomen. Misschien komt er wel zang bij, want zang en tekst zijn niet ineens taboe, maar het zullen wel langere stukken muziek zijn. Grilliger. Minder minutieus afgewerkt tot een liedje.

‘Eigenlijk is de cirkel dan pas echt rond, want voor ik me Spinvis ging noemen, maakte ik muziek onder de naam Modderkoorts. Hele gekke stukken waren dat: gesampelde radiostemmen met rare jazz-achtige muziek. Niet zo lang geleden kwam ik oude Modderkoorts-cassettes tegen. Ik heb geprobeerd ze te digitaliseren. Ik dacht: wat is dit goed! De muziek op het album Ritmebox (2008), met stemfragmenten van Simon Vinkenoog, was bij vlagen wat Modderkoorts-achtig.’

Rond 2000, een jaar voor de geboorte van Spinvis, zong Erik de Jong nog helemaal niet. Hij durfde het niet, vreesde de lelijkheid van zijn eigen zangstem. Hij werkte aan de liedjes die de eerste Spinvis-liedjes zouden worden, maar zingen? No way.

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

Hij werd geboren in Spijkenisse, het Nieuwegein van Rotterdam, in een knalrood PSP-gezin dat niet tot de arbeidersklasse behoorde, maar zich er principieel mee vereenzelvigde. Vader Walter was wiskundeleraar in Rotterdam.

Ze verhuisden naar Utrecht: de Willemstraat in Wijk C. Daar was het gauw afgelopen met de arbeidersromantiek van de ouders De Jong: ‘Diefstal. Agressie. Chagrijn. Er was niets leuk aan die omgeving. Mijn ouders, die het zo hard hebben geprobeerd, raakten gedesillusioneerd met alle ‘ismen’ waarin ze geloofd hadden. Mijn vader heeft zich uiteindelijk maar op zijn moestuintje gestort.’

Zelf trad hij in 1976, 15 jaar oud, toe tot zijn eerste Utrechtse punkband, Blitzkrieg, eerst als toetsenist, maar hij werd al snel drummer, ‘veilig verscholen achter mijn drumstel’. Hij speelde in The Duds, Judy Nylon en de tamelijk succesvolle Utrechtse proto-supergroep Hi Jinx, met Gert van Veen (later Quazar) en René van Barneveld (later Urban Dance Squad).

Zijn geld verdiende hij aan de lopende band in een fabriek en op het Utrechtse postsorteercentrum van de PTT, waar ’s nachts veel jongens uit de muziekscene stuurs hun centen verdienden. De Jong haalde er nota bene zijn zilveren PTT-jubileum. Hij experimenteerde met elektronica en begon Nederlandse teksten te schrijven, maar bleef toch liever werken met radiosamples.

‘Ik verknipte fragmenten van politici als Hans van Mierlo met mijn sampler. Dan had ik zang en hoefde ik niet zelf te zingen. Spinvis werd pas echt geboren op de dag in 2001 dat ik besloot zo’n liedje zelf te zingen. Ik geloof dat het Bagagedrager was.’

En? Was je zo’n slechte zanger als je vreesde?

‘Ik vond mijn eigen stem lelijk. Maar op die dag besloot ik daaroverheen te stappen: je moet lelijk durven zijn, want wat jij lelijk vindt, daarin schuilt voor anderen juist vaak schoonheid. Toen ik die stap eenmaal had gezet, ben ik als in een koortsdroom al die nummers gaan uitwerken met eigen zang erbij. Ik was 40, ik was vader van kleine kinderen, met het plotselinge doodsbesef dat nu eenmaal bij het ouderschap hoort.’

Ben je erg bezig met de dood?

‘Nu veel minder dan toen. In de tijd dat ik me Spinvis ging noemen héél erg. Ik stelde mezelf de hele dag de vraag of het nog eens wat ging worden, met mijn zogenaamde talent en mijn praatjes over mijn liedjes die zo bijzonder waren. Veel van mijn collega’s waren leeftijdgenoten die iets met muziek of kunst deden. Ik zag ze voor mijn ogen oud worden. 1990 werd 1991. 1991 werd 1992. De jaren verstreken en ik zag hun vlammetjes doven. Ik ben daar op miraculeuze wijze aan ontsnapt. Ik stuurde mijn Spinvis-demo naar Excelsior Recordings. Het doel was: uitgebracht worden, verder verwachtte ik er niets van. Maar ik kon er al heel snel van leven. Ik ervoer dat als een wonder.’

Twintig jaar later is 7.6.9.6. ook het album geworden van een man die weet dat de tijd begint te dringen. Een oudere muzikant die de balans opmaakt. De hoofdfiguur in Stuntman verzucht: ‘Dit is mijn laatste huid.’

‘Ik zwijg en voel me oud’, klinkt het in Niet vandaag, terwijl Paon een intens melancholiek afscheidslied is voor Juul de Paauw, gitarist en vriend van Spinvis’ band, die na een ziekbed overleed. In Picasso gaat het over de tijd ‘toen de spiegel nog een jongen zag’.

Tegenover zijn ‘verzet’ (tegen het belang dat aan zijn teksten wordt gehecht of de schijnbare plicht van muzikanten om over actuele ontwikkelingen te zingen) staat zijn ‘aanvaarding’: van zijn leeftijd en het ouder worden. En van de plek die Spinvis inneemt in de Nederlandse muziek.

‘Ik verzet me tegen wat de buitenwereld me oplegt. De aanvaarding betreft mijn binnenwereld. Veel muzikanten vinden van zichzelf dat ze steeds beter worden en hebben enorm veel moeite met het idee dat dat misschien wel niet zo is. Ik niet. Misschien word ik niet meer beter, misschien ligt mijn artistieke piek al achter me en blijf ik nu gewoon doen wat ik doe, zonder dat ik nou per se beter word. Ik heb daar vrede mee.’

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

Marc van der Holst van de Nederlandstalige band The Avonden zei: ‘Artiest en publiek moeten niet te goed van elkaar weten wat de bedoeling is.’

‘Het leuke van ervaren zijn, is dat je in sommige dingen handiger wordt. Vroeger knutselde ik soms uren aan iets wat later totaal onbelangrijk bleek te zijn. Dat herken ik nu eerder en dan steek ik er geen tijd in. Je efficiëntie als muzikant neemt toe. Ik bedoel maar: niet álles aan routine is slecht.

‘Maar je ontwikkelt naarmate je meer ervaring opdoet ook een zelfbeeld. Daar schuilt gevaar in, want je kijkt niet alleen met je eigen ogen naar jezelf, maar ook door de ogen van je publiek. Daar ga je naar handelen, je doet iets met die verwachtingen, ook al ben je ervan overtuigd dat je dat niet doet. Je kunt heel hard roepen dat je volledig autonoom bent in je keuzes, maar vergeet het maar: volledige integriteit bestaat niet.’

Ben je als kunstenaar dan verplicht jezelf te saboteren en je publiek op het verkeerde been te zetten?

‘Het ironische is dat zelfs dat een maniertje is en nooit een volledig zuivere keuze. Je ontsnapt nooit aan je eigen onzuiverheid, zoals een weegschaal zichzelf niet kan wegen. Ik vind het vaak een wonder dat er überhaupt nog iets gemaakt wordt en dat niet iedereen een writer’s block heeft. Je verraadt namelijk altijd wel iets. Kunstenaar zijn is een proces van continue mislukking. Dat klinkt zwaarder dan ik het bedoel, ik vermaak me er kostelijk mee. Maar een constante mislukking is het wel degelijk.’

Hoe verklaar je dat jouw werk zulke extreme reacties oproept? Je hebt lyrische volgelingen, maar ook haters die zich kapot aan je ergeren.

‘Die mensen vinden bijvoorbeeld dat ik niet kan zingen. Nou, daar kan ik inkomen. Het is een keuze die ik in 2001 gemaakt heb: ik zing, terwijl ik zelf vind dat ik niet erg mooi zing. Dat verklaart enerzijds waarom veel mensen erdoor worden geraakt, maar er zijn natuurlijk ook mensen die het wél echt lelijk vinden. Ik kan ermee leven. Als ik één ding wil voorkomen, is het dat ik me miskend ga voelen. Dat is de dood voor elke vorm van creativiteit.

‘Op de kunstacademie word je aangemoedigd om een reactie uit te lokken. Bijval of woede, allebei goed, heftige reacties zijn een bewijs dat je goed bent. Zo zie ik dat niet. Ik doe ontzettend mijn best om iets te maken wat iedereen mooi vindt. Ik wil niets liever dan volkszanger zijn voor iedereen. Kansloos natuurlijk, want ik kan dat niet en heb er de stem ook niet voor, maar ik probeer het wel. Ik ben geen provocerende kunstenaar, althans niet met opzet.’

Critici hebben soms de neiging om jouw werk boven de popmuziek te plaatsen: het tot hogere kunst uit te roepen.

‘Ik kan me goed voorstellen dat mensen dat irritant vinden. Het nodigt uit tot een backlash, die er dus ook is. Het is ook niet het mooiste compliment dat je me kunt geven. Ik word dan een symbool van iets wat ik niet ben. Ik wil juist wél gewone popmuziek maken. Pop zweer ik trouw.

‘De enige die ik uiteindelijk iets uit te leggen heb, is dat 10-jarige jongetje dat voor de televisie gebiologeerd naar Toppop kijkt, met Ad Visser. Pyjama aan, natte haartjes. Dát jongetje wil ik betoveren, want het is zoals de Amerikaanse dichter Louise Glück ooit schreef: ‘We look at the world once, in childhood. The rest is memory.

‘Ik heb veel plezier gehad op de weg naar waar ik nu sta. Wat ik nu doe, wil ik zo lang mogelijk blijven doen. Zolang mijn gezondheid het me toestaat. Sommige dingen die ik maakte zijn prachtig geworden, andere zijn mislukt. En zo moet dat ook, want de beste liedjes zijn vaak slechte ideeën die je tóch hebt uitgevoerd, gewoon om te kijken wat ervan zou komen. Ik ben er altijd van overtuigd dat mijn vólgende project geweldig gaat worden, beter dan al het vorige. Dat is niet per se zo, maar het gevoel is heerlijk. Zolang die overtuiging blijft, kan ik door.’

Spinvis: 7.6.9.6. Excelsior/V2.

CV ERIK DE JONG (SPINVIS)

2 februari 1961 Geboren in Spijkenisse

1976 Punkband Blitzkrieg

1979 Rockband Hi Jinx

2002 Debuutalbum Spinvis

2003 Cd/dvd Nieuwegein aan Zee

2004 Zilveren Harp en Annie M.G. Schmidtprijs

2005 Theatervoorstelling De Explicateur, album Dagen van gras, dagen van stro

2006 Album Ja! Met Simon Vinkenoog

2007 Winnaar Popprijs 2006, compilatie Goochelaars & Geesten

2008 Sample-album Ritmebox met/voor Simon Vinkenoog, filmmuziek Vox Populi

2010 Johnny van Doornprijs voor de Gesproken Letteren, project Dorléac met Geike Arnaert van Hooverphonic

2011 Album Tot ziens, Justine Keller

2013 Cultural Professor TU Delft

2014 Dansopera Kintsukuroi op Oerol

2017 Album Trein vuur dageraad

2020 Album 7.6.9.6.

Erik de Jong woont met zijn vrouw Petri Vink in Nieuwegein. Ze hebben twee zoons: Tibor (28) en Gideon (22).

Lees verder

Dit stuk staat in het jaarlijkse interviewnummer van het Volkskrant Magazine. Op deze pagina vindt u alle interviews, met onder andere Femke Halsema, Fidan Ekiz en Spinvis.

Meer over