Zomerliefde

Er was een onmiddellijke vertrouwdheid, herinnerde Lena zich van haar ontmoeting met Boas

Dat er iets bijzonders speelde tussen hen, had Lena al snel door op die berg in de Franse Alpen waar Boas zich onverwacht aandiende.

null Beeld Inez van Vuren
Beeld Inez van Vuren

Lena (24), uit Nederland

Twee zomers geleden werkte ik in hotel Panoramique in de Franse Alpen. Het winterseizoen was zo geweldig geweest dat ik had besloten te blijven, zonder me te realiseren dat de skiërs en snowboarders na Pasen plaatsmaken voor bergluchtminnende bejaarden die door hun touroperator worden meegenomen op stipte, dagelijkse uitjes volgens een ijzeren schema. Ik verzorgde het ontbijt, hielp hen in de bus en bij het diner. ‘Pas op het afstapje’, hoorde ik mezelf zeggen over een verhoging die me in de maanden ervoor nooit was opgevallen. Na 8 uur ’s avonds ging ik naar mijn kamer. Ik las veel, stond de volgende ochtend weer vroeg op om alles klaar te zetten voor het ontbijt en begon te houden van mijn berg waartoe ik nu al een half jaar veroordeeld was. In de winter had ik nog naar beneden kunnen skiën, nu zat ik vast. En toch was het niet onaangenaam. Het uitzicht door de glazen pui van het hotel veranderde steeds. Soms hingen er laaghangende wolken, andere dagen regende het of zag ik de zon opkomen. Op een ochtend zaten er twee jongens tussen de ouderen aan het ontbijt. Dat was waar ook: een van mijn collega’s had een paar vrienden uitgenodigd. Ik raakte met ze aan de praat. Boas had heel leuke Karhu-sneakers die twee jaar geleden niemand nog kende. Hij vertelde dat een van de gasten hem zojuist om eieren had gevraagd. Hij lachte een mooie lach en had een knotje, wat ik lelijk vind, maar hem stond het. Dat eerste gesprek aan die tafel was meteen heel open, hij was sympathiek maar niet op een al te zelfbewuste manier. En toen ik die avond een paar vrouwelijke collega’s over hem hoorde praten, zei ik tot mijn verbazing: I’m on it. Ze lachten, sloegen hun handen met open palmen in de lucht en zeiden: oké, geen probleem, jij mag hem hebben.

In de dagen erop groeide een nieuw bewustzijn, het was alsof ik me had verdubbeld. Waar in het hotel ik me ook bevond, ik wist precies waar Boas was. Ik voelde zijn aanwezigheid, bij elke stap die ik zette, ook als hij niet in de buurt was. Op een middag stond hij bij de slackline, een kabel die op ongeveer een meter hoogte tussen twee bomen was gespannen en waarover je kunt lopen. ‘Kun jij dat?’, vroeg hij. ‘Nee, maar ik ben echt iemand die dat makkelijk leert.’ Dat was raar. Zei ik dat echt? Zo zeker van mezelf tegen iemand die ik niet kende? Op een of andere manier voelde ik geen schroom als het Boas betrof, er was geen filter dat gepast en ongepast, gewenst en ongewenst van elkaar scheidde. Ik deed me niet anders voor, ik was gewoon. Urenlang hebben we om beurten geprobeerd van de ene boom naar de andere te balanceren, intussen honderduit pratend over onze beider plannen voor de toekomst. Ik zei hem dat ik mijn rijbewijs wilde halen en met een busje door Europa wilde reizen. Hij wilde dat ook, maar eerst ging hij studeren in Porto. Ineens was het half 6 en moest ik het diner voorbereiden. Ik had toen al in de gaten dat er iets bijzonders was tussen ons, en toen zijn vriend en hij een paar dagen later naar Chamonix gingen liften voor een tattooconferentie, ben ik meegegaan. Een week lang bleef hij op mijn berg, daarna kon hij met de gasten meerijden in de bus terug naar Nederland. Op de laatste avond onweerde en stormde het. Een treuzelende gast en een collega hadden lang nodig te beseffen dat we alleen wilden zijn, maar uiteindelijk vertrokken ze dan toch naar bed. We zaten onder een tot onze kin opgetrokken dekentje, toen hij zich naar voren boog.

Even raakte ik in paniek, bleef een moment strak voor me uit kijken, tot ik ineens begreep dat ik niets liever wilde dan met hem zoenen. Die zoen klopte als een lange rekensom. Er was een onmiddellijke vertrouwdheid. Het corrigerende filter tussen mij en de anderen, dat er altijd voor had gezorgd dat ik mezelf in fragmenten liet zien, nooit alles tegelijk, viel weg. Aan Boas kon ik mijzelf in al mijn verwarrende tegenstrijdigheden laten zien. Dat zei die zoen. En zo is het nu nog. Bij hem kan ik in een seconde omschakelen van lief naar bijna hekserig en weer terug, zonder dat hij schrikt. Nu, twee jaar later, wonen we samen. Gisteren kochten we de bus waarover we al in die eerste dagen fantaseerden. Nu alleen nog even dat rijbewijs halen.’

Boas (25), uit Nederland

‘Die zomer van 2019 ging ik met een vriend naar een andere vriend die werkte in een hotel in Frankrijk. Een spontane vakantie. In drie dagen liftten we erheen en we zouden wel zien hoelang we zouden blijven. Achteraf vreemd dat ik Lena die eerste avond niet meteen heb opgemerkt. Ik ontmoette haar pas toen we de volgende ochtend tussen de al wat oudere Nederlanders aan het ontbijt zaten. Ze droeg haar werkkleding, maar uit haar houding sprak niks stijfjes. We kletsten wat en ze vond het grappig dat ik Chamonix uitsprak als Chimonet. Ze deed haar werk serieus en toegewijd, in de Alpen was het prachtig weer, de enorme glazen gevel van het hotel bood uitzicht op een dal met boomtoppen en in de verte de sneeuwbergen; ik was blij dat ik was gegaan. Tijdens een van de dagen die volgde, hebben zij en ik de slackline uitgeprobeerd die tussen twee sparren hing, een beetje zoals koorddansen. ‘Dat lukt me wel,’ zei ze, ‘ik loop zo heen en weer.’ Ik vond het leuk dat ze zo zeker was van zichzelf, ze wist kennelijk wat ze wel en niet kon, want het was geen bluf: het lukte haar ook. In no time liep ze van boom tot boom. Gek eigenlijk, hoe een eerste indruk van iemand wordt gevormd door zulke kleinigheden. Was ik ook voor haar gevallen als ze niet op die slackline had gedurfd, of had het dan gewoon wat langer geduurd? En wat zegt zo’n slackline nou over iemand? Het was zoals je naast elkaar in de auto kunt zitten: je bent iets aan het doen wat concentratie vergt en voert intussen diepere gesprekken dan wanneer je tegenover elkaar aan een tafel had gezeten. Ogenschijnlijk lag onze aandacht bij het in balans blijven, maar in wezen wilden we van elkaar weten wie we waren: zij, een meisje dat ruimte nodig had en hield van alleen zijn. Ik, een jongen die nog niet zo lang geleden zijn relatie op een nare manier beëindigd had gezien, en die zijn eigen reden had alleen te willen zijn.

Maar het was leuk met haar, en zolang het leuk is, is het leuk. De zoen kwam op de laatste avond. Het onweer verlichtte de boomtoppen tegen de helling, het regende hard. De hele groep was inmiddels naar binnen, want de volgende ochtend zou de bus vroeg vertrekken. Ik dacht: ik moet ook naar bed, maar op een of andere manier bleef ik hangen, ik kon immers in de bus de volgende dag ook nog slapen. De hele week was vol met kortstondig geflirt geweest, we voelden allebei hoe cliché dit moment was, onder een dekentje luisterend naar de bliksem. Ik dacht niet: dit is de vrouw van mijn leven, daarvoor was mijn verdriet over mijn vorige, Turkse liefde nog te vers. Toch was ik ervan overtuigd dat we elkaar weer zouden zien, toen ik de volgende ochtend haastig mijn tas pakte en haar mijn rugzak gaf omdat ze wilde gaan hiken, haar met een knuffel gedag zei en in de bus ging zitten. We spraken niets concreets af, maar het stond voor ons beiden vast dat ze me zou komen opzoeken in Porto, waar ik een paar maanden ging studeren. Zo vreemd, trouwens, wat daar in Porto gebeurde. We hadden elkaar intussen opgebiecht dat we verliefd waren, maar in geappte woorden nam onze relatie in korte tijd een vlucht die, toen we elkaar zagen, niet bij te benen bleek. Er zat iets ongelijks in de betuigde liefde en de dagelijkse liefde in Porto. Iets wat je een valse start zou kunnen noemen. Het duurde nog zeker een half jaar voor we ervan overtuigd waren dat we onszelf niet alleen wijsmaakten dat wij het voor elkaar waren, maar dat we echt van elkaar hielden. Na nog wat bezoekjes aan Porto loste de verlegenheid op en vielen onze WhatsApp-harten samen met de echte.

Nu wonen we alweer een paar maanden met zijn tweeën in een kamer in een oud klooster met een heel grote tuin, in het midden van Nederland. Lena is nog steeds gesteld op ruimte en vrijheid, ik zie haar buiten zitten als ik thuiskom, ik zie haar opstaan uit die weidsheid en blij naar me toe lopen. Haar vader heeft ons geholpen met de aanschaf van een busje. Daarmee gaan we binnenkort op reis, dat wil zeggen: als het me lukt deze week mijn rijbewijs te halen.’

Meer over