InterviewSuze Zijlstra

‘Er is veel niet te achterhalen als je de geschiedenis van vrouwen onderzoekt’

Suze Zijlstra. Beeld Erik Smits
Suze Zijlstra.Beeld Erik Smits

Wie niet zoekt, vindt ze niet: de Aziatische vrouwen in de stambomen van de Nederlandse Indiëgangers. Historicus Suze Zijlstra schreef een boek over de verborgen voormoeders in haar eigen familie.

Op pagina 41 in het boek De voormoeders staat een zinnetje dat als een steen op je maag kan vallen. Er wordt geschreven over Satia van Macassar, een Aziatische vrouw in eigendom van een Europese Jan George Keijtel op het eiland Sulawesi. Ze kreeg in de 18de eeuw een kind met hem, waarop hij in zijn testament liet vastleggen dat ze vrijgemaakt zou worden. Niet meteen, ook niet wanneer hij stierf, maar pas als hij dood was én hun zoon volwassen was. ‘Het zoontje was de erfgenaam van zijn vader, en dus in de toekomst eigenaar van zijn moeder’, staat er.

Keijtel werkte voor de VOC en daarom werd dit genoteerd en bewaard. Satia’s naam is bekend – dat geldt lang niet voor elke Aziatische tot slaaf gemaakte vrouw die een kind van haar eigenaar kreeg. In kerkelijke archieven wordt bij zo’n moeder vaak slechts ‘onchristen’ genoteerd. En zo zijn de honderdduizenden Aziatische vrouwen die Euraziatische kinderen voortbrachten vaak uit de geschiedenis verdwenen. Want archieven zijn niet neutraal, er wordt in opgeschreven wat op dat moment van belang wordt geacht. Zoals in de kerkelijke archieven: wie er een goede gelovige was en zijn kind liet dopen. Een onchristen was, tot slaaf gemaakt of niet, irrelevant en hoefde geen naam te hebben.

Historicus Suze Zijlstra (35) besloot er een boek over te schrijven: het leven en de omstandigheden van de Aziatische en Euraziatische vrouwen in Indonesië, die kinderen kregen met Europese mannen en een sleutelrol in de koloniale geschiedenis hadden. Met als rode draad haar eigen voormoeders, die ze wist te traceren tot in de 18de eeuw. ‘Voormoeders’: een woord dat meteen al laat zien hoezeer we gewend zijn aan een mannelijk perspectief op de geschiedenis. Want iedereen kent het woord voorvaderen, en voorouders, maar ‘voormoeders’ stond tot 2019 niet in de Dikke van Dale. ‘Toen ik het idee en de titel voorstelde, stond het woord nog niet in woordenboeken. Het werd af en toe wel gebruikt door genealogen en in familiegeschiedenissen.’

Puzzelen

Iedereen heeft voormoeders. Maar stambomen volgen de mannenlijn en omdat vrouwen vrijwel nooit formeel werk verrichtten, zijn er weinig gegevens bewaard en doorgegeven over hun leven. Zo vallen de meisjes uit de stamboom; elke lijn naar beneden loopt naar een zoon. Hoe onderzoek je je voormoeders? ‘Het is puzzelen, je kunt soms informatie uit het testament van haar man of zoon halen, of uit een rechtbankverslag of een kerkelijk register. Ik begin bij een onvindbare voormoeder, ook om te laten zien hoeveel er niet te achterhalen is als je de geschiedenis van vrouwen onderzoekt.’ De onvindbare voormoeder is een Aziatische vrouw die samen met de ongehuwde Joan Happon uit Goeree-Overflakkee begin 18de eeuw een meisje kreeg, Jacoba, die later zou trouwen met een man in de stamboom van Zijlstra’s familie, VOC-adelborst Coert Rosenquist. Deze stamboom langs de mannelijke lijn is al decennia geleden onderzocht. Ook Rosenquist kwam ongehuwd naar Java, in 1735, vanuit Texel.

Het boek staat bomvol informatie waar lang niet alle Nederlanders zich bewust van zullen zijn, zoals het feit dat de VOC het actief tegenwerkte dat Nederlandse vrouwen meekwamen met hun mannen – die zouden niet bestand zijn tegen het Indonesische klimaat en te snel terug willen naar Nederland. Veel mannen die hun vrouw achterlieten of ongehuwd naar de Oost gingen, kregen dus kinderen met Aziatische vrouwen, vaak vrouwen in hun bezit, al dan niet uit verkrachting. Die Euraziatische kinderen konden tot 1828 niet erkend worden als de ouders niet getrouwd waren. Als de vader ze als erfgenaam wilde, moest hij ze adopteren. Alleen dan kregen ze zijn achternaam. Als mannen terugkeerden naar Europa, mochten de Aziatische vrouwen niet mee. Als de man vrouw en kind verstootte, hadden beiden een onzekere toekomst omdat ze ook door hun eigen gemeenschap verstoten konden worden.

Vrouwenlijn

Omdat de geschiedenis van Aziatische vrouwen uit lagere klassen nauwelijks te achterhalen is, volgde Zijlstra de vrouwen in de mannenlijn van haar familie: ‘Bij de vrouwenlijn liep ik al vast in de 19de eeuw bij een Javaanse vrouw van wie ik slechts de naam kon vinden. De vrouwen in de bestaande stamboom gaan terug tot de 18de eeuw. Een voordeel is dat ik daarmee vrouwen uit verschillende milieus kon onderzoeken.’ De positie van een gemengde, Euraziatische vrouw was immers heel anders dan die van een Aziatische vrouw in slavernij.

Zo lijkt de hierboven genoemde Jacoba aardig wat macht te hebben gehad. Haar man Coert was zelfstandig koopman en inde belastingen voor de VOC. In 1750 werd hij vermoord door de Aziatische matrozen op zijn eigen schip. Jacoba vocht haar erfenis aan, omdat ze vond dat ze recht op meer had dan in het testament stond. Daarna hertrouwde ze met een slavenhandelaar van Euraziatische afkomst, Willem Muller. Toen hij stierf, vocht ze een schuld van hem aan die op haar als weduwe was overgedragen. Uit die documenten komt een sterke vrouw naar voren die voor haar belangen opkwam. Mogelijk zette ze het bedrijf van haar man voort; weduwen waren in die tijd handelingsbekwaam. Het kan dus zijn dat zij de mensenhandel van haar man overnam, al zal ze zelf als vrouw niet meegegaan zijn op de handelsschepen.

Twijfel

Kan zijn, is mogelijk, misschien, waarschijnlijk: voor een goed gedocumenteerd historisch boek zit er veel twijfel in De voormoeders. Zijlstra koos daar bewust voor: ‘Ik vond het belangrijk duidelijk te zijn over wat we niet kunnen weten. Het geeft ook de ongelijkheid weer, door die gaten in de beschikbare informatie word je je bewust van de marginale positie die Aziatische vrouwen hadden.’

Ook anders dan in de meeste wetenschappelijke boeken: haar persoonlijke perspectief. Dit boek begon met een stapel cassettebandjes. Tijdens haar studie interviewde Suze Zijlstra haar oma Hetty Hess-Beijer, die als jonge vrouw acht maanden in het bersiapkamp Soemobito op Oost-Java doorbracht, waar ze na de Japanse bezetting werd geïnterneerd. Ze vertrok uiteindelijk in 1955 naar Nederland, met man en kinderen (onder wie Zijlstra’s moeder), waar ze in een klein pension in Almelo terechtkwam. Op de tien uur cassetteband vertelt zij over haar broers die dwangarbeid aan de Birmalijn verrichtten, de angst voor de Japanners en de anti-Nederlandse sfeer na de oorlog. Over het aankomen in een land dat weinig welkom bood, waar ze haar eerste sneeuw zag en waar haar en andere vrouwen werd uitgelegd hoe ze een Hollands menu met andijvie en aardappels hoorde te maken.

Geschakeerde identiteit

De geschiedenis van de vrouwen in Indonesië is ook haar geschiedenis, laat Suze Zijlstra zien, en de lezer krijgt uiteengezet hoe onwaarschijnlijk complex deze is en hoe deze nog altijd doorwerkt in het heden. Zoals elke persoon van gemengde Europese en Aziatische afkomst draagt Zijlstra de onderdrukker en de onderworpenen van destijds met zich mee, de Europese en de geschakeerde Indonesische identiteit, en staat ze op de schouders van vrouwen die in systemen zaten waarin hun kansen en mogelijkheden beperkt tot nihil waren. Is ze daardoor anders naar haar eigen identiteit gaan kijken? Dat spreekt vanzelf: ‘Het begint al een beetje met de vraag kan ik mijzelf eigenlijk Indisch noemen. Ik zeg vaak ‘mijn familie is Indisch’ niet ‘ik ben Indisch’. Het gaat niet heel erg bewust. Dat komt ook omdat je het niet meteen ziet: mensen categoriseren me als wit. Door de zoektocht merk ik dat ik Indischer ben dan dat ik dacht dat ik was.’

Ook is ze anders naar Nederland gaan kijken. Toen Zijlstra opgroeide in Bussum werd de geschiedenis, cultuur en identiteit die ze thuis van haar moeder meekreeg niet op school geleerd: ‘Ik vond het als kind al raar dat er weinig over mijn geschiedenis werd verteld, nu is daar meer ruimte voor.’ Perspectieven en machtsverhoudingen in de samenleving staan nu ter discussie. Over mensen die kritiek hebben op identiteitgericht onderzoek en debat is ze duidelijk: ‘Die identiteiten waren er altijd al, en er was al Indische literatuur en geschiedschrijving, maar er is nu meer oog om dit te bespreken en dat is positief. Zeker als het ertoe leidt dat we bespreekbaar maken dat we niet gelijk behandeld worden, en dat er ook racisme en seksisme is. Er zijn nog steeds veel mensen trots op het koloniaal verleden. Dus als je wat meer leert over ongelijkheid in het verleden, kun je misschien ook beter oog hebben voor de manier waarop dat nog doorwerkt in het heden.’ De geschiedenis geeft je kortom een verantwoordelijkheid, vindt Zijlstra. ‘We zijn er nog lang niet; veel geschiedenis van vrouwen in Nederland en de andere voormalige Nederlandse gebiedsdelen is nog onbekend.’ Er zijn meer voormoeders.

Spiegelen

Ze merkte ook dat ze zich vanzelf meer ging verhouden tot haar voormoeders, en zich aan hen ging spiegelen – zoals mannen én vrouwen zich vaak aan hun voorvaderen spiegelen. Zoals haar overgrootmoeder Cor die waarschijnlijk eigenlijk geen moeder wilde zijn en die zich in een andere samenleving – onze huidige – waarschijnlijk veel meer had kunnen ontwikkelen. Zijlstra ging invoelen hoe deze vrouwen allemaal werden geconfronteerd met de verwachtingen die hen werden opgelegd door de samenleving waarin ze leefden. Die bestaan nog steeds: ‘De maatschappij heeft nog steeds bepaalde regels voor vrouwen en als je daar een beetje van afwijkt, word je daarmee geconfronteerd.’

Dat werd persoonlijk toen ze parallel aan het onderzoek ook moest verwerken dat zij en haar man zelf hun kinderwens niet kunnen vervullen. Ineens kreeg het woord ‘moeder’ in voormoeder een andere lading: ‘Dit onderzoek gaf me ook een bredere blik op wat familie is en de plek die vrouwen hebben in het leven. Ik kijk naar de moeders maar daarnaast zag ik ook veel vrouwen met belangrijke rollen zonder kinderen. Het neemt het verdriet niet weg, maar geeft wel perspectief. Op de goede dagen.’

Suze Zijlstra: De voormoeders Een verborgen Nederlands-Indische familiegeschiedenis. Ambo Anthos; 304 pagina’s; € 24,99.

De kookboeken van de overgrootmoeder van Suze Zijlstra. Beeld
De kookboeken van de overgrootmoeder van Suze Zijlstra.

Vrouwenarchief: receptenboeken

De documenten die vrouwen in de ­geschiedenis vaak doorgaven in hun familie waren receptenboeken. Suze Zijlstra had de receptenboeken van de zus van haar overgrootmoeder, die de oorlog hadden doorstaan en daarna mee naar Nederland zijn gekomen. Ze staan vol gerechten die generaties lang zijn doorge­geven zoals zwartzuur, ­risolles en sambal. Vaak staat er ook commentaar in de kantlijn: ‘Indien je dit recept volgt, is het héél lekker.’

Meer over