Eichmann was meer dan een radertje

Hannah Arendt werd in 1963 verweten Eichmann te hebben afgeschilderd als een 'ambtenaar'. Bert van den Brink meent dat uit haar these van de 'banaliteit van het kwaad' geenszins voortvloeit dat zij hem van schuld aan nazimisdaden zou hebben vrijgepleit....

DE op 1 september door de Ikon en de Humanistische Omroep uitgezonden documentaire The Specialist: Eichmann in Jerusalem heeft om begrijpelijke redenen veel reacties en commentaren opgeroepen. De documentaire is mede gebaseerd op het even beroemde als omstreden boek Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil van de filosofe Hannah Arendt uit 1963.

Adolf Eichmann was in Hitler-Duitsland de SS-officier, in ambtelijke functie, die als organisatorische spin in het web heel veel verantwoordelijkheid droeg voor de deportaties van joden, zigeuners, en anderen naar de vernietigingskampen. In 1961 werd hij in Jeruzalem berecht en tot de doodstraf veroordeeld. In mei 1962 werd hij opgehangen.

In haar boek had Arendt, zelf jodin en in 1933 uit Duitsland gevlucht, de euvele moed Eichmann niet als 'demon' van het kwaad maar als 'ambtenaar' van het kwaad te beschrijven. Zij presenteert hem niet als de geniale duivel die Hitler en Himmler tot het vernietigen van de joden - de 'Endlösung' - aanzette, maar als uitvoerder van bevelen van hogerhand.

Daarmee volgt ze overigens de uitspraak van de rechters in het oorspronkelijke proces, die Eichmann - voor zover ik kan beoordelen terecht - van hoofdverantwoordelijkheid voor de vernietiging van de joden vrijspraken. Hij werd wel veroordeeld - eveneens terecht - wegens medeplichtigheid aan misdaden tegen het joodse volk, 'in het voornemen, het joodse volk te vernietigen'. Het oordeel werd in hoger beroep bekrachtigd.

Wat nu opvalt is dat degenen die zich na de documentaire tegen Arendt hebben gekeerd suggereren dat Arendt Eichmann van schuld aan de nazimisdaden zou hebben vrijgepleit. Zo schrijft Martin van Amerongen (De Groene Amsterdammer, 8 september) dat Arendt 'met open ogen in de val (is) getrapt die de verdachte voor zijn publiek heeft opgezet.'

Op basis van interviews van de Nederlandse SS'er Sassen met Eichmann oordeelt Van Amerongen: '(Eichmann) was meer dan een jachthond, een tandwiel in het grote raderwerk of de eendimensionale, machinale mens. Hij beschikte wel degelijk over een ideologie. Hij was verantwoordelijk, niet alleen medeverantwoordelijk. Hij werd gevoed door een authentiek antisemitisme en bovenal, hij had plezier in zijn werk.'

En in de Volkskrant van 10 september schrijft Stephan Sanders dat Arendt - kennelijk verblind door een marxistische (sic!) vervreemdingsgedachte - Eichmann heeft neergezet als 'de arbeider (die) enkel moertjes aandraait, en ondertussen meebouwt aan een tank.' Bij Sanders gaat het overigens om een heuse bekering. Sinds zijn optreden op woensdag 8 september in het VPRO-programma Het blauwe licht, waarin hij onder meer met mij over dit thema discussieerde, ziet hij de dingen anders: '(Arendt) gebruikte Eichmann als illustratie (van de vervreemdingsthese), en wij zeiden het haar na.'

Beide commentatoren suggereren dat Arendt Eichmann als een onbeholpen slachtoffer van hogere bevelen schildert, die niet als dader kan worden gezien. Niets is echter minder waar. Arendts these over de 'banaliteit van het kwaad' zegt dat het kwaad niet alleen in demonische plannen en daden schuilt maar minstens zoveel in de alledaagse uitvoering van die plannen aan de schrijftafel. En zeker in het geval van Nazi-Duitsland, waar de staatsvorm en het staatshandelen zelf tot misdaad werden, en de 'legaliteit' van handelen samenviel met het begaan van de ergste misdaden.

Je hoeft volgens Arendt dus niet een Hitler of een beul te zijn om deel te hebben aan het kwaad. Juist Eichmanns minitieuze schrijftafelvirtuositeit maakt de misdaad die hij beging tot een kwaad. Hij mag in fysieke zin schone handen hebben gehad, in morele zin had hij dat niet. Eichmann was in Arendts visie een schrijftafelmoordenaar, de belangrijkste bediende van moderne totalitaire politieke systemen. Dat inzicht heeft ons politieke denken, gelukkig, voorgoed veranderd.

Arendt suggereert nergens dat Eichmann geen antisemiet was. Wel maakt ze duidelijk dat antisemitisme niet slechts in de herkenbare gedaante van blinde haat opduikt. Zich beroepend op uitgerekend Theodor Herzl's Judenstaat had Eichmann zich in de jaren dertig binnen de SS geprofileerd als 'specialist' inzake joodse emigratie. Uit quasi-zionistisch 'idealisme' regelde hij vanuit Wenen de gedwongen emigratie van joden uit Duitsland en Oostenrijk; een emigratie waarbij de betrokkenen van hun burgerstatus, vrijwel al hun bezit, en natuurlijk hun waardigheid werden beroofd. Maar hij bleef een 'heer'; getuigen zeggen dat hij anders dan veel nazi's joden beleefd de hand schudde...

Arendt beschrijft Eichmann's geperverteerde 'zionisme' en beleefdheid als een heel gevaarlijk antisemitisme dat hem vanwege zijn absurde 'idealisme' niet bewust werd. Een rascist die niet inziet dat hij er een is - een bekend fenomeen.

Wat betreft het 'radertje' in het grote systeem maakt Arendt duidelijk dat iemand als Eichmann in Hitler-Duitsland wel degelijk om ontheffing van zijn functie of overplaatsing kon vragen zonder daarbij voor zijn leven te moeten vrezen. Hij was dus niet slechts een radertje. Zijn trouw aan Hitler was enorm. Diens woord was wet. Trouw aan de Führer en eer in zijn werk waren zijn leven, een leven dat voor hij zijn plek vond in de nationaal-socialistische hierarchie een mislukking was geweest.

Helaas maken Van Amerongen en Sanders op geen enkele manier gewag van een van Arendts meest geraffineerde argumenten. Haar these dat de demonisering van het kwaad ons blind maakt voor de mechanismen via welke het kwaad zich daadwerkelijk manifesteert, heeft in het kader van het Eichmann-proces een heel specifieke functie. Een demon valt niet te berechten, een mens wel.

Het recht schrijft alleen mensen een zin voor verantwoordelijkheidheid en een zin voor rechtvaardigheid toe. Daartoe moet het recht mensen zien als deelnemers aan de veelvormige praktijk van het mens-zijn. Juist vanwege zijn medeplichtigheid aan het verwoesten van de voorwaarden van die praktijk - gelijk staatsburgerschap voor allen ongeacht ras, levensovertuiging, etc.; respect voor het bestaan van verschillende landen en volkeren, etc. - werd Eichmann schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan misdaden tegen het joodse volk en misdaden tegen de mensheid (in moreel opzicht iets anders dan misdaden tegen de menselijkheid). Eichmann verdiende het te worden veroordeeld, omdat hij zich als mens had schuldig gemaakt aan daden die de mensheid vernietigen.

Dat is het gezichtspunt van het recht. Tegen Arendt is in te brengen dat haar herhaalde veroordeling van de poging tot 'demonisering' door de openbare aanklager in het proces soms wel erg ver gaat. Dat verklaart een deel van de controverse. De openbare aanklager vertegenwoordigt het volk. En het joodse volk stond hier oog in oog met degene die 'de transporten had laten rollen.' De verhouding tussen slachtoffer (het volk), het recht en de aangeklaagde werd in dit proces gekenmerkt door een enorme spanning tussen demonisering door de aanklager, een poging tot rechterlijke onpartijdigheid, en de aangeklaagde mens Adolf Eichmann.

Waar Arendt vindt dat in het gerechtshof niemand mag demoniseren, en vooral Van Amerongen Eichmann alleen als demon wil zien, lijkt het mij verstandig het volgende te benadrukken: bij misdaden van deze omvang is demonisering een niet te onderdrukken en psychologisch wellicht zelfs noodzakelijke behoefte. Maar omdat we de misdaad van de ontmenselijking niet wensen te herhalen, gebruiken we het strafrecht als institutie van beschaving bij uitstek. Juist daardoor behandelen we de misdadiger op een wijze die hem toont wat het betekent de idee van rechtvaardigheid, die een basisidee van de mensheid is, trouw te blijven.

Meer over