Eerst een baan, dan Piet Hein

Immigranten moeten zich 'onze' normen en waarden eigenmaken. Maar wanneer mogen zij zich Nederlander noemen? Als ze een bloemetje meenemen voor de gastvrouw of de geschiedenis kennen?...

De computer speelt een filmpje: een man en vrouw die er een tikje buitenlands uitzien, maken zich klaar om te vertrekken. Ze gaan bij Nederlandse kennissen eten. Dat is iets bijzonders, vertelt de commentaarstem, want Nederlanders nodigen mensen niet zo snel thuis uit.

'Ze zijn misschien meer op privacy gesteld dan je gewend bent.' Daarom kun je beter eerst een afspraak maken voordat je bij ze langs gaat. Zomaar bij Nederlandse kennissen binnenvallen geeft geen pas, vooral niet rond etenstijd. Nederlanders koken namelijk precies genoeg voor zichzelf. Dus als er ineens eters bijkomen, 'kunnen ze er geen extra werk van maken, en dat doen ze zo graag'.

Dan springt het filmpje naar de gastvrouw, die in de keuken bezig is met de toetjes. De buitenlanders bellen aan. Dat mannen elkaar niet begroeten met kussen of een omhelzing, maar elkaar een hand geven, is al aan de orde geweest in een eerder filmpje. De buitenlanders hebben een bloemetje bij zich. Heel goed! Dat stellen Nederlanders namelijk erg op prijs. Tot besluit geeft de commentaarstem nog een tip. Als Nederlanders zeggen: dat had je nou niet moeten doen - bedoelen ze dat niet letterlijk.

Voor veel immigranten is dit de eerste glimp van de mensen waartussen ze zijn terecht gekomen. Dit soort filmpjes zijn de basis van 'Eerste Hulp Bij Nederland' (EHBN), een lesmethode die wordt gebruikt bij de meeste inburgeringscursussen. Het onderdeel 'maatschappij-oriëntatie' is meestal beperkt tot de cursusuurtjes die overschieten, want de inburgeraars hebben hun handen vol aan het leren van Nederlands. Als ze elke week een uur achter de computer kruipen, een à twee van de filmpjes bekijken en de controlevragen aan het eind goed beantwoorden, hoeft er geen leraar meer aan te pas te komen. Dan worden ze na een jaar als ingeburgerd beschouwd.

Premier Balkenende laat geen kans voorbij gaan om te benadrukken dat immigranten zich moeten aanpassen aan 'gedeelde Nederlandse waarden'. De meeste Nederlanders zijn het hartgrondig met hem eens: volgens de 'belevingsmonitor' van de rijksoverheid staat de 'overdracht' van die 'normen en waarden' boven aan de publieke agenda. Immigranten moeten Hollandser worden. Ze moeten zich de Nederlandse cultuur eigen maken.

Daarmee houdt de duidelijkheid op. Want: wat zijn die gedeelde waarden van de premier precies? Wanneer mogen immigranten zich een Hollander noemen? Als ze netjes een afspraak maken voordat ze op bezoek gaan bij kennissen, een hand geven als ze binnenkomen, en een bloemetje meenemen voor de gastvrouw? En krijgen immigranten wel de mogelijkheid zich onze waarden eigen te maken?

Mensen die zich in de dagelijkse praktijk bezig houden met de sociaal-culturele integratie zijn sceptisch over het getamboereer op normen en waarden. Politici, wetenschappers en opiniemakers buitelen over elkaar heen met met meningen en suggesties over wat het betekent Nederlander te zijn. Er wordt wel tot in het oneindige over integratie gepraat, maar een plan met heldere doelen en een duidelijke aanpak is er niet.

Nederlandse normen, schreef het kabinet in september over het 'Integratiebeleid Nieuwe Stijl' aan de Tweede Kamer, zijn 'normen die het mogelijk maken om in vrijheid en naar eigen inzicht vorm te kunnen geven aan een zelfstandig bestaan en deel te kunnen nemen aan de samenleving'. Het uitwerken van die vage definitie vond het kabinet in het kader van de brief 'niet zinvol'. Dat zou ook moeilijk zijn geweest: met de uitwerking ervan is nog nauwelijks een begin gemaakt.

De wet op de inburgering van nieuwkomers geeft geen uitsluitsel over de vraag welke Nederlandse waarden en normen immigranten en vluchtelingen zich eigen dienen te maken. Er staat alleen dat ze zich tijdens hun inburgeringscursus moeten oriënteren op de Nederlandse maatschappij. Wat dat betekent werd overgelaten aan de gemeentelijke instanties die de cursussen moesten organiseren. Die klopten aan bij Forum, het Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling in Utrecht en het CINOP, een onderwijsadviesbureau in Den Bosch.

'Niemand voelde zich verantwoordelijk', zegt Maria van der Vegt van het CINOP. Zo kwam het Handboek Maatschappij-oriëntatie niet tot stand op advies van een Commissie van Wijzen of een brede maatschappelijke discussie, maar door een groep deskundigen die in de volwasseneneducatie en het vluchtelingenwerk zaten. 'Het handboek had geen enkele officiële status, pas later is het door het ministerie van Onderwijs overgenomen.'

Ellenlange discussies herinnert Van der Vegt zich. 'Iedereen die je het vroeg, wilde weer wat anders. Helemaal gek werd je daarvan.' Pas toen ze besloten de dingen die een immigrant moet weten om zichzelf in het dagelijks leven te redden als uitgangspunt te nemen, kwam er schot in de zaak. Een inburgeringscursus is veel te kort om alles aan de orde te laten komen. Dus werkte Van der Vegt een lijstje uit met twee categorieën: noodzakelijk om te weten en leuk om te weten. Hoe je moet solliciteren, een bijstandsuitkering kunt aanvragen, een huis vindt en huursubsidie kunt aanvragen, hoe je een school kiest voor je kinderen, een strippenkaart moet gebruiken en je afval moet scheiden, met Nederlanders omgaat en hoe de Nederlandse staat in elkaar zit, is noodzakelijke kennis. De Nederlandse geschiedenis en geografie, de rol van de godsdienst, de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en de acceptatie van homoseksualiteit is nuttige, maar niet noodzakelijke kennis. Inburgeringsmethodes zoals EHBN richten zich op de noodzakelijke kennis; of er meer aan de orde komt, hangt af van de docent.

De roep om meer Nederlandse normen en waarden in de inburgeringscursussen is niet aan Van der Vegt besteed. 'Er is nog nooit geëvalueerd hoe we het nu doen. Laten we het nou eens wat gestructureerder aanpakken. Het werkt niet om zomaar van alles en nog wat te roepen.' Ze heeft een heel mapje met Kamervragen over de inburgering die ze als adviseur van het ministerie heeft helpen beantwoorden: de onderwerpen variëren van seksuele voorlichting tot en met het belang van de vaderlandse geschiedenis. 'Je hoort er nooit meer wat van. Het is elke keer een storm in een glas water. Ze willen gewoon scoren. Daar kun je niets mee. Als het anders moet, dan moeten we eerst een discussie hebben over de uitgangspunten.'

Van der Vegt ziet geen aanleiding om de inburgeringscursussen om te gooien. 'De Nederlandse waarden en normen komen tot uitdrukking in de instanties waar we de inburgeraars wegwijs in maken. Ons sociale vangnet laat bijvoorbeeld zien dat we elkaar in Nederland niet laten verrekken. In die instanties kunnen we ons met zijn allen vinden. Ik zie niet in wat je meer moet doen. Welke waarden ga je dan aanleren? Die van het CDA, de PvdA, de VVD? Als je kijkt naar die Kamervragen dan zie je meteen dat elke partij zijn eigen opvattingen heeft. Daar kom je nooit uit. Dé Nederlander bestaat allang niet meer. Het is lichtelijk onzinnig Hollands glorie te gaan benadrukken in een samenleving die in hoog tempo Europeaniseert en mondialiseert.'

Immigranten moeten zich kunnen redden bij het arbeidsbureau, op het werk, in het openbaar vervoer en op de woningmarkt. Piet Hein komt daarna wel. En anders maar niet, vindt ze. Een inburgeringscursus dient om immigranten de minimale kennis en vaardigheden te geven om in Nederland mee te draaien; niet om ze tot model-Nederlanders te drillen. Dat verschil dreigt uit het oog te worden verloren. 'Voor je het weet krijg je geen verblijfsvergunning omdat je je kinderen na half negen 's avonds op straat laat spelen.'

Een stoomcursus 'Hoe-word-ik-Nederlander-in-een-jaar' bestaat er natuurlijk niet. Tijdens hun inburgering krijgen ze niet meer dan een glimp van hun nieuwe land te zien. En daarna? Dat je Nederland het best en het makkelijkst leert kennen door Nederlanders is vanzelfsprekend. Maar immigranten hebben weinig contact met Nederlanders, en de contacten díe ze hebben zijn meestal oppervlakkig. Het Gilde, een vrijwilligersorganisatie van vijftigplussers, brengt Nederlanders en immigranten bij elkaar. Het project loopt in dertig gemeenten en zal worden uitgebreid naar de rest van het land.

Samenspraak, zoals het project heet, zorgt dat een immigrant een jaar lang elke week een uurtje met een Nederlander over van alles en nog wat kan praten. Gewoon, bij elkaar thuis. Meestal is het voor immigranten de eerste echte kennismaking met een Nederlander. Vaak blijft het alleen bij conversatie, maar soms worden de Nederlandse vrijwilligers een soort inburger-buddy's die helpen met solliciteren, de weg wijzen naar een sportclub of een vereniging, en kennis maken met de familie.

Misschien is dat een betere en natuurlijkere manier om Nederlandse waarden en normen over te dragen? De tien vrijwilligers die onder leiding van coördinator Hans van Dijk bij elkaar zijn gekomen in een oer-Hollands rijtjeshuis in Ridderkerk hebben het over 'mijn Chinese', 'mijn allochtoon' en 'mijn Iraniër'. Waar ze het met hen over hebben? Over de lastige Nederlandse ui en ij en eu, maar ook over hoe Nederlanders hun verjaardag vieren. 'Het gaat om de taal, en als het goed is komt de cultuur vanzelf mee', zegt Van Dijk. Maar het is niet de bedoeling dat ze de zegeningen van het Nederlanderschap preken.

In het werkboek dat ze voor zich op tafel hebben liggen, staat hoe ze moeten omgaan met cultuurverschillen. 'Probeer niet met elkaar in discussie te gaan over de waarden en normen. Het is niet de bedoeling dat u het eens wordt. U wilt elkaar beter leren kennen en zult elkaars waarden en normen moeten respecteren.' Het Gilde wil dat er over verschillen wordt gesproken, en dat er onderling afspraken worden gemaakt als het nodig is, maar dat er niets wordt opgedrongen. Dus de vrijwilligster die om half tien 's ochtends thuis kwam bij 'haar Saoedische' en een glas limonade kreeg voortgezet, heeft haar uitgelegd dat Nederlanders dan koffie drinken. 'Ik heb die limonade natuurlijk wel opgedronken, hoor.'

Als immigranten bij deze vrijwilligers van het Gilde te rade gaan over de Nederlandse normen en waarden, komen ze van de koude kermis thuis. 'Welke normen en waarden? Het zijn eerder de Nederlanders zelf die zijn verloederd', zegt een vrijwilliger bitter. 'Buitenlanders hebben tenminste nog respect voor ouderen.' Toen zijn buitenlander hem beteuterd kwam vertellen dat zijn fiets was gestolen, moest hij uitleggen dat er in Nederland zoveel fietsen worden gestolen dat het geen zin had naar de politie te gaan. Ondertussen helpt hij de ene na de andere sollicitatiebrief opstellen, tot nu toe zonder resultaat. 'Niks normen en waarden, wérk hebben ze nodig!'

De roep dat immigranten en hun kinderen zich moeten aanpassen aan Nederlandse normen wordt sterker, maar in de praktijk wordt er nog steeds niet erg veel aan de sociaal-culturele integratie gedaan. Ook het onderwijs voelt zich niet geroepen het voortouw te nemen. Scholen zijn er om kinderen iets bij te brengen, niet om ze op te voeden tot goede Nederlanders. Pas als schoolkinderen zijn veranderd in probleemjongeren wordt er iets gedaan, maar dan is het vaak te laat. Op sommige - bijna altijd zwarte - scholen is het gedrag van leerlingen zo uit de hand gelopen, dat gewoon les geven steeds moeilijker is geworden en begint het door te dringen dat het zo niet langer gaat. Daarom zijn sommige scholen de laatste jaren druk aan het experimenteren met 'lessen normen en waarden', 'maatschappelijke opvoeding' of 'sociale competentie'.

Dat betekent dat die scholen zich de vraag stellen wat kinderen nodig hebben om in de Nederlandse maatschappij te kunnen functioneren. Een antwoord vinden is moeilijk, beseft Rien van Genderen, programmaleider van De Meeuw, een stichting die nieuwe methodes ontwikkelt voor de verkleining van onderwijsachterstanden. 'Wat bindt ons nou nog in een maatschappij die zo is gefragmenteerd, die uit zoveel verschillende groepen mensen bestaat?'

Als je bij De Meeuw werkt dringen die vragen zich automatisch aan je op. De stichting is gevestigd in een oud schoolgebouw in Charlois, een van de zwarte wijken in Rotterdam-Zuid. De weg ernaartoe leidt langs oude arbeiderswoninkjes met dichtgemetselde ramen die binnenkort worden gesloopt, koffiehuis El Maghreb, een seksclub met een grafitti van een weelderige blondine op de gevel, en een Turkse supermarkt.

Als Van Genderen naar buiten kijkt ziet hij op het schoolplein kinderen van allerlei nationaliteiten spelen. Laatst wees de beheerder hem een jochie van een jaar of negen aan, een kind van Dominicaanse ouders die illegaal in Nederland zijn; hij had nog nooit een school van binnen gezien. Geen wonder dat Rotterdamse onderwijsinstellingen als De Meeuw eerder dan anderen begonnen na te denken over sociale competentie.

Gestoeld op ervaringen van Rotterdamse vmbo-scholen maakte De Meeuw een lijstje met eigenschappen die je nodig hebt om mee te kunnen draaien in de maatschappij. Initiatief kunnen nemen, staat er bijvoorbeeld op. Problemen kunnen oplossen. Je kunnen inleven in anderen. In staat zijn samen te werken. Zelf verantwoordelijkheid durven dragen. 'Dat zijn elementaire zaken die nodig zijn voor een democratische ordening', zegt Van Genderen. 'Tja, of het Néderlandse waarden zijn? Daar hebben we hier vanochtend nog over zitten praten. Het zijn denk ik westerse waarden. In China, om maar een land te noemen, zou de klemtoon meer op gehoorzaamheid liggen.'

Als Rien van Genderen zijn verhaal op scholen vertelt, wordt er vaak geknikt. De problemen beginnen later. 'Er bestaat een grote behoefte aan waarden en normen, maar het is lastig voor mensen daar ook consequenties uit te trekken voor hun eigen gedrag.'

Scholen denken dat ze een lespakket en een projectje over waarden en normen een eind kunnen maken aan de problemen met de leerlingen. Want als je wilt dat kinderen niet alleen op de hoogte zijn van bepaalde waarden, maar ze ook willen en kunnen toepassen, moet de hele mentaliteit van een school veranderen. Dan moeten leraren, conciërges, buurtmoeders en jeugdwerkers zelf het goede voorbeeld geven. 'Een beetje missionaris' voelen ze zich bij De Meeuw soms, als ze benadrukken dat je waarden en normen moet 'vóórleven'. 'Anders springt de vonk niet over.'

Het is een waarschuwing die eigenlijk geldt voor alle Nederlanders. Als Nederlanders hun waarden en normen niet duidelijk definiëren, of als het abstracties zijn waar Nederlanders zichzelf weinig aan gelegen laten liggen, kun je moeilijk van immigranten verlangen zich die eigen te maken. Dat is het onmogelijke vragen. Als antwoord zullen immigranten dan hun eigen abstracties tegenover die van de Nederlandse zetten: die van de onderdrukte moslim in het verdorven Westen. Toch is dat wat het Integratiebeleid Nieuwe Stijl doet. Het resultaat is een groeiende kloof tussen Nederlanders en immigranten en hun kinderen in plaats van de zo gewenste integratie.

'Gaan we nu de goede kant op?' vraagt Van Genderen zich hardop af. 'Niet vanzelf, helemaal niet. Ik denk dat we heel erg goed op onze tellen moeten passen. We moeten realistisch blijven, geen spectaculaire dingen verwachten. En niet alleen maar brullen, dat vind ik zo vervelend van sommige politici. Dan denk ik: ga nou es wat doen. Zo creëren ze een koortsige sfeer. Als ik in mijn vrije tijd zit te kletsen met vrienden gaat het heel vaak hierover, en dan wordt het vaak behoorlijk verhit. Er hangt een hele paniekerige sfeer. Als je in die sfeer niet op je tellen past, dan creëer je teleurstelling, dan creëer je angst. Dan keren mensen zich nog verder af van de maatschappij, en trekken ze zich terug achter hun eigen voordeur.'

Meer over