'Een ware zegen voor ons volk'

Het idee kwam uit Duitsland, waar de Sammel-Albums in de vorige eeuw al een zekere populariteit genoten. In 1900 tikte Ericus Verkade jr....

Tekst bevatten de eerste drie delen niet. Wel achtte een briefschrijver Andersens goudgelokte zeemeermin, wier buste onbevangen profiteerde van de opwaartse druk in haar kristallijnen habitat, 'beslist aanstotelijk voor het katholieke kind'.

De albums waren een succes. De concurrentie verbeet zich, maar hield zich groot. 'Goede koek behoeft geen prentjes om de kinderen te amuseeren, maar verkoopt zich door hare qualiteit', poneerde De Kroon uit Delden per annonce. Het moderne Verkade, dat nog ongekende reclametechnieken van over de grens benutte, vergrootte moeiteloos de voorsprong. Hoe vooruitstrevend het bedrijf al in 1891 te werk ging, is te lezen in het oogstrelend geïllustreerde Natuurlijk Verkade, waarin de biologe Marga Coesèl pakkend 'het verhaal van de albums' presenteert (Terra; fl. 39,90). Het bedrijf vroeg in dat jaar bij gemeentesecretarieën de adreslijsten op van mensen die meer dan vijftienhonderd gulden per jaar verdienden.

Ericus jr., Anton en Arnold, de jonge Verkades die het expanderende concern leidden, besloten niet langer gebruik te maken van het Duitse materiaal, dat weinig samenhang vertoonde. Besloten werd in eigen beheer albums uit te geven, gewijd aan het onderwerp dat opeens sterk in de belangstelling stond: inheemse natuur. Dertig jaar eerder had niemand zijn stem verheven tegen het kappen van het laatste oerbos, het Beekbergerwoud, maar in 1904 staken protesten op toen Amsterdam voor zijn vuilstort het oog liet vallen op het Naardermeer. Een jaar later bundelden prille groenen hun krachten in de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland; zij kochten het Naardermeer aan.

De broers Verkade wendden zich tot Jac. P. Thijsse, Ko voor vrienden, een natuurminnend onderwijzer - enthousiast, nooit belerend - met al wat publicaties op zijn naam over wat groeit, bloeit en immer weer boeit. Drie illustratoren werden aangezocht, boekkunstenaar Willem Wenkebach en vogelspecialist Jan van Oort (kennissen van de Verkades) en Jan Voerman jr. (kleinzoon van de oude Verkade). Na een jaar, in maart 1906, kwam Lente uit. Het werd gunstig onthaald, dagbladen plaatsten lovende besprekingen.

Om 'onze afnemers' tegemoet te komen die zich opgescheept konden voelen met 'dubbele' plaatjes, zette Verkade & Comp. een ruilafdeling op. De binnengekomen plaatjes, soms tweehonderd op een dag, werden herverdeeld en per post teruggezonden, maar later uit hygiënisch oogpunt door nieuwe vervangen. Ook organiseerde de firma ruilbeurzen voor kinderen - bij gezinsaankopen een vasthoudende pressiegroep -, die op de wijs van In naam van Oranje, doe open de poort het Beurslied mochten meezingen ('Wij roepen thans allen/ met vuur en met vlam// Lang leve Verkade Zaandam').

Toen de vier seizoenen waren behandeld in één grote lofzang op de natuur - zij het dat in Herfst nog ongebreideld kon worden gejaagd; Van Oort tekende zelfs een gedode keep en vink - wilde het publiek meer. Op voorstel van Thijsse zag een tweede serie het licht, waarin hij dieper inging op een biotoop. Blonde duinen opende hij met de bekentenis: 'Ik had aan veertig meisjes ieder een konijnenschedeltje beloofd' (het betrof tekenmateriaal voor een klas).

In De Bonte Wei (1911) beschrijft Thijsse hoe hij een spoorwegarbeider die het op een spriet (kwartelkoning) heeft gemunt, op andere gedachten kan brengen. 'Wat een klein mormel, zei de spoorwegman, maar ik hoorde al liefkoozing in zijn ruwe uitdrukking.' Het Naardermeer volgde, en Bosch en Heide. Inmiddels had Verkade ook in Indië, in Semarang, een depot ingericht, zodat de ruiler niet langer afhankelijk was van de trage zeepost. Maar het publiek begon een beetje genoeg te krijgen van steeds weer natuur.

De koers werd verlegd, en weer trof Verkade de roos met een serie die zwerftochten door Nederland beschreef. Vliegend hert en witte spar maakten in het 'wandelalbum' Langs de Zuiderzee plaats voor dorpssilhouetten en torenspitsen. Thijsse bleek een bevlogen reisleider, ook in De Vecht, De IJsel en Friesland. Jan Veth, kunstenaar en inmiddels hoogleraar, roemde ze als 'een ware zegen voor ons volk'. Niet-Friezen hoopten tevergeefs dat ook hun provincie aan de beurt zou komen. Na 1918 daalde de conjunctuur en moest Thijsse de voorbereidingen voor Twente staken. Pas in de herfst van 1925 werd de albumserie hervat en verplaatste de natuurstudie zich onder leiding van de latere Artis-directeur Frits Portielje naar de huiskamer: Mijn aquarium. Aan zijn dierentuin mocht hij later drie delen wijden.

Van de 35 albums die Verkade deze eeuw uitbracht, zijn er negentien van de hand van Thijsse. Twee ervan heeft hij zelf niet in druk kunnen zien. Twintig jaar na zijn dood in 1945 verscheen Vogelzang. En Verkade had bij nader inzien toch niets gezien in de uitgave van Eik en Beuk, waarvan het manuscript in 1932 klaarlag (Thijsse, boos, speelde met de gedachte met Droste in zee te gaan). Na ruim zestig jaar verscheen het alsnog: gerechtigheid in het Thijsse-jaar 1995. Met facsimile-drukken mee bedraagt de totale albumoplage 3,2 miljoen exemplaren.

Meer over