ColumnPeter Buwalda

Een schicht afgunst schoot door mij heen, zo’n fraaie fiets had ik nog nooit gezien

null Beeld
Peter Buwalda

We waren in Wenen en konden fietsen lenen van Jets vrienden.

‘O nee hè’, zei ik klaaglijk, ‘als ik iets haat is het door een grote buitenlandse stad moeten fietsen op geleende fietsen van andermans vrienden.’

‘Weet ik’, zei Jet. ‘Maar we moeten van hot naar her.’

Ik wees.

‘Die stepjes?’

Ik knikte. Wenen stond vol met de elektrische wonderstepjes, ik had er kennis mee gemaakt in Berlijn, jaarclublustrum, toen de g’noten en ik als tien Luke Skywalkers over het asfalt gleden. Dat hele Berlijn was na een kwartier decor geworden, karton om doorheen te kunnen steppen.

Fietsen lenen gingen we, geen stepjes. Punt. Dan had ik maar een vriendin van 70 moeten nemen. Een van Jets vrienden, de mannetjesvriend, sjouwde een supersonisch racefietsje tevoorschijn. Het had een plat tijdritstuurtje, maar gelukkig geen dicht achterwiel, ik heb Laurent Fignon nog zien omwaaien, ik ken mijn klassiekers. Wel zag ik zo’n zadel als een dorsvlegel, het ding zou permanent tussen mijn reethelften neerkomen. (Kinetische beeldspraak. Het zadel als een dorsvlegel die zo hard tegen edele delen wordt geperst dat het eigenlijk hele snelle slagen zijn. Helder? Het doet zeer, dat is de bottomline.)

‘Dit is een oldtimer, hoor’, zei de vriend. ‘Maar alles doet het nog.’ Alles waren onder meer zesendertig versnellingen. Hij gaf het ding aan Jet. Een schicht afgunst schoot door mij heen, zo’n fraaie fiets had ik nog nooit gezien, laat staan bezeten. Geen van mijn barrels had versnellingen gehad, of maar een week, waarna alleen de derde ‘versnelling’ het nog deed, de welbekende knieschijvenkraker, optrekken als Peter Winnen in de haarspeldbochten van Alpe d’Huez, spottend met alles wat ons van Playmobil onderscheidt. (Knieën en ellebogen, anders lagen we allemaal in een doos op zolder.)

Daar was de vriend weer, nu met een nóg blinkender fahrradje. Alweer lachend stak ik alvast mijn hand uit. Dit was allerminst een oldtimer, bekende onze vriend, al had hij zopas nog een warmer mes aangeschaft voor de Weense boter. (Met een schok besefte ik dat fietsen uit winkels kwamen, niet uit de boerenkool. En toch, mijn eigen exemplaren waren tweedehands ter aarde gekomen, daar bleef ik bij.)

Sjezen, vrienden, sneller dan alle stepjes. Dit had ik nog nooit meegemaakt, op twee fronten niet. Als ik een minibeetje trapte, schoot mijn afleggertje onder me vandaan, ik moest me echt vastklampen, ‘bliksemstraaltje,’ brullend, ‘kalm maar, we hebben alle tijd!’ Ik was vooral bezig met remmen, zelfs bergop. Misschien had Newton een wet verzwegen, het klopte niet, deze wereld zonder wrijving.

‘We zouden jouw vriend eens op mijn, nou ja, haha, ‘fiets’ moeten zetten,’ schreeuwde ik naar Jet, ‘en dan zijn gezicht fotograferen. En er dan een gifje van maken.’

Helaas was het andere front voornoemd zadel, alle opgeheven weerstand balde er zich samen. ‘Dat is de ruil,’ beaamde onze Weense vriend toen ik me huilerig beklaagde. Behoud van wrijving, vierde wet van Newton, postuleren maar.

De ruil was het waard, ook al omdat ik Jet er makkelijk uittrapte. Thuis is het precies andersom, daar koffiemolen ik er altijd achteraan. ‘Langzamer!’ ‘Ik kan niet nóg langzamer!’ ‘Neem anders deze fiets!’ ‘Ik neem helemaal niet jouw fiets!’ Et cetera. Zo niet in Wenen, fluitend zoefde ik honderden meters vooruit, wachtte een tijdje in de berm, en spoot weer langszij, grijnzend als Jan Raas. (Jan Raas, zo wilde ik heten. Een roman van Jan Raas.)

Meer over