Een romanticus, zoals een modernist dat kan zijn

P.C. Hooftprijswinnaar H.C. ten Berge verwacht inspanning van zijn lezer, maar hij dicht ook over lekker eten en Mexicaanse rituelen....

De bundel Oesters & gestoofde pot (2001) van H.C. ten Berge begintmet een gedicht dat De laatste modernist heet: 'Hij wilde bij maanlichtvulkanen bestijgen/ maar dronk een glas wijn bij het vuur. // Hij dachtzich op jacht in het schemerige noorden / maar stond in een sneeuwbui vanmeeuwen op pas geploegd land.' Het gedicht, dat uit veertien tweeregeligestrofen bestaat en de structuur van een sonnet heeft, is in vele opzichtentyperend voor de dichter die komend jaar de P.C. Hooft-prijs in ontvangstmag nemen. In de eerste plaats is er het ironisch contrast tussen de bijnaabsolute eisen die hij aan het kunstwerk, maar ook aan het leven stelt, metwat er in de praktijk meestal van terechtkomt. In de tweede plaats is erhet intellectuele spel met de literaire traditie. Ja, Ten Berge is eenvolbloed modernist, en misschien ook wel één van de laatsten die nietalleen de Europese en Amerikaanse literatuur overziet, maar ook thuis isin de culturen van Groenland, Midden-Amerika en Australië.

Ten Berge (Alkmaar 1938) debuteerde in 1964 met de ijzige, kale bundelPoolsneeuw, waarvan de openingsregels zo luiden: 'In de koude van de winterverkropt, / als blad beweegt zich mijn woord.' In de ruim veertig jaar dathij publiceert, heeft hij een veelzijdig oeuvre opgebouwd dat zowel poëzieals proza, zowel vertalingen als essays omvat, een oeuvre bovendien waarinalles met alles samenhangt. Het onderzoek naar volksverhalen uitpoolstreken had zijn weerslag op de poëzie, vertalingen van Cantos vanEzra Pound bleken vruchtbaar voor de Texaanse elegieën (1983), passagesuit het prozawerk Matglas (1970/1982) werden hernomen in de vorig jaarverschenen bundel Het vertrapte mysterie. Daarbij heeft Ten Berge een niette onderschatten invloed gehad op het Nederlandse literair klimaat door in1967 het tijdschrift Raster op te richten, waarvan hij tot 1980 in deredactie zat.

Ten Berge mag een poeta doctus zijn, een dichter die van zijn lezers eenserieuze inspanning verwacht, toch is hij misschien in allereersteinstantie een romanticus, zoals de meeste modernisten dat waren. Ten Bergegrijpt naar het hoogste, hij wil de kern van de wereld blootleggen, hijzoekt naar de absolute liefde, maar is er tegelijkertijd van doordrongendat dit alles de mens niet gegeven is. De naar arctische zuiverheidstrevende poëzie van het begin werd algauw gevolgd door zwieriger bundelsmet kermistaferelen, kleurrijke Mexicaanse rituelen, geestige zelfspot enzelfs, in de laatste bundel, vijf swingende tango-gedichten: 'Toch zijn eraltijd weer ogen die glanzen. / De jouwe. / Je drinkt het geziene, jeschenkt nog eens bij.' Deze vitale regels krijgen echter direct huncontrapunt: 'Het eind in zicht, het pad gebaand, een gedicht / praktischklaar / weet je dat bijna niets ertoe doet'. Dat klinkt somber, zeker metdeze slotregels: 'Je zeilt op een geschonden planeet / door een heilloosen onverschillig heelal.'

Ook die betrokkenheid bij de wereld die ons omringt, waarvan we actiefdeel uitmaken, is kenmerkend voor het oeuvre van Ten Berge, die altijd eennieuwsgierig reiziger is geweest. In de Texaanse elegieën spreekt dedichter zich uit over fascisme en dictatuur, menig gedicht verzet zichtegen de aantasting van oude beschavingen en ecologische kaalslag: 'Tegende herrie. Tegen het vuil. Tegen bemoeizucht. Tegen inertie. Tegen deklerken. Tegen de buren. Tegen de afbraak.' Het tekent echter zijnveelzijdigheid dat hij ook een reeks gedichten over lekker eten heeftgeschreven.

Ten Berge is, als alle grote dichters, een chroniqueur van het leven:'Je wilt het heden betrappen / terwijl het al niet meer bestaat. (...) Tijdheelt niets, want slaat weer / nieuwe wonden.' Pijn en onmogelijkehelderheid, daar gaat het om.

Piet Gerbrandy

Meer over