Een ouwe man op herhaling

Geluk stond voor Bart Veldkamp gelijk aan de eerste plaats, maar na zijn gouden olympische race van 1992 was euforie hem nog maar zelden gegund....

'JUNI 1996 heb ik gezegd: nu begint Nagano, nu ga ik trainen en ik stop niet meer. Sindsdien heb ik weer plezier in schaatsen. Iedereen denkt dat ik zo'n schaatsgek ben, maar dat valt wel mee. Eigenlijk vind ik wielrennen leuker. Schaatsen is altijd diezelfde rondjes op zo'n rotbaan. Alleen als ik een doel voor ogen heb, zoals nu, kan ik het opbrengen.

'Natuurlijk moeten de Olympische Spelen de bekroning worden, maar in feite is die route daarvoor nog mooier. Dat werken aan je conditie, aan je techniek, kijken hoe de rest ervoor staat, elkaar aftasten. Hier geniet ik van. Die vijf kilometer in Helsinki bij het EK, ik werd er bijna bang van, zo goed ging dat.'

Bart Veldkamp staat op de drempel van zijn derde Olympische Spelen. Tien jaar geleden had hij er al bij kunnen zijn, maar als twintigjarige greep hij net naast de tickets voor Calgary. Thuis aan de buis zag hij Gustafson tweemaal goud winnen en sindsdien brandt ook diep in hem het vuur - 'de dubbel als stayer, twee keer goud, dat is mijn droom'.

In Albertville slaagde de missie ten dele, twee jaar later eindigde Hamar in een faliekante mislukking, daarom schaatst Bart Veldkamp nu nog. 'Ik dacht dat het vanzelf zou gaan: Hamar is geweest, nu richt ik me op Nagano. Maar zo automatisch gaat dat niet. 1998 was nog zo ver weg, blijf dan maar eens gemotiveerd. Ik werd ongeïnteresseerd, reed bar slecht, moest mezelf dwingen om het ijs op te stappen. Het enige dat me op de been heeft gehouden is dat ik gezworen had Nagano te halen. Ik wil waardig afscheid nemen.

'Misschien is het mijn geluk geweest dat het schaatsen in die twee jaar na Hamar geen hoog niveau had. Daarom kon ik ook toen vaak de lange afstanden winnen: 6.50 in Thialf, dat is toch een klotetijd. Qua niveau zat ik toen op zestig procent van waar ik nu zit. Zou het schaatsen in die jaren op het niveau van 1993/'94 zijn gebleven dan was ik pelotonvulling geweest; dan had ik misschien nu niet meer geschaatst.'

Maar nu, met Nagano in het zicht, heeft Bart Veldkamp weer de macht die hij zich zo goed herinnert uit de eerste jaren van zijn loopbaan. Het negentienjarige marathontalent dat doorstootte naar de kernploeg en vervolgens de internationale elite zijn wil oplegde. In zijn tweede seizoen, 1989/'90, winnaar van het EK, zijn eerste en enige allroundtitel. Maar succes went snel. 'Het moet altijd sneller, beter, perfecter, vooral bij mij.

'Dat EK won ik met vier persoonlijke records. Ik reed als in een trance. Die vijf kilometer, onvergetelijk, het stadion ging helemaal uit z'n dak, 6.45. De volgende dag rijd je 14.01 op de tien kilometer, elf seconden van je p.r., en toch niet helemaal tevreden zijn. Shit, ik had onder de veertien minuten willen komen. Je doet jezelf tekort, je ontneemt jezelf zoveel geluk met dat soort redeneringen.'

En dat terwijl hij zijn selectie voor het EK niet eens eerlijk had verdiend. 'Bij de NK afstanden, de kwalificatiewedstrijden voor het Europees kampioenschap, was ik weer eens helemaal verlamd door de spanning. Op de 1500 meter moest ik 2.01 of zo rijden, ik wist dat haal ik niet.

'M'n enige kans was op m'n bek te gaan, dan konden ze me aanwijzen. Na een rondje ben ik erbij gaan liggen. Zandstra mocht van Pfrommer niet naar het EK, Kemkers meldde zich af met z'n zwabberpoot en toen bleef ik over. Ze wezen me aan, twee weken later was ik Europees kampioen. 't Is niet fair, maar het is gebeurd. Tegenwoordig is het modern om je voor een belangrijke kwalificatiewedstrijd ziek te melden.'

Het was niet de enige keer dat Veldkamp redding zocht in een wanhoopsdaad. Immer op zoek naar perfectie werd de Hagenaar meermalen gegrepen door de angst niet aan zijn eigen verwachtingen te kunnen voldoen, paniekaanvallen waaraan soms slechts met een opzettelijke val viel te ontsnappen. Stress die hem twee seizoenen (1994/'95 en 1995/'96) bijna onafgebroken in een wurggreep hield. Die seizoenen bestempelt hij nu als de crisisjaren. 'Stijf van de zenuwen, zo erg.

'Het NK in '95 in Den Haag: helemaal verlamd. Laat ik maar vallen, dan ben ik eraf. Eerst nog geprobeerd op een blokje te gaan staan, lukte niet, toen heb ik m'n linkerbeen maar laten wegglippen. En dan walgen van jezelf. Weg, weg, weg hier, ik schaats nooit, nooit meer.'

Symbolisch heet die val drie jaar later, tekenend voor het gevecht dat Veldkamp in die jaren met zichzelf voerde. Pas 27 jaar, maar volgens de buitenwacht al te oud om nog de ijspistes te kunnen regeren. Die Europese titel en een gouden olympische medaille nemen ze me nooit meer af, zei hij tegen zichzelf, maar op hetzelfde moment kon hij zich niet verzoenen met het idee dat twee Friese jongens zonder noemenswaardige inspanningen hem in de schaduw zetten.

'Zandstra stond met zijn handen in de zakken, trok z'n schaatsen aan en reed me d'r af. In de training liep hij maar te kloten, beetje achter mij aanrijden, lekker uit de wind, en dan in de wedstrijd mij verslaan. Ritsma deed er meer voor, dat was een werker. Maar ook dat onverschillige hè. Dat stoorde me. Ik had de jaren met Leo Visser, Gerard Kemkers en Ben van der Burg meegemaakt. Die trainden net als ik, serieus, stipt, keihard. Zíj mochten me verslaan.

'Ik heb er altijd meer moeite mee gehad dat Falko en Rintje me versloegen dan wanneer ik door anderen werd geklopt. Als Ids Postma sneller is, vind ik dat minder erg. Verliezen van Zandstra irriteerde me vaak mateloos. Zandstra trainde niet, het was onlogisch. Eén plus één hoort twee te zijn, bij hem was het tien.'

De routinier Veldkamp voelde zich een eenling in de kernploeg, het bolwerk waar hij als debutant het vak had afgekeken van Leo Visser en Gerard Kemkers. Het klimaat van professionalisme en fanatisme dat zij hadden geschapen, maakte met de komst van de Friezen plaats voor kwajongensgedrag en nonchalance. De ergernis nam buitensporige proporties aan, erkent Veldkamp, en dat is vooral zijn eigen schuld. 'Ik kan ze niet verwijten dat hun manier van topsport bedrijven niet de mijne is.

'De sfeer was veranderd. Ineens moest ik ook met snelle auto's en vrouwen in de weer zijn, ik vond het kinderachtig. Toen ik in de kernploeg kwam, keek ik op tegen Visser en Kemkers. Ik sliep bij Gerard op de kamer, de grote Gerard Kemkers. Als ik hem versloeg, voelde ik me bijna schuldig. Falko en Rintje reden mij eraf en dat vonden ze nog vanzelfsprekend ook.

'Die eerste vier jaar in de kernploeg zijn de mooiste jaren van mijn carrière geweest. We wilden elkaar verslaan en toch was er respect voor elkaar. Ik heb met moordneigingen op Ben van der Burg en Leo Visser rondgelopen, maar nu denk ik vaak met heimwee aan die periode terug.

'Kom je toch bij dat westerse, hè. We waren harder en directer tegen elkaar. Er zat nooit een linkigheidje achter. Leo Visser kon je zo verschrikkelijk sarren, maar hij zou het nooit tegen je gebruiken. En dat gebeurde later wel. Geintjes hadden ineens een heel andere lading. 't Kon weken duren, maar dan werd plotseling iets uit het verleden opgerakeld. Dan voelde je: nu wordt er afgerekend.

'Begrijp me goed, de fout ligt natuurlijk in de eerste plaats bij mezelf. Ik reed waardeloos dus dan ga je de schuld altijd bij anderen zoeken. Het komt door de groep, door de sfeer, door de coach, noem maar op. Die eerste jaren bij de kernploeg zal ik ongetwijfeld romantiseren en die jaren erna zal ik vast zwarter afschilderen dan ze eigenlijk waren.'

Veldkamps geest brak op zaterdag 7 januari 1995, de tweede dag van het EK in Heerenveen. De dag waarop hij in een interview met NRC Handelsblad de bond hekelde en daarvoor op het matje werd geroepen bij toenmalig KNSB-voorzitter David Meijer en sectiebestuurder Johan Grobbee. In één middag leerde Veldkamp dat de officials hem bovenal een lastpak vonden die ze liever kwijt waren én dat solidariteit in de kernploeg nauwelijks bestaat.

'In besprekingen over salarissen en sponsorregelingen werden we keer op keer genaaid. Ik sloeg terug, ik speelde de vakbondsman. Maar als het vuile werk opgeknapt moet worden, sta je alleen. Dat heb ik geleerd. Iedereen van de ploeg wist dat ik op het matje geroepen was, maar niemand kwam vragen hoe het gesprek afgelopen was. Ja ééntje, Martin Hersman. De rest liep met een grote boog om me heen.

'Hoe vaak hebben we niet met de hele ploeg om de tafel gezeten tijdens trainingskampen? Ontelbare keren. En ik het maar weer uitleggen. Ze hebben ons dit beloofd, dit beloofd en dit en ze doen dat. Dat klopt toch niet, we worden gepiepeld. Zandstra zat er maar een beetje bij, hij wist soms echt niet waarover het ging. Maar uiteindelijk wel mee profiteren van het vuile werk dat anderen deden.

'Die middag in Heerenveen durfden ze niet mijn kant te kiezen. Die dag vergeet ik nooit meer. Het leek wel een tribunaal. Met Meijer en Grobbee moest ik mee naar een kamertje, de deur ging op slot. Ik ben daar bedreigd, ik raakte helemaal overstuur. David Meijer zei: ik maak jouw carrière kapot. Toen ik 's avond naar huis reed, was ik kapot.

'Martin Hersman zat net in de kernploeg, maar hij bleef me steunen. Vond ik klasse. Samen hebben we toen ook aan de rest voorgesteld om bij de ploegenpresentatie in augustus onze Aegon-kleren op een grote hoop te gooien en dan te zeggen we stappen en bloc op, zo laten we ons niet langer behandelen. Straathof wilde meedoen, de rest was bang.'

Nadien stond zijn besluit vast, 'ik ga naar België', en nu, drie jaar na dat keerpunt, kan hij zeggen dat de Vlaamse rust het plezier heeft teruggebracht. Trots was hij toen hij zich eindelijk had durven bevrijden uit de ketenen van de bond, de stap waar hij al vijf jaar tegenaan hikte. Alleen jammer dat het geen unieke daad werd, want zijn voorbeeld werd gevolgd door Ritsma, wiens solo-actie plotseling alle aandacht opeiste. 'Ik wist meteen: shit, dit kost mij geld.

'Mijn grote wens was een commerciële ploeg op te zetten, maar doordat Ritsma met Sanex op de markt was verschenen viel dat tegen. Veel potentiële sponsors zijn denk ik afgehaakt omdat ze vreesden publicitair onder te sneeuwen bij Sanex. Vorig jaar had ik eindelijk toch dat International Speed Skating Team van de grond, gaat één van de sponsors failliet. Klote. Maar in de toekomst probeer ik het nog een keer.

'Alle publiciteit die mijn team vorig jaar vergaarde, vertegenwoordigde een marktwaarde van bijna drie miljoen gulden. Een kwart daarvan leek me redelijk als eis voor toekomstige sponsors. Zo werkt het dus niet. Misschien vindt het bedrijfsleven mij een lastige jongen; ik ben geen Ritsma met zo'n blozende, frisse plattelandskop. Sanex zag in Ritsma het ideale type om hun product te lanceren, dan wordt geld bijzaak. Wat zij in hem investeren is peanuts vergeleken bij wat het oplevert.

'Ze hebben laten zien dat je zonder bondssponsor te zijn toch het beeld van de sport kunt bepalen. Schaatsen was Aegon, nu niet meer. En het zal nog minder worden. Nu zijn bedrijven nog huiverig want publicitair kun je moeilijk tegen de ploeg Ritsma op, maar er komt ook een moment dat Ritsma stopt. En dan komt er een ander. Een andere kampioen, een andere sponsor. Iedereen heeft nu gezien hoe het moet, de trend is gezet.'

0 A HET AFHAKEN van zijn sponsors zag Veldkamp zich genoodzaakt zijn spaarrekening te plunderen om zijn olympische ambities intact te houden. 'Ik steek twee ton in dit seizoen, daar had ik ook een huis grotendeels van kunnen betalen. Maar ik wil optimaal naar de Spelen, nog één keer alles eruit halen. Wat ik in bijna tien jaar verdiend heb, gaat nu in een seizoen op. Dat is jammer, maar ik ben niet bitter.

Op dertigjarige leeftijd gunt Veldkamp rancune geen ruimte en dat is een ontwikkeling die hem ook zelf af en toe verbaast. Waardering is er voor de nieuwe gezagsbepalers bij de KNSB - 'één belletje naar de bond en ik mag meetrainen op Thialf' - en de therapeutische werking van een seizoen zonder ruzies, conflicten en stress is evident. Op weg naar Nagano is Bart Veldkamp weer een liefhebber geworden.

De Elfstedentocht van vorig jaar heeft hem 'diep' geraakt, zegt hij, en zijn blik is ernstig. 'Het heeft me veranderd. Ik dacht aan winnen. Waarom niet? Ik ben Bart Veldkamp. Maar in Sloten kwam ik alleen te rijden en daarna zat ik er helemaal doorheen. Ik heb daar zò verschrikkelijk moeten afzien.

'Ik was zo blij dat ik de streep haalde, zo ontzettend trots op mezelf. Terwijl ik niet won. 29ste: normaal baal ik na zoiets als een stekker, maar dit vond ik geweldig. Het was een openbaring voor me. Hé verrek, als je voor jezelf hebt bereikt wat je wilde bereiken, kun je óók gelukkig zijn.

'Voor de Olympische Spelen van Hamar was ik zo bezig met dat dubbele goud: nu gaat het lukken, nu moet het lukken, ik wil dat het lukt. Twee jaar eerder was ik toch olympisch kampioen op de tien kilometer geworden, het móest in Hamar nog beter worden. Maar het kwam dus niet. Ik merk dat ik nu veel minder verkrampt met goud bezig ben. Ik wil schaatsen zoals in die eerste jaren. Verbaasd zijn over jezelf, zo lekker glijden, voor je het goed en wel beseft ben je dan bij de finish.

'Ik vraag me vaak af wat dat voor me zou betekenen: nog een keer goud. Ik word er niet gelukkiger van. Tevreden, dat is het woord. Ik voel dat sommige mensen denken: die Veldkamp, waarom rijdt die nog? Ouwe man. Juist dat geeft me de drang om het nog één keer te doen. Ik wil me wel doodrijden om het nog één keer te laten zien.'

Meer over