ColumnThomas van Luyn

Een oneindige hoeveelheid nootjes heeft die Bach geschreven, oneindig

null Beeld

Die Bach, die kon er wat van. Nootjes opschrijven bedoel ik dan. In de goede volgorde, en dat ze bij elkaar fijn klonken, maar vooral: veel. Ik zit me momenteel te vertillen aan het Das wohltemperierte Klavier, een boek met zoveel noten dat een mens zich daaraan een leven lang kan vertillen, en dat doen mensen dan ook in groten getale. Op talloze plekken in de wereld staat er permanent een exemplaar op het pianoplankje, potlood ernaast, lichtje erop. Elke seconde van de dag ploft er wel ergens een aardbewoner op een pianokruk om te kijken of-ie al een paar nootjes verder komt. Wie regelmatig oefent komt een heel eind, maar dat is relatief; op de Mount Everest kun je ook een heel eind komen, maar niet in verhouding tot hoe hoog de berg is. Van eerste prelude tot laatste fuga is een hele klim. Prima metafoor Thomas (dank je Thomas), want ook bij Bach moet je met elk foutje een stukje terug en opnieuw proberen zonder te struikelen. En wat van veraf uitstekend begaanbaar bleek, blijkt eenmaal aangekomen een onneembaar obstakel. En net als je denkt: laat maar zitten, ik ga naar huis, merk je dat je al een tijdje heerlijk aan voorthuppelen bent. Je kijkt om, en ziet dat je enorm bent opgeschoten. Plotsklaps beland je in een dichte jungle (een jungle op de Mount Everest? – Hou je kop) en dan moet je met een kapmes je er een weg door hakken: weken kun je doen over twee maten stomme priegelnootjes. Waarom? Tja, er is een spreekwoord in het boed­dhis­me: ‘Een beetje meditatie, een beetje meer Boeddha’, waarbij de grap is dat Boeddha oneindig groot is, dus dat je nooit klaar bent, maar dat dit ook niet de bedoeling is. Voortgang zonder eind. Zoals een binge-waardige serie met eindeloos veel seizoenen. Modern Family, bijvoorbeeld.

Mijn kinderen vinden het zenuwmuziek, waarvan ze, ik citeer, jeuk krijgen. Ik vertel ze dat het ook eigenlijk geen muziek is om naar te luisteren, maar om te spelen. Net zoals dat een berg ook niet bedoeld is om... nee nou werkt-ie niet meer. Hoe dan ook, mijn boek is dus dik en er staat verrukkelijk veel in om heerlijk nooit onder de knie te krijgen.

En dan heb ik het alleen over deel één. Dat er een deel twee is kan ik niet bevatten. Dat voelt als oneindig optellen bij oneindig. Dat is gewoon nog steeds oneindig.

Ik probeer mij voor te stellen hoe snel Bach die nootjes opschreef. Dat moet vrij rap gegaan zijn, want dat Das wohltemperierte Klavier is maar een fractie, ik herhaal, een fractie wat die idioot heeft gecomponeerd. Er staan meer noten in zijn oeuvre dan dat er sterren aan de hemel staan. Of zandkorrels op een strand. Blaadjes aan een boom? Nou ja, zoiets, ik las een vergelijking ooit ergens. En omdat al die nootjes briljant zijn gekozen, kan het niet anders dan dat hij het zelf heeft gedaan, want zo veel genieën lopen er niet rond, zelfs niet in de 18de eeuw. Niet zoals bij Rubens, dat je ziet: hmm, die hoed lijkt nergens op, dat zal wel door een leerling zijn gedaan.

Bachs laatste woorden waren naar verluidt: ‘Zo, knappe jongen me die dat...’ en toen was-ie weg.

Meer over