muziek

Een muzikale trip langs het belangrijkste werk van Lee Perry – één van de grootste popgenieën

Lee 'Scratch' Perry in 1984.  Beeld Foto David Corio/ Redferns
Lee 'Scratch' Perry in 1984.Beeld Foto David Corio/ Redferns

Perry’s bedwelmende producties, vol echo’s en ritmen als zweepslagen, maakten de weg vrij voor techno en rap.

Hij was een sjamaan van de muziek, en in zijn studio in Jamaica knoopte hij de meest bizarre klanken aan elkaar, als in een spookachtig voodooritueel. En al verloren zelfs de meest verlichte rasta’s soms de grip op Lee ‘Scratch’ Perry: de zondag op 85-jarige leeftijd overleden liedschrijver, zanger en producer werd een van de grootste genieën van de popmuziek, wiens invloed nog dagelijks te horen is in een brede waaier aan muziekstijlen.

Met zijn vernieuwende studiotechnieken en een volslagen vrijgevochten geest bouwde Rainford Hugh Perry, zoals hij werd geboren in 1936, eerst aan de reggae, die vanuit Jamaica de wereld zou veroveren. Daarna vond Perry de dub uit, en met die bedwelmende muziek maakte Perry de weg vrij voor de moderne dance: van techno tot drum-’n-bass en dubstep. En in zijn ritmische wonderwereld van diepe bassen en blikkerende drumbeats kon zelfs de hiphop in de steigers worden gezet.

Wie nu luistert naar de vroegste muziek van Perry, voelt nog steeds een geheime kamer opengaan in het bewustzijn. Je weet vaak echt niet wat je hoort, en waar de sissende en kronkelende geluidenpracht vandaan komt: zijn platen zijn onvergelijkbaar psychedelisch en werken nog altijd als drugs zonder drugs.

Maar wat voerde het onnavolgbare meesterbrein nu precies uit in die studio? Hoe werd hij een van de architecten van de moderne muziek, die zelfs door Paul McCartney op handen werd gedragen - en gekopieerd? Een trip langs een paar van Perry’s belangrijkste muziekwerken, van zichzelf en van anderen, met Perry als drijvende kracht achter de knoppen van zijn mengtafels.

Lee Perry - People Funny Boy

In de vroege jaren vijftig ging Perry als jonge arbeidskracht aan het werk in de steengroeven. Hij bouwde mee aan het Jamaicaanse spoornetwerk bij de stad Negril en maakte kennis met de kracht van een oergeluid. Als hij grote stenen oppakte en wegsmeet, hoorde hij een dreun door de aarde gaan, als een ondergronds onweer. Dat geluid liet hem nooit meer los, en volgens Perry komt ál zijn muziek uit de stenen.

Hij wilde iets doen met zijn ontdekking, vertrok naar Kingston en meldde zich bij de beroemde ska-studio Studio One. Maar hij vond de opgewekte dansmuziek die daar vandaan kwam leeghoofdig en ongeïnspireerd. Hij besloot dat hij het zelf beter kon en doopte zichzelf om tot The Upsetter, de man die alles overhoop zou halen. En hij nam in 1968 het nummer People Funny Boy op. Dat werd een historische single. Omdat Perry met zijn holle en knallende drumslagen de aarde deed trillen en de aanzet gaf tot een meer begeesterde Jamaicaanse muziek: de reggae. Maar ook omdat Perry het geluid van een huilende baby door zijn plaat weefde. Dat krijsende kind zou de geschiedenis ingaan als een van de eerste samples; een op band opgenomen geluid dat listig in de muziek werd gemixt.

Bob Marley - Duppy Conqueror

Perry zag mengtafels als instrumenten. Hij liet opgenomen geluiden van drums, bassen, orgels en gitaren door eindeloze echo’s dwalen, en dankzij de diepte in zijn sound kreeg de Jamaicaanse muziek een spirituele ondertoon. Perry werd in Jamaica, begin jaren zeventig, gezien als iemand die artiesten nieuw leven kon geven, dus werd er vaak bij hem aangeklopt.

In 1970 meldde een jonge Bob Marley zich bij Perry. Hij had al enig succes gehad met zijn band The Wailers, maar ook hij zocht verdieping. Die vond hij, bij Perry. Volgens de producer zat er een kwade geest – in voodootermen: een ‘duppy’ – in Marleys hoofd. Die zat zijn artistieke vrijheid in de weg. En dus schreef Perry het lied Duppy Conqueror, waarin Marley zich kon loszingen van de alledaagsheid. Bob Marley nam het album Soul Rebels op, en trok in bij Perry. Volgens de producer gaf hij de zanger iedere dag thee met honing, om zijn stem zachter te maken. Marley vond zichzelf opnieuw uit en kon de wereld veroveren.

Junior Delgado - Sons of Slaves

Perry vatte zijn werk op als heilige taak. Hij beschouwde muziek als goddelijke boodschap, en een middel voor de zwarte wereldbevolking om zich mee te ontworstelen aan witte onderdrukking. En de producer, en dus de fabrikant van dat revolutionaire geluid, was als een profeet.

In de heuvels boven Kingston bouwde Perry een eigen studio: de Black Ark. Dat moest een tempel worden voor de zelfverklaarde profeet. De producer dook er de diepte in met belangrijke maatschappelijke mededelingen, en produceerde de prachtigste rootsreggae. Zo ook dit fantastische, traag golvende protestlied van Junior Delgado, dat eind jaren zeventig werd opgenomen in de toverkamer van Perry. Een pijnlijk mooie plaat, met echoënde gitaren en ritmen die klinken als zweepslagen.

Max Romeo - Chase the Devil

Een van de grootste reggaehits aller tijden komt, hoe kan het anders, ook uit de Black Ark-broedplaats van Lee Perry. De producer componeerde en schreef het grijsgedraaide lied samen met zanger Max Romeo, en Perry liet diens stem optrekken naast een holle drumslag en een knisperende ratel, die het nummer een onweerstaanbare dansgroove gaven, waar een plukkende bas nog wat overheen kon huppelen.

De beeldspraak was roerend en overtreft nog altijd het beste zelfhulpboek. De duivel in het lied is de negativiteit in de mens, waartegen ieder zich kan beschermen met het ijzeren hemd van de wilskracht.

Lee Perry - Disco Devil

Lee Perry dronk veel: witte rum bij voorkeur. En hij rookte onafgebroken marihuana. En liet zijn creativiteit intussen liederlijk de vrije loop in zijn geluidstempel. Perry nam geluiden op in de tuin of op straat. Of hij hield de microfoon bij een spetterende tv. Deze omgevingsgeluiden zette hij op een spoelenbandrecorder en vervolgens nam hij die sissende en ratelende geluiden steeds opnieuw op, in steeds hoger opgestapelde geluidsbouwwerken. Perry raakte gefascineerd door de wonderbaarlijke klankvermenigvuldiging. En hij liet de gebruikelijke liedstructuur steeds meer voor wat die was.

De bas was volgens Perry de hartslag en dus het gevoel, het ritme van de drum was het brein, de strakke maat van de ratio. In zijn Black Ark sleutelde Perry een compleet nieuw muziekgenre in elkaar, waarin honderden laagjes geluid als ‘dubs’ over elkaar heen werden geplakt. Perry gebruikte versies van originele nummers zoals zijn eigen Chase the Devil en bewerkte die tot uitgesponnen dubtracks als Disco Devil, waar iedereen die het wilde overheen kon spreekzingen, of zoals dat in Jamaica heet: toasten. De onnavolgbare dub van Perry zou de muziekwereld veranderen en de moderne dance blijvend beïnvloeden. En de toasters zouden zelfs de Amerikaanse rappers op het spoor van de hiphop zetten.

The Congos - Heart of the Congos

Lee Perry was geen diepgelovige rasta, anders dan veel van de musici die bij hem in de studio kwamen. Hij rookte wel ‘ganja’ (marihuana), maar vond veel rasta’s niet oprecht omdat ze volgens hem niet zuiver in de henzelf opgelegde leer waren.

Desondanks zette hij zich in 1977 met drie spirituele rastazangers van de vocale groep The Congos aan een meesterwerk, dat wordt gerekend tot een van de belangrijkste albums uit de muziekgeschiedenis. Perry gebruikte de technieken uit zijn dub, de zweepslagen van de bekkens en de echoënde bassen en drums, om de religieuze teksten van The Congos nog meer meeslepende diepgang te geven. Perry plaatste de engelachtige falsetstemmen van de zangers naast loeiende koeien en felle slagen op koper en conga’s. En natuurlijk die groovende, betoverende ritmegitaar, die een mist laat optrekken in het hoofd van wie ernaar luistert.

Toen het album uitkwam, was het geen succes. De plaat werd vooral door Europese platenlabels te experimenteel gevonden en werd in eerste instantie niet uitgebracht. Perry zelf was naar verluidt ook niet tevreden: hij was klaar met de rasta’s, die zijn studio hadden ‘vergiftigd met kwade geesten’. Hij stak zijn wereldberoemde Black Ark-studio in de brand, om zo ‘opnieuw geboren’ te kunnen worden.

Lee Perry - Jamaican E.T.

Eind jaren zeventig en gedurende de jaren tachtig trok Perry zich terug uit het gevierde Jamaicaanse muziekleven, al bleef hij ontelbaar veel, vaak wat verwarde albums en nummers uitbrengen in een nieuwe kleine studio. Volgens veel Jamaicanen was de producer definitief gek geworden.

Maar in de ‘westerse’ muziekwereld werd Perry op handen gedragen. Paul McCartney vroeg Perry of hij diens studiotechnieken kon gebruiken voor zijn eigen werk, en Perry bracht verfijnd muzikaal gevoel naar bijvoorbeeld de Britse punk van The Clash, die het door Perry geproduceerde Police and Thieves coverde. Wat niemand wist was dat Perry ook aan zichzelf werkte. Hij zwoer drank en drugs af, en werkte vanuit Londen en later Zürich aan een comeback. In 2002 verraste Perry de wereld met de zalig wereldvreemde maar ook toegankelijke en opgewekte plaat Jamaican E.T., waarop flarden reggae en Perry-dub voorbijdreven naast kwetterende vogels en verdwaalde koperblazers. De herboren Perry won er in 2013 een Grammy mee.

Beastie Boys - Dr. Lee, PhD

Lee Perry beleefde in zijn nadagen nog een mooie muziekcarrière. Hij toerde onvermoeibaar de wereld rond en werd door de popwereld op handen gedragen.

De Amerikaanse hiphopband Beastie Boys bijvoorbeeld liet niet na te benadrukken hoezeer het meesterschap van Perry hun muziek had beïnvloed. Een ultiem eerbetoon aan hun muzikale mentor kwam in 1998, met de track Dr. Lee, PhD, waarvan de titel voor zichzelf mag spreken. Met zoemende orgels, conga’s en Perry’s zangstem kreeg de producer de eer die hem toekwam. En uiteraard verscheen er ook een instrumentale, knetterstonede en ernstig onsamenhangende dubversie.

Meer over