Een lijst met wilde dieren

Nederlandse kinderen kennen leeuwen en olifanten vooral uit de dierentuin en van Playmobil. Toine Heijmans reist met zoon Simon (5) door het Addo Elephant-wildpark....

Simon is 5 en heeft thuis twee leeuwen van Playmobil. Hij heeft ook twee giraffen, een zebra en een olifant, die klein is uitgevallen is als je ’m naast de leeuwen zet.

Hij kent het verschil tussen een luipaard en een cheetah. Hij weet dat olifanten groente eten. Zijn jongenskamer staat vol kinderboeken over wilde dieren.

Wilde dieren, weet Simon, wonen in Artis. Dat ze ook in Zuid-Afrika wonen, wist hij niet. Hij wist niet eens dat het land bestond. De tienduizend kilometer tussen thuis en Oost-Kaap zeggen hem niets – alles wat abstract is moet voor hem nog werkelijkheid worden. Zelfs nu hij naar buiten kijkt, door het raam van een huis in een wildpark in Zuid-Afrika, is het moeilijk te begrijpen wat het verschil is met Artis.

Hij zet zijn Playmobil-dieren op tafel. Ooit zal hem de hartverscheurende schoonheid duidelijk worden van het land waar hij nu is, en de hartverscheurende geschiedenis. Dan zal hij weten dat er townships zijn voor de armen en estates voor de rijken. Tegen die tijd, hoopt zijn vader, zal Simon terugdenken aan de eerste keer dat hij er een olifant zag, in de rollende heuvels, onder de lange Afrikaanse lucht.

De eerste olifant die hij er ziet, komt heel dichtbij. Het is een meisje; ze zal even oud zijn als hijzelf. Nog heeft ze een olifantenhuid die glimt van de jeugd. De groeven en het patina komen later.

Simon zit in een open Landcruiser, de olifant staat er drie meter vandaan. Ze kijken elkaar glazig aan.

‘De olifant’, zegt ranger Stuart Barr, die de Landcruiser bestuurt, ‘is het grootste zoogdier van Afrika.’

‘Nee hoor’, zegt Simon.

‘Je bedoelt de walvis zeker?’, zegt Stuart.

‘Nee’, zegt Simon. ‘Ik bedoel de dinosaurus. Die is vet veel groter.’

Stuart geeft hem gelijk. Hij is gewend aan kinderen die voor het eerst wilde dieren zien op de vlakten van Amakhala. Daarom stopt Stuart niet alleen voor groot wild, maar ook voor mestkevers. Een mestkever kan over de arm van Simon lopen, een leeuw niet. Die ligt alleen maar te liggen. Stuart laat hem ook de spekboom zien, en dat je van de takken een tandenborstel kunt maken.

‘Bij de lunch hebben we straks biefstuk van elandantilope’, zegt Stuart. ‘Vertel het maar niet aan Simon.’

Het regent. Het land haalt adem. Maandenlang sudderden de heuvels in de hitte. Met honderd olifanten die 150 liter water drinken per dag, is elke regendruppel een geluk. Het water spoelt de zandpaden rood, stoft de borstelige begroeiing af die grijs was uitgeslagen. De heuvels dampen van de kleuren, alsof ze opnieuw geboren zijn.

Een week is Simon tussen de wilde dieren in en rond het Addo Elephant-wildpark, in het zuidoosten van Zuid-Afrika. Bij de ingang heeft Simon een lijst gekregen met de beesten die hij er kan zien. Er staan foto’s op, en hokjes die hij aan kan kruisen. Elke avond zal hij de lijst pakken en een viltstift, en de hokjes aankruisen bij de dieren die hij heeft gezien. Dat doet hij met zijn tong half uit de mond.

De eerste avond is hij, dankzij Stuart, al een eind op weg:

Afrikaanse olifant

Giraffe

Springbok

Struisvogel

Luipaardschildpad

Zebra

Mestkever

Elandantilope

‘Zo’n eland’, zegt hij, ‘die heb jij vanmiddag opgegeten hè.’

‘Daar hadden ze biefstuk van gemaakt.’

‘Dat zag er best lekker uit’, zegt Simon.

Het Addo Elephant National Park bestaat sinds 1931, toen het de elf laatst overgebleven olifanten van Oost-Kaap moest beschermen, maar is de laatste jaren pas in opkomst bij toeristen als malariavrij alternatief voor het Krugerpark, dat van alle wildtuinen van Zuid-Afrika de meeste mensen trekt. Het is een overzichtelijk park van deinende heuvels en borstelige struiken, dat een kudde bergt van zeshonderd olifanten en tot geluk van de beheerders niet over de Grote Vijf beschikt, die elke wildtoerist in Afrika wil zien, maar over de Grote Zeven: olifant, neushoorn, leeuw, luipaard, buffel, walvis en witte haai.

Die laatste twee heeft het land er vorig jaar officieel aan toegevoegd. ‘Nu is Zuid-Afrika’, zei milieuminister Buyelwa Sonjica tevreden, ‘het enige land ter wereld dat de Grote Zeven tonen kan.’

Het Addo Park begon als een stip op de kaart, maar is uitgebreid tot aan de oceaan. Wildparken zijn een nieuwe toekomst voor Zuid-Afrika, en zeker voor de nog onontgonnen Oost-Kaap – de kale dorpen om het park groeien langzaam uit tot toeristencentra.

Ook particulieren zijn privé-wildparken begonnen, waar ze veelal exclusieve lodges bestieren. Het park Amakhala, waar Stuart Barr als ranger werkt, is tien jaar geleden opgericht door vier boeren die een andere toekomst zochten. ‘Boeren is hard werken voor een instabiel bestaan’, zegt Stuart. ‘Natuurtoerisme belooft een beter inkomen.’

Privéparken als Amakhala kopen het wild van andere parken, of van fokkerijen die handelen in leeuwen, luipaarden, kudu’s en cheeta’s. Omdat de kans klein is dat Simon een luipaard of een jachtluipaard ziet, mag hij mee naar de Daniell-cheetafokkerij, die dieren levert aan wildparken en zich ten doel stelt de raszuiverheid van het jachtluipaard te behouden.

Hij aait er een tamme cheeta, die spint als een kat. Hij speelt er met twee babyleeuwen die over hem heenklimmen, aan zijn voeten knagen, kopjes geven en hun kleine maar nu al krachtige klauwen om zijn lijf slaan.

In de auto moet hij huilen.

‘Mis je mamma?’

‘Nee. Ik mis mijn leeuwen.’

Leeuw

Cheetah

Kudu

Die ochtend wordt Simon wakker, het is half vijf. Vandaag heeft hij besloten een hyena te zien. Voor het toegangshek naar het park staat een bewaker, erachter ligt de leegte, doorsneden met wegen van asfalt of rood zand. Elke struik, elke heuvel kan nu een hyena verbergen. Het is nog niet eenvoudig wild te vinden zonder ranger, maar langzaam ontwikkelt zich een strategie: waar andere auto’s stilstaan, is het raak.

Drie uur lang staat niemand stil, houdt het wild zich koest in de zee van struiken en roeren alleen de wrattenzwijnen zich, de vreemde tekenfilmfiguren met hun afhangende tanden.

Simon bestudeert de slangen op zijn lijst. Het liefst stapte hij uit de auto om ze te zoeken, maar uit de auto stappen is verboden. Dan steekt een oude olifant de rode zandweg over. Een man, vaalbruin, met de krassen van het leven in zijn huid. Hij drinkt uit een waterplas. ‘Ik noem hem drinkie’, zegt Simon.

Dan schuiven twee olifanten uit het kreupelhout, de weg op. Drie erbij, zes, negen, tot er vierentwintig grijze lijven verzameld zijn, die snoevend hun koninkrijk bewaken. Ze duwen tegen elkaars lijven, draaien elkaars slurven als kurkentrekkers ineen. Babyolifanten drentelen onder hun moeders door, slagtanden haken in de buitenspiegel.

Simon zingt:

‘Ze kunnen zeggen wat ze willen maar de o-li-fant / heeft de allerdikste billen van het he-le land.’

En: ‘O-li-fan-tje in het bos / laat je mamma’s staart niet los.’

En: ‘Jongens meisjes aan de kant / want/ daar komt een babyolifant.’

De zon valt op het land, dat plotseling siddert van de hitte. In het zand ontvouwen zich paintbrushbloemen in roze, paars en geel. Rood stof warrelt onder de auto vandaan.

Dan rent een schicht over de weg.

Hyena

Als Simon die avond zijn lijst met wilde dieren heeft bijgewerkt, is bijna alles ingevuld. Alleen de zeedieren ontbreken nog, en de neushoorn. ‘Oké’, zegt hij. ‘Morgen de walvis en de pinguïn.’

De walvis en de pinguïn leven niet ver weg, bij de eilanden voor de kust van het park. David brengt Simon erheen, in zijn speedboot, over de vlakke oceaan.

Hij toert toeristen rond om geld te verdienen voor zijn project waarmee hij de wildstand in het water bijhoudt. ‘Walvissen zul je niet zien vandaag’, zegt hij, die komen pas over een paar maanden weer.’

Dolfijnen en jan-van-genten escorteren de boot naar het eiland St. Croix, waar duizenden pinguïns over de rotsen klauteren. Het worden er steeds minder, zegt David, omdat de vis voor de kust wordt weggevist, en opeens stopt hij met praten.

‘Zie je wel’, zegt Simon.

Drie walvissen schuiven traag door de oceaan, als oorlogsbodems, en blazen stoom af als ze Davids boot passeren.

Walvis

Pinguïn

Dolfijn

In het vliegtuig terug naar huis zet Simon zijn Playmobil-leeuwen, giraffes en zijn zebra voor zich neer. Ook vouwt hij de lijst met wilde dieren uit.

Hij peinst, pakt een viltstift en kruist dan het laatste vakje aan.

‘Ik heb hem niet gezien’, zegt hij. ‘Maar ik heb hem wel bijna gezien.’

Neushoorn.

Meer over