Een leven lang keihard knokken

Het kostte ruim drie jaar voordat Irena Machovcak (28) met plezier en enthousiasme kon volleyballen, maar het duurde nog veel langer voordat zij in staat was over haar vlucht uit Tsjechoslowakije te vertellen....

0I K BEN GEVLUCHT toen ik negentien was, dus ik moest in Nederland een achterstand van negentien jaar inhalen. De zorgen van zestienjarige meiden hier: uit hun bol gaan, lekker de discotheek in, die had ik niet. Toen ík zestien was, moest ik keihard vechten voor mijn leven.

'Ik had altijd twee keuzes. Of je doet wat de communistische leiders zeggen, of je gaat de gevangenis in. Andere opties waren er niet. Voor mijn eigen bestwil deed ik dus wat ze mij opdroegen.'

Irena Machovcak werd op 13 november 1968 in Praag geboren, een paar maanden nadat de troepen van het Warschaupact Tsjechoslowakije waren binnengevallen. Op school leerde ze Russisch en hoe ze haar land moest verdedigen. En omdat ze talent voor volleybal had, werd ze opgenomen in het team van Rode Ster, waarbij ze automatisch een baan bij de geheime politie accepteerde.

'Als je talent had, kon je alles krijgen. Ik had talent voor volleybal, dus hebben ze gezegd: als je goed gaat volleyballen, krijg je school, geld, alles. Maar je moet goed presteren en gezond blijven natuurlijk, daarvoor wordt goed gezorgd. Ze geven jou alles om het talent te laten ontwikkelen.

'Maar als je een keer niet doet wat ze zeggen is het over. Als je niet meer wilt doorspelen wanneer je geblesseerd bent, als je geen spuit meer in je schouder wilt hebben, als je niet meer gecommandeerd wilt worden, dan word je bedreigd. En als je blijft weigeren, dan maken ze je kapot. Kies maar. En als jij kapot gaat, gaat iedereen kapot: je familie, je vrienden, alles. Daar sta je dan als zestienjarig meisje. Je hebt maar twee keuzes: doen of niet doen. En eigenlijk heb je helemaal geen keuze, want dan maak je iedereen kapot.

'Er waren twee volleybalclubs: Dynamo, dat was militair, en Rode Ster, dat was de politie. Als je bij dat laatste team speelde, dan was je automatisch werknemer van de geheime politie. Alleen hoefde ik de straat niet op, want mijn echte werk was volleybal. Omdat ik voor de geheime politie werkte, moest ik een verklaring ondertekenen dat ik niet met de verkeerde mensen zou omgaan. Dat waren in hun ogen criminelen.

'Via mijn zus leerde ik vrienden kennen die andere ideeën hadden over de wereld en over het communisme. Er ging een hele andere wereld voor mij open. Ik begon dingen te begrijpen, dingen waarmee ik het niet eens was. Ik heb heel veel verboden boeken gelezen, verboden radio geluisterd en met het volleybalteam kwam ik in andere landen, buiten het Oostblok. Toen begreep ik dat het ook anders kon, dat het anders wás.

'Toen ik negentien was, wilde ik niet meer ja-knikken, ik was het zat. Ze hebben vrienden van mij opgepakt en in de gevangenis gestopt. Daar was ik woest over. Ik wilde ze helpen, maar dat kon ik niet. En toen werd ik zelf het doelwit.

'Ik had maar twee opties: vluchten of de gevangenis is. Hier in Nederland ga je de gevangenis in als je iemand hebt vermoord. Ik had alleen andere ideeën. In Tsjechoslowakije ging je voor hele kleine dingen al de gevangenis in. Als ze bij jou bijvoorbeeld een verboden boek hadden gevonden.

'Ik had er nooit eerder aan gedacht om te vluchten. Als we voor volleybalwedstrijden naar het buitenland gingen, moest je een verklaring ondertekenen. Als je niet terug zou keren, zouden ze je familie beschadigen. Ik heb wel eens gedacht, hier wil ik wel blijven, maar ik had het lef niet. Ik was nog niet kwaad genoeg.

'Als ik zie hoe zorgeloos de meiden uit mijn team nu door het leven gaan, dan doet dat soms pijn. Ik heb een heel andere jeugd gehad. Wat me vooral pijn doet is dat ze niet beseffen hoe goed ze het hebben. Ik heb ze wel eens iets over mijn verleden verteld, maar dan lees ik onbegrip in hun ogen. Dan denk ik: pak eens een boek van Kundera of Havel. Dan lees je een beetje over hoe het daar was. Niet precies, want dat kan niemand opschrijven. De werkelijkheid is veel erger.

'Het is nog steeds niet gemakkelijk voor mij om erover te praten. Toen ik eindelijk ben gevlucht, had ik nog maar één keus. Het was één jaar voor het ijzeren gordijn openging, maar het was op het nippertje. Ik had het geduld van de leiders al te veel op de proef gesteld. Ik wilde mijn familie en vrienden niet beschadigen, maar het was alles of niks. Als ze me zouden pakken, zou ik de gevangenis ingaan. Ik heb alles geriskeerd.'

Machovcak was in Nederland voor een serie oefenwedstrijden toen ze haar kans greep. Een vastomlijnd plan had ze niet en niemand wist ervan. Zelfs haar beste vrienden niet, uit angst dat ze haar onder dwang zouden verraden. Met als enige bezittingen een onderbroek en een paspoort, dat ze verborgen had gehouden, sloeg ze in Ede op de vlucht.

'We sliepen op Papendal en ik lette erg goed op hoe we er naar toe reden en waar het openbaar vervoer was. Papendal was te ver van de stad vandaan. Ik had wel een spoor gevonden, maar dan moest ik helemaal door de bossen lopen en dat vond ik een beetje eng. 's Middags gingen we winkelen in Ede en daar ben ik gewoon naar het station gelopen. Een kaartje gekocht naar Amsterdam.

'Ik weet nog dat ik heel verbaasd was dat de treinen op tijd reden. Als de trein in Tsjechoslowakije een kwartier vertraging had, dan was het feest, dan was hij vroeg. Ik had mazzel, de trein ging na twee minuten. Toch was ik niet bang. Ik kan het gevoel niet omschrijven, het was een avontuur. Ik heb mijn oude leven afgesloten op het moment dat ik in Ede op de trein stapte. Nu ga ik iets nieuws tegemoet en nu ga ik het anders doen en beter doen. Ik wist dat ik ervoor zou moeten vechten, dat het bloed, zweet en tranen en weet ik veel zou kosten, maar ik heb het gedaan.'

Op het Damrak in Amsterdam zag ze een bewaker van de Bijenkorf aan voor politieagent. Hij bracht haar naar het bureau in de Warmoesstraat waar ze in gebrekkig Duits politiek asiel aanvroeg. Maar de agenten namen haar niet serieus. Als antwoord kreeg ze een plattegrond van de stad in haar handen gedrukt. Ze gaf haar paspoort, legde uit dat de rest van haar team in Papendal aan het volleyballen was en dat zij in Nederland wilde blijven.

'Ze dachten dat ik dronken of aan de drugs was, ze hebben zelfs mijn armen gecontroleerd of ik gespoten had. Ik zei nee, ik ben gezond, ik heb niks gedaan, maar ik wil gewoon hier blijven. Pas toen begrepen ze dat er echt iets aan de hand was. Daarna hebben ze me heel goed opgevangen.

0I K HEB anderhalf jaar geen contact gehad met mijn familie. Niemand wist waar ik was. Mijn familie hebben ze met rust gelaten, maar mijn vrienden niet. Een paar heb ik later teruggezien, maar velen zijn er niet meer. En dan bedoel ik echt helemaal niet meer.' Ze zijn opgepakt en vermoord, maar die woorden krijgt ze na negen jaar nog altijd niet over haar lippen.

Het verleden heeft Machovcak gevormd tot een bescheiden vrouw, vaak vrolijk, soms echt, soms tegen haar gevoel in. Het kostte haar veel moeite om zich aan te passen in Nederland. Om negentien jaar achterstand in te halen. Te ondervinden dat ze mensen in vertrouwen kon nemen, leren dat volleybal enthousiast en met plezier gespeeld kon worden.

'In Tsjechoslowakije had ik niet zoveel plezier in het volleybal als in Nederland. Daar was volleybal keihard, saai, rustig. Je moest blind door de muren en het parket heen. Je deed dat zo automatisch dat je daar niet eens over nadacht. Hoe moe en hoe blauw je ook was, de volgende dag ging je weer.

'Pas in Nederland heb ik geleerd wat plezier betekende. Ik was saai. Niemand wist dat ik in het veld stond. Ik was een degelijke diesel, maar niet enthousiast. Ik wist niet eens wat het woord betekende. Technisch was ik goed. Wij gingen door de muren heen, dus dat zat erin gebakken. Hier zeggen die meiden, ik heb de techniek niet, maar dat heeft er niets mee te maken. Het zit in je hoofd. Dat moeten die meiden nog leren.'

Machovcak leek de geschiedenis in te gaan als de eeuwige reserve van de Nederlandse volleybalsters. Toch bleef ze na vijf jaren keihard werken loyaal aan het team. Haar beloning kwam bij de Olympische Spelen in Atlanta, waar ze met succes de geblesseerde Jerine Fleurke verving. Bij afwezigheid van internationals als Boersma, Weersing en Brinkman leverde het haar dit jaar zelfs het erebaantje van aanvoerster op.

Ze rolde er toevallig in, zegt ze zelf, te bescheiden om te geloven dat ze de functie echt verdient. In Noorwegen, waar de ploeg na een loodzware survivaltocht een reeks oefenwedstrijden moest spelen, wierp Machovcak zich op als leider. 'We kwamen uit de bossen en niemand wist meer wat onder of boven was. Iedereen was uitgeput. Ik was de enige die nog een beetje bij bewustzijn was, dus was het logisch dat ik de leiding nam.

'Ik ben een stuk ouder en meer ervaren dan de rest van het team. Als die jonge meiden huilen, dan heb ik wel eens medelijden. Maar dan zeg ik tegen mezelf: hou je moedergevoel even in, ze moeten hard worden. Ik ben ook wel eens op mijn bek gegaan en dan riepen ze, haha, de volgende keer moet je beter opletten. Niemand riep: o, wat zielig.

'Ik ben geen echte leider. Ik los alles democratisch op, dat is mijn manier. Ik dring niemand iets op, ik stel dingen voor aan de mensen en dan moeten ze zelf maar een keuze maken. Ik hou er niet van iemand te dwingen, ze hebben mij zelf heel vaak gedwongen dingen te doen die ik niet wilde en ik weet hoe dat is. Ik ben diplomatiek. Maar als ik hard moet zijn ben ik keihard, dat ben ik voor mezelf, maar ook voor anderen.

'Ik denk altijd, Irena, hou je maar een beetje gedeisd. Ik ben niet iemand die snel de leiding op zich neemt. Ik ben niet luidruchtig, niet zoals Erna Brinkman. Die zie je wel en die hoor je wel. Ik ben rustig van nature en bescheiden door alles wat er in mijn jeugd is gebeurd.'

Dat ze door bondscoach Bert Goedkoop werd aangewezen als aanvoerster, noemt ze een geschenk uit de hemel. 'Het is een eer. Ik heb altijd alles van mijzelf gegeven. Dit is een beloning voor vijf jaar keihard werken in het nationale team. Altijd ben je reserve en dan word je plotseling in het zonnetje gezet. Dat ben ik niet gewend. Ik heb mijn hele leven overal keihard voor moeten knokken, in Tsjechoslowakije, maar ook in Nederland.'

Meer over