Een kapelletje voor Che

Hij zat net te eten, Guillermo Gutierrez, toen we aan het venster van zijn winkel klopten. Maar toen hij zag dat we buitenlanders waren, deed hij de deur haastig open terwijl hij zijn mond afveegde met een bonte doek....

JAN DONKERS

In zijn dorp moeten ze het hebben van vreemdelingen die af en toe langskomen en wat indiaanse souvenirs kopen. Houtsnijwerk, handgeweven kleden. Vilten mutsen uit Tarabuco, in de vorm van Spaanse helmen, dat soort dingen. Maar de laatste tijd, bevestigde Guillermo, komt er ook een ander soort buitenlanders.

Samaipata ligt op de weg van Santa Cruz naar Cochabamba in Bolivia. Een onopvallend stadje, niet al te hoog in de bergen en dus mild van temperatuur en betrekkelijk welvarend. Behalve de weefsels en de lekkere kaas die er door Duitse immigranten wordt gemaakt, heeft Samaipata nog een claim to fame.

Op 6 juli 1967 werd het dorp een halve dag bezet door het desperate guerrillalegertje van Che Guevara, dat vergeefs probeerde de revolutie in Bolivia aan te stichten. De mannen hadden gebrek aan alles, vooral aan medicijnen voor Che's snel verergerende astma. Die gebeurtenis maakt Samaipata tegenwoordig tot een verplichte halteplaats op de Ruta del Che, Bolivia's nieuwste toeristenattractie.

Ik was op zoek naar ooggetuigen, dertig jaar later, en bij Guillermo meteen aan het goede adres. Hij wist het nog goed: hoe de baardige guerrillero's een bus hadden gekaapt en de weg hadden afgezet, hoe ze politiemannen hadden gegijzeld, een legerpost aangevallen en hoe ze één soldaatje hadden moeten doodschieten dat zonodig de held wilde uithangen. En o ja, die politiemannen, die hadden ze later weer vrijgelaten, spiernaakt, daar moesten de mensen in het dorp wel om lachen.

Che zag er al slecht uit, vertelde Guillermo, mager, ziek, je kon al wel zien dat hij het niet lang meer zou maken. Dat Che in zijn eigen dagboek beschrijft hoe hij de operatie alleen maar van een afstand leidde, wierp ik maar niet tegen: Guillermo's verhaal was mooi genoeg.

Het was verkiezingstijd in Bolivia. In alle dorpen waren alle muren kleurrijk beschilderd met reclame voor de grote partijen, maar aan de muur van zijn winkel hing een kleine poster van een partij die Eje Pachakuti heette. In de beide bovenhoeken beeltenissen, een van de Inca-leider Tupac Amaru en een van Che Guevara. Opstandiger kon het niet. En de slogan van Guillermo's partij was ook niet oninteressant: Coca, Poder y Territorio. Dat van die macht -poder - en die territorio had hij snel uitgelegd: de indianen hier waren nog even arm en rechteloos als vroeger. Macht hadden ze niet en grond al evenmin.

En coca? Dat kauwden ze hier al duizenden jaren, de indianen, duizenden jaren, zoals de mensen in de steden bier dronken. Zonder dat iemand zich ermee bemoeide. Je kon het hier om de hoek kopen, bij zakken tegelijk op de markt, ik moest zelf maar kijken, daar waar tentdoeken van groen gaas waren gespannen verkochten ze coca, want dan zag het er in het gefilterde zonlicht groener uit dan het was.

Maar tegenwoordig maakten de Yanquis er pichicata van en dat snoven ze of rookten ze, wist hij veel. En weer andere Amerikanen die wilden dat verbieden. Die wilden dat de boeren hier koffie of tabak gingen verbouwen in plaats van coca, omdat de Yanquis anders te veel van die pichicata zouden gaan gebruiken. Wat hadden de indianen van Bolivia daar in vredesnaam mee te maken? Guillermo brieste letterlijk van woede. 'Wat mij betreft verkopen we de Yanquis net zoveel pichicata dat het hun kont uitkomt'

Nee, hij was helemaal niet bang om dit te zeggen, zoals we ook best mochten weten dat hij zijn kinderen Vladimir (naar Lenin), Joeri (naar de Russische astronaut Gagarin), Lin (naar Lin Piao) en Tania (naar de dochter van Chroestsjov) had genoemd. Dit alles verteld hebbende haalde Guillermo Gutierrez zijn grote schat tevoorschijn: mappen vol met foto's van Che Guevara, kopieën van kopieën. Che lachend met Fidel, Che als baardige aanvoerder in de jungle, Che op een muilezel. En foto's van na zijn einde natuurlijk, hier vlakbij gemaakt: Che's lijk op een draagbaar, omringd door verbaasde soldaten, Che's lijk in het washuis van Vallegrande, kogelgaten in borst en hals, de bloederige resten van twee kameraden naast hem op de vloer.

Hij koesterde zijn fotoverzameling al bijna dertig jaar. Tijdens de vorige regeringen had hij haar moeten verstoppen, want toen was het allemaal veel te verdacht, maar tegenwoordig kon hij ze vrij tentoonstellen en verkopen. Hoewel, de Yanquis die hier langskwamen werden natuurlijk weer boos als ze de foto's zagen. Alweer die Yanquis met hun bemoeizucht.

Guillermo wond er geen doekjes om. 'Als Che nu terug zou komen zouden bijna alle Bolivianen hem volgen, in tegenstelling tot dertig jaar geleden. Want er is in al die tijd niks verbeterd, alleen weten de mensen nu wat ze toen niet wisten: dat politici je altijd verraden; die zich links noemen, zijn de ergsten. Die laten zich als het vijfde wiel aan de wagen gebruiken. Che was de Christus van deze eeuw, dat weet ik zeker. Hij heeft geen wonderen verricht, maar hij was waarlijk een heilige. Hij vocht voor de armen. Alleen wisten die armen dat toen nog niet.'

We kochten wat foto's en wilden Guillermo weer alleen laten met de restanten van zijn maaltijd, toen door de geopende deur een kleine, oude vrouw binnenschuifelde met een kleurige omslagdoek om. Ze bekruisigde zich snel voor een kleine nis waar Guillermo een miniem kapelletje had ingericht. Toen we erlangs naar buiten liepen, herkende ik pas de baardige man met de lange haren en de opengesperde ogen wiens portret beschenen werd door een elektrisch kaarsje. Christus was het niet.

Meer over