ColumnPeter Buwalda

Een heitje voor een karweitje

null Beeld
Peter Buwalda

‘Hebben jullie heitje voor karweitje.’

Zo, zonder vraagteken, zonder lidwoorden, valt straatjeugd geregeld de boekhandel binnen waar Jet weleens werkt. Meestal is er geen karweitje.

‘Mogen we dan gewoon geld?’ Nu kan er wel een vraagteken af.

Deze vlieger gaat niet op, de zon, onthoud dat maar, is de enige vlieger die gratis opgaat, en nu optiefen. Laatst begon er eentje te stampvoeten, vertelde Jet, hij riep: ‘Jullie hebben godverdomme nooit meer heitjes voor karweitjes!’

Inderdaad Kruimeltje, vroeger was alles beter. Daarover kan opa nog wel een mooi verhaal vertellen. Krijgt opa 393,75 euro voor, weet je hoeveel heitjes dat zijn? 1575 heitjes.

Het gebeurde vroeger, toen hij samen met zijn vriendje Fruts ergens aanschelde.

‘Fruts? Wat is dat voor naam?’

‘Gefingeerd, omwille van de privacy.’

De vrouw die opendeed keek ons verwilderd aan. Nee, ze had geen heitje, of wacht. Vloekend sleepte ze een gladde hond mee de woonkamer in, waaruit zeg maar babygehuil en de lucht van aangebrande aardappelen kwamen, dan heeft u een beeld.

Ze kwam terug met een pakketje. ‘Dit moet heel snel op de post. Weten jullie het postkantoor?’ Ze gaf Fruts een tientje, mij een met tape omzwachteld doosje van enig gewicht. ‘Het wisselgeld moeten jullie komen terugbrengen, en dan zullen we eens zien.’

Slijmslikkend knikten we. Kwam voor de bakker. Die kant was het ook op, zei Fruts. Als dat tienguldenbiljet een vliegend tapijtje was geweest, dan zweefden we door de Klingerberg, Fruts’ nieuwbouwwijk. Jammer genoeg bleek bij de bakker nergens een postkantoor te bekennen. Wel andere dingen, zoals koeken en taartjes. ‘Laten we een gebakje kopen’, zei ik. Vond Fruts goed. Een gemeen mannetje was het, een vriendje dat je beter niet kon hebben.

Etend beseften we dat we geen enkel plan hadden. Er was bijvoorbeeld te veel geld over, een pakje versturen moest duurder zijn. Dus kochten we allebei nog een appelflap.

Ik: ‘We kunnen het pakje in de struiken gooien en teruggaan. Dan zeggen we gewoon dat we geen heitje hoeven.’ Nee, dat was verdacht, vond Fruts, we moesten juist wel een heitje krijgen. Ja, zo’n doortrapt jongetje was hij.

We verstopten het pakje onder een betonnen pijp bij de bouw, half in geel zand. Teruglopend aten we de appelflappen, pas toen ze helemaal op waren, kregen we het benauwd. Stel dat de vrouw zou merken dat het pakje niet aankwam, zou ze ons dan thuis komen opzoeken? ‘Jou misschien wel’, waarschuwde ik Fruts.

Geschrokken rende hij terug naar de pijp. Ik bleef een beetje staan wachten. Er stond een adres op in Bunschoten, meldde hij, misschien konden we er morgen na school heen fietsen en het afgeven? Het pakje alsnog van ons zakgeld of zo naar het postkantoor brengen was overdreven.

‘Misschien is Bunschoten wel heel ver’, zei ik. ‘Ik kan wel aan mijn vader vragen waar het is, vanavond? Kun jij er eventueel heen fietsen, morgen.’

‘Ja, maar ik heb morgen Vrije Academie.’ Dat was een soort knutsel-les waarop Fruts zat, mij niet gezien. Zonder overleg trok hij een sprint en smeet het pakje met een enorme boog in een soort watertje, plons, weg.

We mochten de drie gulden-nog-wat houden. ‘Als alles goed gaat,’ zei Fruts slinks, ‘komt het overmorgen aan.’ Een lui, impulsief, vals ventje was het.