Een cultuur van symbolen

In het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1998 worden belang en betekenis van ceremonies en rituelen in het verleden behandeld. Bij deze ceremonies werd gebruik gemaakt van een beeldentaal die iedereen verstond, maar nu verloren is gegaan....

KAREL DE VIJFDE trok zich in 1556 terug in een klooster in het afgelegen Spaanse Yuste om zich op de eeuwigheid voor te bereiden. Hij biechtte, bad en boette. Hij stierf er in september 1558 en werd er, met alleen kerkelijk ceremonieel, onder het altaar begraven. De celebrerende priester stond in de toekomst op zijn resten: hij had zichzelf tot relikwie gemaakt.

Zijn zoon Filips II ontving het overlijdensbericht op 1 november, de dag van Allerheiligen; de volgende dag was het Allerzielen, het moet hem te denken hebben gegeven. Zijn positie als koning van Spanje was op dat moment precair. Er was behoefte aan koninklijk vertoon dat de macht moest versterken. Hij organiseerde eind december een tweedaags begrafenisritueel in Brussel. Men zou het een herdenkingsplechtigheid kunnen noemen.

Er waren processies, banketten, religieuze ceremonies, de grootheid van Karel V tonend, van diens rijk ook, de grootheid van de nieuwe vorst, Filips II, bevestigend: een schouwspel dat de politieke werkelijkheid gestalte moest geven, een vergankelijk kunstwerk dat de onvergankelijkheid van de vorstelijke macht moest tonen en uitwerken. (Later zou Filips het stoffelijk overschot van zijn vader laten bijzetten in het door hem gebouwde Escorial - hoevele malen groter dan het klooster van Yuste! - waar hij bad en beefde voor de gerechtigheid Gods.)

Misschien is het meest typerende aan zo'n tweedaags festival van de dood de vergankelijkheid van het gebeuren en van alle kunstwerken ervoor gemaakt ook, en de blijvend geachte uitwerking ervan. Niet minder typerend is het herhalingskarakter ervan: begrafenisprocessies bij de dood van de hertogen van Bourgondië waren traditie en de aankledingen en symbolen zullen zich eveneens herhaald hebben.

Juist dat karakter van vergankelijkheid en herhaling, de heel sterk symbolische inkleding ook, niet minder de beoogde of gedachte blijvende uitwerking, maken het verantwoord een begrafenisprocessie als die van Brussel een ritueel te noemen en dat waarschijnlijk nog het meest vanwege het zichtbaar maken van wat onzichtbaar is: de geest.

Alleen een cultuur die overheersend in symbolen denkt en leeft, maakt een dergelijk spektakel mogelijk. Beeldentaal - en dat is misschien nog de beste omschrijving voor allegorische voorstellingen en vertoningen - vraagt goede verstaanders, maar ook 'gelovigen'. Wanneer bij de presentatie van Filips II door zijn vader Karel V - bij de 'blijde incomste' in 1549 in Antwerpen - de twee werden afgebeeld als Abraham en Isaak, dan kan een stukje bijbelse geschiedenis als actuele geschiedenis worden verstaan, mits de grootheid en symbolische voorbeeldfunctie van de twee bijbelse figuren worden geloofd. Het inzicht dat de toeschouwer krijgt, heeft het karakter van een opwekking voor de vorst en zijn zoon, zoals alle afgebeelde grote Filipsen uit de geschiedenis dat voor de prins ook doen: de beeldtaal spreekt de normen uit.

Het aardige is natuurlijk dat de Antwerpse gemeenschap, die de aankleding van de 'blijde incomste' verzorgde, zijn verlangens, maar ook zijn eisen zichtbaar kan maken. Alleen het beeld maakt dat mogelijk, in een cultuur waarin de beeldtaal een gemeenschappelijke taal is. En die taal is zowel uiting van de gemeenschap als bevestiging ervan. Het gaat tenslotte om herkenning die altijd kennis veronderstelt.

Een van de vernuftigste schouwspelen - een dagen durend toernooi - had plaats in 1549 in Binche, in Henegouwen. Ook hier waren Karel V en Filips II de hoofdfiguren, als toeschouwers en medespelers. Het was een gebeuren voor ridders en het grote spel dat gespeeld werd, was geïnspireerd op een beroemde ridderroman. Maar men speelde niet belangeloos; de inkleding gaf het spel zijn zin en ten slotte wordt de ideale gestalte die Filips II moet hebben, zichtbaar.

Uit het spel komt de werkelijkheid tevoorschijn, of de ideale werkelijkheid, beter gezegd. Zonder de symbolische inkleding was dat alles onmogelijk geweest, zonder de rituele kanten, het ridderleven eigen, evenmin. Het schouwspel veronderstelt een gesloten cultuur.

Ik denk dat zonder die geslotenheid - die juist het gemeenschappelijk bezit van beeldtaal mogelijk maakt - ook de zogenoemde landjuwelen van de rederijkerskamers niet te verstaan zijn. Zij waren in aankleding, in optochten, in de opgevoerde spelen de triomf van de allegorie. Wie ze beschreven ziet, ontkomt niet aan de indruk van oversymbolisering, die Huizinga voor de late Middeleeuwen karakteristiek achtte. En ook hier moest de beeldtaal haar uitwerking in de werkelijkheid hebben: in herkenning die tot inzicht leidt. De motto's van de landjuwelen, in symbolische taal, hadden altijd een duidelijk moraliserend karakter. De beeldtaal wil altijd leren.

Het kan wonderlijk zijn dat het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek een hele aflevering wijdt aan Hof-, Staats- en Stadsceremonies, zoals de titel van het jaarboek van 1998 luidt. Al die ceremonies kenden hun kunstwerken, maar ze waren vergankelijk als de ceremonie zelf.

Bovendien speelde de beeldende kunst er maar één rol in, maar dat wel in samenspel met andere kunstvormen en manifestaties, optochten bijvoorbeeld. Alleen interdisciplinair kan aan het totaal van die ceremonies recht worden gedaan. En de vergankelijkheid is in sommige gevallen ook niet definitief: er zijn soms werkelijk schitterende prenten van de grote gebeurtenissen overgeleverd.

De bijdragen in het jaarboek over de hof- en staatsceremonies zijn het boeiendst, misschien omdat daarin de dubbelzinnigheid - door het symbolisme mede mogelijk gemaakt - zo schitterend zichtbaar kan worden gemaakt. Het grote schouwspel heeft een politiek karakter en doel. Bij elk spel gaat het ook om de knikkers. Rituelen zijn nooit vrijblijvend. Tussen spel en doel is een voortdurende wisselwerking. Dat wordt heel goed zichtbaar in de studies over het toernooi van Binche, over de 'blijde incomste' van Filips II in Antwerpen in 1549, over de begrafenisceremonie in 1558 in Brussel, over de ceremonies rond het Haagse huwelijk van Johan Wolfert van Brederode en Louisa Christina von Solms in 1638.

Politiek karakter en verhoopte of gerealiseerde politieke uitwerking; ze zijn aan staats- en hofvertoningen nooit vreemd. Maar de wijze waarop hier soms de dubbelzinnigheid zichtbaar wordt gemaakt, is vaak verrassend en verrijkend.

De twee opgenomen studies over de cultuur van de rederijkers (waarvan er één, hoe bewonderenswaardig ook, vrij technisch is) kunnen aantonen hoezeer gemeenschappelijk die cultuur was. Er waren altijd te raden, maar nooit verborgen bedoelingen. De bijdrage over het Haarlemse landjuweel van 1606 is, mede door het beeldmateriaal en het commentaar daarop, zonder meer schitterend. Een vroegere gedachte van mij, dat de rederijkerskunst de eerste democratische kunst is geweest, lijkt in deze bijdrage te worden bevestigd.

Ik herinner mij foto's van een versierd Amsterdam in 1898, bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina: veel poorten, veel zinnebeeldige decoraties, veel erkenning en bevestiging van de nieuwe koninklijke macht. Wellicht ook veel historische verwijzingen, want de grootheid van de geschiedenis is het waarmerk van de grootheid van het heden. Er wordt iets groots voortgezet.

Was deze aankleding van de stad tot het decor van een schouwspel de laatste? De symbolen moeten toen al versleten zijn. Wij zijn de beeldtaal, dat gemeenschappelijk bezit van een cultuur en daarin grote symbolen veronderstelt, kwijt. We leven in de cultuur van de rechtstreeksheid en die is altijd individualistischer.

De laatste uitingen van de grote ceremonies zijn in sommige landen de militaire parades. En de allerlaatste is het ritueel van het carnaval en daarin vooral de ceremonie van de optocht.

De roomse kerk die, zeker in Rome, heel veel van haar ceremoniële grootheid als machtsbevestiging aan de Romeinen dankte, heeft het ook moeten laten afweten. Zonder de kracht van haar rituelen is veel aan de in dit jaarboek beschreven ceremonies moeilijk te begrijpen.

Dit is het mooiste: het schouwspel van de 'blijde incomste' in 1549 in Antwerpen was schitterend bedacht. Maar op de dag van de intocht was het zeer slecht weer. Of Filips II van de aan- en inkleding veel heeft gezien, is een vraag. Hij had het als voorteken kunnen verstaan. De tijd van de opstand is niet ver meer. Maar zo symboolgevoelig was hij niet. Liever het teken dan het slechte voorteken.

Meer over