Duitse illusies over de bron van het terrorisme

Toen Jörg Ziercke, de baas van het Bundeskriminalamt (BKA), de media afgelopen vrijdag informeerde over de mislukte terreuraanslag op twee Duitse treinen, nam hij alvast een voorschot op de discussie die – zoals hij terecht aannam – per omgaande in de kranten zou ontvlammen: wat kon de daders in vredesnaam...

Sander van Walsum

Maar kennelijk verzette zijn taakopvatting zich daartegen. Hij speculeerde over een samenhang tussen de beraamde terreurdaad en de oorlog in Zuid-Libanon. Mogelijk hadden zij uiting willen geven aan hun frustratie over de toestand in het Midden-Oosten, opperde Ziercke. Om daaraan ongevraagd toe te voegen dat de gezochte mannen vermoedelijk niet hebben willen wedijveren met de daders van de terreuraanslagen in Madrid en Londen. Anders hadden zij hun bommen wel tijdens het spitsuur of in een dichtbevolkt gebied tot ontploffing gebracht, en niet – zoals hun bedoeling was – om half drie ’s middags buiten de bebouwde kom van Koblenz en Dortmund.

Met deze bespiegeling gaf Ziercke er blijk van een product van de Verlichting te zijn. Hij veronderstelde bij de verdachten, van wie er zaterdag één werd aangehouden, een zekere rationaliteit. En hij probeerde een indruk te krijgen van hun beweegredenen. Dat siert Ziercke. Maar erg verhelderend waren zijn gedachteoefeningen niet.

Wie – inmiddels tegen beter weten in – suggereert dat terroristen de aandacht van de wereldgemeenschap willen vestigen op geopolitieke vraagstukken, of het Westen op zijn dubbele moraal of zijn verdorvenheid willen aanspreken, veronderstelt dat het Westen de oorzaken van het terrorisme kan wegnemen. Door de grenzen van de vrijheid van meningsuiting nader te definiëren. Door, zoals de polemist Henryk M. Broder onlangs in Der Spiegel opperde, af te zien van een ‘wet T-shirt contest’ omdat gelovige moslims in Haiderabad daaraan aanstoot zouden kunnen nemen.

Door de islamitische gemeenschap in Toronto (Canada) de invoering van een lokale sharia toe te staan (terwijl tot het christendom bekeerde moslims in de Arabische wereld ter dood kunnen worden veroordeeld). En door de hoop te koesteren dat de clash of civilizations kan worden afgewend als Israëliërs en Palestijnen een modus vivendi weten te vinden.

‘Het Jeruzalem-syndroom’, noemde de Franse filosoof André Glucksmann onlangs in Le Figaro de gangbare neiging om vrijwel elk conflict in de wereld met het Midden-Oosten in verband te brengen. Ofwel: ‘Zolang vier miljoen Israëli’s en evenzoveel Palestijnen tegenover elkaar staan, zijn 300 miljoen Arabieren en anderhalf miljard moslims gedoemd tot een leven van haat, bloed en vertwijfeling.’ Omgekeerd zullen, volgens de lijders van het Jeruzalem-syndroom, ‘de vuren in Teheran, Karachi, Khartoem en Bagdad doven’ als er vrede heerst aan de oevers van de Jordaan.

Deze illusie verklaart mede het slechte geweten van het Westen tegenover de Arabische wereld. De staat Israël is immers het product van de Europese geschiedenis. En in diezelfde geschiedenis ligt de origine besloten van ons cultuurrelativisme en onze huiver voor een confrontatie met de radicale islam.

In Die Welt van dinsdag schreef de historicus Michael Wolffsohn de machteloosheid van de veiligheidsdienst BKA tegenover het islamitisch terrorisme onder meer toe aan een verlammende angst voor ‘ideologische discriminering’. ‘Elke veiligheidsambtenaar denkt wel tweemaal na voordat hij opdracht geeft tot een onderzoek naar een moslim of een andere buitenlander.’ Uit beduchtheid voor het verwijt dat moslims ‘unter Generalverdacht’ staan. Afgezien daarvan is, aldus Wolffsohn, ‘de Amerika- en Israël-vijandige oriëntatie van de terroristen in bepaalde Duitse kringen niet impopulair’.

Mogelijk komt hierin verandering nu ook Duitsland tot doelwit van terreuraanslagen is uitverkoren. Deze omstandigheid maakt ten overvloede duidelijk dat terroristen geen onderscheid maken tussen voor- en tegenstanders van het Amerikaanse Irak-beleid, en niet gevoelig zijn voor vertrouwenwekkende maatregelen.

De blinde vijandschap van de terroristen kan niet door de potentiële slachtoffers worden verzacht of weggenomen. Pogingen om hun motieven te doorgronden, zijn gedoemd te mislukken. Het enige wat wij, in het Westen, kunnen doen, is aanslagen verijdelen, terroristen oppakken, en hopen dat de gekte ooit weer overgaat. Daarbij kunnen we enige hoop ontlenen aan de drang tot zelfbehoud waarmee elk levend wezen is behept. De doodsverachting van de terrorist is met deze natuurwet in flagrante strijd. Uiteindelijk kiest de mens toch voor het leven.

Sander van Walsum

Meer over